Reisverslag zonder verslaggever

IN HET MUSEUM van Hirado, het Japanse eilandje waar tussen 1609 en 1641 een Nederlandse factorij was gevestigd, wordt het briefje bewaard van een Japans-Nederlands meisje dat in die tijd als vreemdelinge naar Java moet zijn verbannen....

Rudy Kousbroek las (en vertaalde) de tekst, toen hij vorig jaar met een VPRO-filmploeg ter plekke was, in het voetspoor van de 'hofreizen' die Nederlandse kooplui meer dan twee eeuwen lang bijna jaarlijks hebben ondernomen om eer te bewijzen aan de shogun in Tokio. Hij hoorde de 'hartverscheurende' woorden van het meisje door een Japanse gids voorgelezen worden, en bekent in zijn reisverslag dat de rillingen hem over de rug liepen.

'Lief Japan', schrijft hij - ' dat herinnert ook aan Lief Java, de tango waar Tjalie Robinson zo dol op was. Uit van alles blijkt dat Japan ook zo'n land is dat je voor het leven tekent als je er je kinderjaren hebt doorgebracht.'

Voor wie Kousbroeks preoccupatie kent met de herinnering in het algemeen en de herinnering aan Indië in het bijzonder, klinkt dat niet als een verrassing. Het is trouwens een sentiment dat hij deelt met duizenden 'echte' of Indische Nederlanders die na 1945 hun land van herkomst gedwongen hebben moeten verlaten en voor wie het verlangen naar het smaragd van duizend eilanden nooit is gelenigd. Messcherp zijn in hun geheugen de foto's van vroeger opgeslagen - alsof ze toen al wisten dat ze een beeldenbezit koesterden dat ze op een dag kwijt zouden raken.

Maar is dat zo?

Je zou moeten weten of een Japans kind dat tot z'n tiende of twaalfde in De Rijp heeft gewoond, later thuis niet met eenzelfde geladen soort nostalgie aan de Beemster zou terugdenken, alvorens te kunnen volhouden dat Japan (of Indië) een geheimzinnig 'iets' heeft dat Nederland ontbeert. Je kunt je ook afvragen of het gepassioneerde terugverlangen een 'verloren' land geldt, of misschien wel eenvoudig een verloren jeugd. Typerend lijkt in dat opzicht Kousbroeks uitweiding bij het zien van de lapjes stof waarop driehonderdvijftig jaar geleden tientallen briefjes van 'ballingen' naar Japan moeten zijn gekrabbeld: 'de schok wanneer tot je doordringt dat de stof waar die lapjes van gemaakt zijn echt uit Indië (Java, Indonesië) afkomstig is, het is alsof je dwalend in de eeuwige sneeuw van Antarctica opeens je eigen teddybeer ziet liggen.'

Zijn fascinatie voor de wondere (kinder)wereld van het Verre Oosten verleidt hem in z'n nieuwe boek (In de tijdmachine door Japan) intussen bij herhaling tot misschien invoelbare, maar altijd aan rationele twijfel onderhevige algemeenheden.

Hij bezoekt in Nagasaki de uitgaanswijk die in de 'Hollandse' tijd de bordelen herbergde, en waar een beroemd theehuis uit 1640 de eeuwen heeft overleefd. En hij schrijft: 'In Europa is dat niet uitzonderlijk oud, maar zelfs veel oudere architectuur in het Westen geeft niet dat gevoel van onmetelijke ouderdom, waardoor men in Japanse tempels en andere traditionele houten gebouwen wordt bevangen. Vooral middeleeuwse architectuur heeft in vergelijking iets kinderachtigs: in zo'n Japans gebouw, leeg en toch niet kaal, bijna zonder enige decoratie en toch verblindend mooi, krijg je het gevoel: dat hebben ze hier al duizenden jaren achter de rug. Het behoort eigenlijk tot een ander universum, het is niet oud op de manier waarop bij ons een gebouw oud is, maar op de manier van een oude steen of een eeuwenoude boom: het hoort tot het universum van riet, van water, van mossige rotsen.'

Het is het type observatie waar je als lezer graag in mee wil - om halverwege te denken: alles goed en wel, maar hoe dan precies, en wat eigenlijk, en waarom dan? Er is een bewering, er volgt geen verklaring.

Iets soortgelijks doet zich voor als Kousbroek ergens een tempeltje 'herontdekt' dat in een kamferboom is gebouwd.

'Ik heb al vaker geprobeerd om onder woorden te brengen', mijmert hij, 'hoe het verleden in Japan soms de indruk kan maken tegelijk voorhistorisch en toch dichtbij te zijn, alsof het nog intact was, om de hoek. In Europa zijn er legio plaatsen waarvan je zeker weet dat deze of gene figuur uit het verleden er voetstappen heeft liggen, dat zijn ogen dezelfde dingen moeten hebben gezien als waar je op dat ogenblik naar kijkt. Maar het is alsof die dingen zijn veranderd, doordat al zoveel mensen in de loop der tijden het gezien hebben, alsof zij daardoor de essentie ervan hebben opgebruikt. De boekenkist van Hugo de Groot, de trap in het Prinsenhof waar Willem de Zwijger werd vermoord - het zijn lege omhulsels geworden, het vervliegt elke keer dat er een blik op rust, en ten slotte is alles weg. Je bent ook nooit met zulke dingen alleen, en het heeft zelden de vorm van een ontdekking. . .'

Dat is de droom van de verheven romantische eenling. Wie zou niet onder Napoleon hebben willen dienen om naar veertig eeuwen geschiedenis te kunnen opkijken zonder de kans dat er net tien bussen dagjesmensen uit Caïro kwamen aanrijden? Maar zelfs vóór 1798 moeten er al miljoenen overwegend ongeïnteresseerde Egyptenaren langs hun eigen piramides hebben gewandeld, en voor elk schoolkind dat voor 't eerst op Loevestein komt, blijft de aanblik van de boekenkist toch een beetje een 'historische sensatie'.

Kousbroeks bewondering voor de 'Geheime Tuin' die Japan was (en wat hem betreft ten dele nog is) neigt zo nu en dan tot vormen van dweepzucht, die op haar beurt meestal ten koste gaat van de Hollandse koop- en zeelui die vanaf omstreeks 1640 op Deshima (het kunstmatig eilandje dat niet veel groter was dan de Dam in Amsterdam) hun opgesloten privilege genoten als de machtige vertegenwoordigers van het Verre Westen.

Over de alleroudsten van die curieuze pioniers meldt hij niet al te veel - van hun opvolgers uit de vroege negentiende eeuw bewondert hij eigenlijk alleen Titsingh, Doeff en de tot Nederlander genaturaliseerde Duitser Von Siebold. De rest moet misschien hebben geleefd in het klimaat dat in 1775 nogal genadeloos werd gekarakteriseerd door de VOC-arts Thunberg: 'Afgesloten van alles wat op het wereldtoneel voorvalt, kan men hier vegeteren in de meest volstrekte geestelijke nulliteit.'

En Kousbroek voegt daar aan toe: 'Met wat de Hollanders in 250 jaar over Japan hebben geschreven kun je nauwelijks een boodschappentas vullen, en wat er in die tas zit is dan nog voornamelijk van na 1800.' En in één adem: 'Het zal gecultiveerde Japanners (en daar waren er veel van) niet ontgaan zijn dat de meeste Hollanders ook in meer algemene zin barbaren waren, ongewassen kooplieden die niet lazen en zich niet voor onbekende dingen interesseerden.'

Dat zal vast. In de grote stad Nagasaki woonden ongetwijfeld meer geletterde Japanners, dan er gecultiveerde Hollanders waren te vinden op de 120 bij 75 meter van Deshima - en het lijkt nóg een wonder dat zich onder die handeldrijvende 'opperhoofden' een paar beschaafde, leergierige en goedgewassen intellectuelen als Doeff, Titsingh en Von Siebold hebben bevonden. Het Hollandse 'genie' zat nou eenmaal in hun schepen, in hun navigatiekunst, in hun ondernemingszin of zo je wilt in hun hebzucht; er zijn vierhonderd jaar geleden ook niet ineens Japanse zeilboten verschenen in het Marsdiep.

En juist daarom moet Kousbroek aan het eind van zijn boek toegeven hoeveel de nieuwsgierige (gecultiveerde) Japanners uiteindelijk te danken hebben aan de ongewassen vreemdelingen die ze tweehonderdvijftig jaar op hun stoep gedoogden: 'Het is alles bij elkaar toch niet te ontkennen dat Nederland een essentiële invloed heeft gehad op de ontwikkeling van Japan tot een land waar het Westerse kennisideaal wortel heeft geschoten en nu in volle bloei staat.'

Is In de tijdmachine door Japan een reisverhaal?

'Goede reis!' wenst de schrijver ons in het begin toe. Maar om twee redenen is het er niet zo erg van gekomen.

De eerste heeft misschien te maken met het feit dat Kousbroek de impressies van twee hofreizen heeft gebruikt: hij volgde de route al eens in 1972, had er toen al een boek over willen schrijven, maar bleef daar in steken. En pas 27 jaar later, toen hij met de VPRO-filmploeg nog eens ging, heeft hij z'n oude aantekeningen verwerkt en (soms letterlijk) naast de nieuwe indrukken geschikt. Dat heeft de structuur van zijn relaas er niet toegankelijker op gemaakt: je wordt als lezer nauwelijks mee op reis genomen (raar ook dat er in plaats van twee onnozele minikaartjes niet één helder routeverloop staat afgedrukt), er is nogal eens sprake van herhaling, en je wordt bovendien voortdurend naar beschouwelijke zijpaden gelokt.

Want dat is het tweede ongerief. Kousbroek is geen verslaggever, maar een erudiete essayist. Om de drie of vier bladzijden noemt hij een landschap, een gebeurtenis of een voorwerp onvergetelijk, ontroerend, verbazend of onvergelijkelijk, en één keer raakt hij zelfs 'hees van emotie', maar het vervelende is dat de emoties zelden of nooit ook werkelijk worden overgedragen - ze worden geannoteerd.

Z'n reusachtige kennis, die hij bovendien met een zekere schoolmeestersgraagte etaleert, zit hem als schrijver soms in de weg. Hij citeert scheutig uit de 'erotische' dagboeken van diverse opperhoofden, maar als het een paar hoofdstukken later gaat om de 'mythe' van de Japanse prostitutie, daalt hij af tot literair-historische details die buitengewoon wetenswaardig zijn, maar nou juist niet helemaal op het moment dat je met de boot, de draagstoel of te voet naar de volgende etappe van de beloofde reis zou willen.

Af en toe is zo'n Kousbroekiaanse uitweiding een aangename adempauze tussen iets te veel geleerdheidsvertoon - zoals wanneer hij vertelt hoe de negentiende-eeuwse natuuronderzoeker Edmund Gosse de Bijbel met de evolutietheorie verzoende door aan te nemen dat God de wereld drieduizend jaar geleden zou hebben geschapen met alle fossielen erin, en dan vervolgt: 'Soms geloof ik dat Gosse inderdaad gelijk had, het is alleen niet 3000 jaar, maar nog veel korter geleden gebeurd, niet meer dan een generatie terug, of misschien wel gisteren, misschien een seconde geleden. De hele wereldgeschiedenis van vóór die tijd is door de Schepper verzonnen, compleet met alle journaals, dagregisters en medaillons met haarlokken. Een grandioze prestatie, maar er zijn helaas een paar foutjes blijven zitten, zoals zelfs in de romans van W.F. Hermans wel eens iemand een jas aandoet die hij twee bladzijden geleden al aanhad.'

Dat is de Kousbroek van de Anathema's, die de reporter in hem altijd de baas zal blijven.

Laten we hopen dat het werkelijke reisgenot alsnog genoten kan worden in de film van Hans Keller (moderator: Rudy Kousbroek), die aanstaande maandag wordt uitgezonden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden