Registreren, begrijpen, doorgeven; G.L. DURLACHER HAD VIJF HOOFDSTUKKEN AF VAN ZIJN LEVENSROMAN

VAN HET BEGIN af aan is G.L. Durlacher (1928-1996) een schrijver geweest, niet iemand die alleen zijn verhaal kwijt moest en zich nauwelijks bekommerde om de vorm die hij daarvoor gebruikte....

Helderder dan voorheen is dit vast te stellen, nu de uitgever in het jaar na zijn overlijden is overgegaan tot de publicatie van het Verzameld Werk, bevattende de vijf boeken die Durlachter bij leven liet verschijnen. Daarop volgen nog 75 bladzijden met verspreide teksten en twee stukken van een door zijn ontijdige dood onvoltooid gebleven boek, dat als werktitel Van Tivoli tot Danang droeg. Volgens het nawoord zou Durlacher hierin waargebeurde voorvallen vermengen met fictie.

Je kunt de waarheid ook vertellen via de verbeelding, was hij stilaan gaan denken. Was dat laatste boek voltooid en uitgegeven, dan zou hij ongetwijfeld verwijten hebben gekregen van diegenen die menen dat holocaust en fictie twee strikt gescheiden terreinen behoren te zijn. In literatuur mag je de waarheid liegen, behalve in zulke Tweede-Wereldoorlogsliteratuur, is hun stelling. Dat zij er zo over denken is te respecteren. Dat zij anderen hun gebod willen opleggen, moet evenwel als onredelijk worden verworpen.

Durlacher had ontdekt dat hij een schrijver was. In de lezing 'Geheugen zwijg', afgedrukt in dit Verzameld Werk, zegt hij dat getuigen zijn taak en missie is, omdat ook het nageslacht moet weten waartoe discriminatie, onverschilligheid en het ontbreken van onderling respect kan leiden. Dat zegt iets over aanleiding en doel van zijn schrijverij. Over het middel maakt hij ook een opmerking: 'Het vinden van die woorden en zinnen is een esthetische beloning op zichzelf en die zou ik niet meer willen missen.'

Het Verzameld Werk is iets anders geworden dan een simpele bundeling naar chronologie. Durlacher blijkt sinds 1985 aan een roman te hebben gewerkt. Zijn levensroman. De vijf afzonderlijk gepubliceerde boeken zijn hoofdstukken daarvan.

Hoofdstuk 1, Strepen aan de hemel, is de hel. In slechts tachtig bladzijden geeft hij de feiten, namen en cijfers. Tekenend is de lijst met secundaire literatuur die erop volgt: voor wie het niet geloven mocht, dit is allemaal te verifiëren. Een joodse jongen vlucht eind jaren dertig met zijn Duitse ouders naar Rotterdam; hun huis wordt in 1940 getroffen door een Duitse en later een verdwaalde Engelse bom. Ze verhuizen naar Apeldoorn, worden opgepakt en naar Westerbork gebracht, dan naar Theresienstadt, dan Auschwitz-Birkenau. De jongen wordt gescheiden van zijn ouders. Hij zal ze niet meer terugzien. Door toeval overleeft hij het kamp, en komt via Praag en Parijs terug naar Nederland, waar geen thuis meer is.

Als kind registreerde hij de verschrikkingen, maar begreep hij ze niet. Als volwassene is hij minder speelbal, omdat hij zijn pen heeft. De oorlog is voorbij, een aantal feiten staat onomstotelijk vast en een aantal nog steeds niet precies (waarom zijn de concentratiekampen niet eerder bevrijd?). Met terugwerkende kracht heeft Durlacher het onbegrijpelijke dat hij registreerde, moeten leren begrijpen, althans: zien te bedwingen. Strepen aan de hemel is een aangrijpend document, door de vermenging van geschiedenis geworden feiten met de belevenissen van een opgroeiende jongen.

'Even proef ik jeugd', is de karakterisering voor 1941, toen hij weer even naar school kon, een oase tussen de bommen van Rotterdam en het kamp Westerbork. Dat is zo'n kervende zin, evenals de herinnering aan de strepen aan de hemel, getrokken door Amerikaanse bommenwerpers die in 1944 boven de appèlplaats van Auschwitz vlogen, de gevangenen en verbrandingsovens voorbij, helaas onderweg naar olieraffinaderijen verderop.

De enige opklaring, al is het niet meer dan een streep van hoop, komt van boven, zo blijkt ook uit het geluksgevoel dat de 'zonovergoten' Moldau en het 'stralende' Parijs de verzwakte, maar bevrijde Durlacher bezorgen.

Dan duikt hij verder het verleden in. Drenkeling - Kinderjaren in het Derde Rijk (1987) is het voorgeborchte, met herinneringen aan de jaren dertig in Baden-Baden, toen de dreiging van de bruinhemden en hakenkruisvlaggen steeds heviger werd. Ook voor dit hoofdstuk geldt dat die 'bekende' historische gegevens pas gaan leven, doordat Durlacher ze relateert aan zijn eigen geschiedenis. Op last van haar ouders, die door de Gestapo gemaand zijn, moet de geliefde hulp Maria weg uit huize Durlacher. Voor haar in de plaats komt Lena, een vals karonje dat met schrijverslol wordt getypeerd: 'Het vaatwerk in de keuken rinkelt woedend en wij zijn lucht voor haar. Zij schopt harder tegen de stoel- en tafelpoten dan ik in mijn ergste driftbui ooit gedurfd zou hebben en als de gesmoorde knallen van het kleden kloppen uit de binnenplaats weerkaatsen heb ik medelijden met de tapijten.'

De zoektocht (1991) speelt in het heden. Durlacher laat zien dat er in zijn hier-en-nu meer verleden zit dan hij dacht. Hij reist naar Jeruzalem, de VS en Canada, en ontdekt dat er nog bijna twintig jongens over zijn van de 89 die destijds bij elkaar zaten in Männerlager Birkenau II D. Hij organiseert een reünie in Israël. De levensverhalen van de lotgenoten, die zelf ook niet goed weten hoe ze het kamp hebben kunnen overleven, noch hoe ze zich daarna hebben weten te handhaven, worden op allerlei plekken in de wereld gevonden en aanhoord: op papier een effectieve vorm om te demonstreren 'dat het nooit ophoudt'.

Durlacher geeft ook telkens beschrijvingen van de locaties en de reizen daarheen. De gang voor zijn research levert de structuur voor zijn boek. Zijn doel is de verhalen van de anderen vastleggen, maar hij weet dat hij zelf niet buiten schot moet blijven. Op een wrange manier gebeurt dat, als een lotgenoot tijdens de reünie ten overstaan van de hele groep refereert aan een pijnlijk incident uit het kamp, dat Durlacher had vergeten of verdrongen. Schaamte overvalt hem, en hij verwenst de spreker heimelijk. Maar hij schrijft dit alles wel op; de onthulling én zijn reactie. Alleen zo kunnen wij enigszins begrijpen door welke emoties hij op zijn zoektocht bevangen moet zijn geweest.

In de hoofdstukken Quarantaine (1993) en Niet verstaan (1995) blijven de rechtstreekse verwijzingen naar Auschwitz achterwege. Niet de hel is het onderwerp, maar het talmoedische gebod het leven te waarderen: de troost, het gehoor en het respect, zoals Durlacher die op beslissende momenten van anderen ondervond. De joodse jurist Gabel, hun kennis die in Westerbork de Durlachers aanvankelijk van de transportlijst hield; de bokslessen die Bennie Bril stiekem gaf in Theresienstadt; de studente Sonja Witstein, de latere hoogleraar neerlandistiek, die hij na de oorlog leerde kennen en met wie hij een kampverleden bleek te delen. Tot haar dood in 1978 bleef hij met haar bevriend. Terugblikkend op wat zij betekende voor hem, levert hij tegelijk een ontroerend In Memoriam.

De nog oningevulde plek, die over Durlachers naoorlogse tijd als socioloog, zou - zoals gezegd, vermengd met fictieve elementen - aan bod komen in Van Tivoli tot Danang.

Werk en schrijverschap van Durlacher zijn tot vervelens toe 'bescheiden' genoemd, die pluim van de middelmaat die de moed mist voor onbescheidenheid. Een bescheiden schrijver is een anomalie, om niet te zeggen een contradictio in terminis. Durlacher vond dat de verhalen van zijn leven de wereld in moesten worden gestuurd. Telkens in bescheiden porties, zoveel is waar. Maar nu alles bijeengezet is, blijkt hij te veel geschreven te hebben om het Verzameld Werk ook weer met een vrome glimlach als 'bescheiden' weg te zetten in het achterhuis van de literatuur, tussen het goedbedoelde kaf en het schaarse koren van de zogeheten egodocumenten over de Tweede Wereldoorlog.

Zijn levensroman volgt de lijn registreren-begrijpen-doorgeven. Hij heeft ingezien dat dit in feite de gang is die iedere auteur doorloopt, zij het dat de soort doorgaans geen boodschap expliciteert en het werk voor zich laat spreken.

Deze uitgave is een daad van gerechtigheid. Nu kan zeker niemand meer om G.L. Durlacher heen, en zijn levensverhaal per ongeluk of opzettelijk bagatelliseren. Niemand mag zich straffeloos gedragen alsof hij er niet van wist.

Arjan Peters

G.L. Durlacher: Verzameld Werk.

Meulenhoff; 591 pagina's; ¿ 49,90.

ISBN 90 290 5437 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden