Rekwisieten van de tegenvoeter

Het Musée du quai Branly geeft met haar eerste grote tentoonstelling een gedurfd credo af. Het wil tribale objecten laten zien als de rekwisieten van geheimzinnige rituelen én als prachtige kunst.Een speeltuinvan de geest.Door Paul Depondt..

Op D’un regard l’Autre, de eerste grote expositie in het nieuwe Parijse Musée du quai Branly, betreedt de argeloze bezoeker in het hart van de opstelling een verduisterde ruimte waarin honderden speren, messen en schilden keurig in het gelid als trofeeën en oorlogsbuit zijn gerangschikt. Die bizarre uitstalling brengt het vroegere Musée de l’Homme in herinnering met zijn vermolmde kasten en bestofte vitrines waarin maskers, bijlen en ander wapentuig waren geordend en geëtiketteerd als opgespelde kevers en vlinders. Het is een statement: zo was het vroeger. Wat beoogt Branly nu?

Nieuwsgierigheid is wellicht de voornaamste drijfveer van het verzamelen, meer nog dan hebzucht of ijdelheid. Kennis is macht. Maar collectioneren is ook ordenen. Het is politiek. De tentoonstelling is het programma van het museum en toont hoe Branly ‘tribale kunst’ verzamelt en exposeert.

Koloniale trofeeën

Het is een oud zeer: al jaren voeren etnologen, antropologen, museumconservatoren en kunstkenners discussies over de vraag of je al die voorwerpen als rituele attributen, koloniale trofeeën of als kunst moet tonen. Onze blik is niet onbevangen. Er is altijd heel verschillend naar gekeken. Kunnen we de geheimen van verstomde maskers en beelden wel vatten? Zijn de betekenis en inhoud van een ceremonie niet belangrijker dan de vorm en schittering van een ritueel rekwisiet? Waarom exposeer je die ‘arts premiers’ – een soort ‘voorgeborchte van de kunst’ in de woorden van het nieuwe programma – in een apart museum en niet in het Grand Louvre? Kunnen we al die ‘ontvreemde’ kunstschatten wel zonder schuld- of superioriteitsgevoel tentoonstellen?

Bernard Dupaigne, die een aantal jaren als etnoloog in het intussen gesloten Musée de l’Homme heeft gewerkt, spreekt van ‘le scandale des arts premiers’. Het nieuwe Musée du quai Branly is volgens hem ‘het speeltje’ van president Chirac en zijn inmiddels gestorven vriend Jacques Kerchache, kunsthandelaar en expert in primitieve kunst. In een pas verschenen boek over Branly ontrafelt Dupaigne de ‘museale polemiek tussen etnologen en kunstkenners’, een debat over esthetiek en kennis.

We kijken, meent Dupaigne, met een westerse blik naar kunst uit Afrika. In de oude Afrikaanse talen is er geen woord voor ‘kunst’; l’art pour l’art, de kunst om de kunst, is een Europese opvatting. Dupaigne vreest dat gedegen onderzoek naar de betekenis van al die rituele en ceremoniële voorwerpen zal verkruimelen door hol klinkend artistiekerig discours.

D’un regard l’Autre is niettemin een verbluffend credo van het nieuwe museum. Je kunt het oneens zijn met de intenties van Branly, dat zowel aan de kunstzinnige aspecten van al die voorwerpen waarde hecht als aan het geheimzinnig ritueel dat eromheen hangt. Ook kun je bezwaren hebben tegen de personele invulling van het conservatorencorps of tegen de grootheidswaanzin van de Franse president. Maar hoe dan ook: de opstelling van deze expositie is intelligent, sprankelend en nieuw.

Hoe kijken we naar de ander? Hoe spiegelen we onszelf? Hoe kunnen we, d’un regard l’autre, ‘iemand vatten in één oogopslag’. Op de expositie hangt een tafereeltje van de Vlaamse schilder Jan van Kessel, niet groter dan twee stevige uitgestrekte handen, een 17de-eeuwse voorstelling van kannibalisme. Aan touwen bengelen afgesneden armen, benen, hoofden en ribben. Het lijkt wel de slager in de tropen: klanten grijpen naar een goed stuk vlees. Zulke afbeeldingen waren niet uitzonderlijk. De antipoden, onze tegenvoeters in verre continenten, werden vaak als monsters afgeschilderd. Ze waren wild, wreed en zeer bloeddorstig.

Dat ruwe beeld van de ander was echter ook een moraliserend spiegelbeeld. Het portretteerde de gramschap, de vraatzucht en de corruptie van de eigen samenleving. Wat niet deugde, trof je natuurlijk vooral bij de ander aan. Die beelden zeggen daarom ook iets over de manier waarop Europeanen naar de ‘exotische’ anderen keken. Ze waren letterlijk tegenvoeters, mensen met geheel tegengestelde aard of meningen. Op sommige prenten waren het de kinderen van de duivel. Ze gingen schuil achter een grimmig en angstaanjagend mombakkes.

Wonderkamers

Die duistere voorstellingen wekten evenwel ook de nieuwsgierigheid op. Nog lang voor filosofen en later etnologen het over de zeden van de ‘goede wilde’ hadden, verzamelden vorsten in hun curiositeitenkabinetten exotische voorwerpen en afbeeldingen. In het renaissancistische denken was de wereld een schouwtoneel. De kunst- en wonderkamers waren een wereld in miniatuur, het ‘wereldtheater’ op huiskamerformaat. Ze waren met veel durf en vernuft ingericht. Alles werd erin vergaard, naturalia, artificalia, scientifica en exotica, alles wat kostbaar en kunstzinnig was, zeldzaam en bovenal ook vreemd.

Dat krijgen de bezoekers in Parijs ook te zien. De ingang van de expositie is een spiegelpaleis. Het gaat je duizelen. Een schip – een karveel met een klokmechaniekje – en een globe in de vitrines brengen je in de wereld van de ontdekkingsreizigers, nieuwsgierigen die wilden weten wat er zich aan de rand van de toen bekende wereld afspeelde. In slalom, zigzag van het ene kabinetje naar het ander, kom je in die onbekende werelden terecht, en bots je op vooroordelen en steeds wisselende manieren van kijken naar wat vreemd is. De anderen, die vroeger als vijand of op zijn minst in wilde staat werden afgebeeld, werden gaandeweg vreemdelingen, geen monsters maar goedwillende ambassadeurs uit de ontdekte verre Nieuwe Wereld.

Op de tentoonstelling ontvouwt zich een opzienbarend theatrum mundi, een uitgestalde wereld met allerlei voorwerpen en curiosa uit beroemde Europese kunstkabinetten en rariteitenverzamelingen. Dat schouwtoneel is echter ook een theatrum sapiente waarin die hele wereld wordt geordend. Die collecties waren de eerste musea, plekken voor kennis en bespiegelingen. Die bespiegelende blik was ook meer en meer panoramisch; dat merk je in het ‘diorama’ met de beroemde manshoge portretten van Braziliaanse indianen die Albert Eckhout schilderde, op de schilderijen van uitheemse landschappen, op afbeeldingen van de horizon, van het gebergte, de kustlijn en het oerwoud. De wereld was veroverd, in prenten en boeken vastgelegd.

Alles werd, sinds de eeuw van de Verlichting en de Encyclopedie, in kaart gebracht. Op hun wereldexpedities namen La Pérouse, Bougainville en Cook tekenaars mee; het waren de eerste ‘etnografen’. Op de expositie maakt samensteller Yves Le Fur een inventaris van al die natuur- en cultuurhistorische waarnemingen, van het wetenschappelijk volkenkundig onderzoek, van de eerste aanzetten voor museale collecties, maar ook van het steeds wisselende beeld van de ander. Meegebrachte voorwerpen waren niet langer giften of trofeeën, maar vooral objecten van onderzoek. Ze waren in de ogen van sommige onderzoekers geen kunst. In Parijs, Londen en Berlijn werden ze getoond in wetenschappelijke volkenkundige musea. Maar vreemd genoeg, juist door het onderzoek van denkers en vorsers als Franz Boas, Ernst Grosse, Alfred Haddon en Leo Frobenius – om er maar enkele te noemen – kregen al die voorwerpen weer een soort ‘aura van uniciteit’, al bleef hun maker voor ons verborgen.

Ook kunstenaars en kunsthandelaren, theoretici en schrijvers speelden daarin een grote rol. Emile Nolde, Maurice de Vlaminck, Henri Matisse en Pablo Picasso ontdekten in de musea voor volkenkunde de schitterende maskers en beelden uit Afrika. De makers van primitieve kunst kregen eindelijk erkenning, en soms op foto’s ook een gezicht. Het Musée du quai Branly toont tientallen voorwerpen uit de collecties van die schrijvers, kunstenaars en wetenschappers. Het waren moderne kunst- en wonderkamers. Je kon je over alle voorwerpen verbazen, voortaan was elk museumobject een poëtisch curiosum.

Geen Tropenmuseum

Veel musea voor volkenkunde zijn allang geen Wunderkammern meer. Het zijn ook geen toonplaatsen voor uit verre buitenlanden door militairen, missionarissen, handelslieden en verzamelaars geroofde of aangekochte exotische voorwerpen. Door de dekolonisatie, vanaf de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, werden die musea steeds meer een plek voor derdewereld-watchers en anti-kapitalisten. Dát wordt Branly in elk geval niet. Het is geen Tropenmuseum. Met D’un regard l’Autre laat het nieuwe museum zien wat het in de toekomst kan worden: een speeltuin voor de geest, waar wordt verzameld en geëxposeerd om meer te weten, uit onverzadigbare nieuwsgierigheid, maar ook om het zinnelijke genot naar al die dingen te kunnen kijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden