Regisseur Porcelijn mikt niet op vette lach, maar herkenning

Ook in zijn tweede speelfilm, De grote Zwaen, zoomt hij mild spottend in op het menselijk tekort. Filmmaker Max Porcelijn over waarom hij steeds maar weer wil tonen hoe iedereen goedwillend voorttobt.

Peter de Witte en Anniek Pheifer in De grote Zwaan. Beeld .

Je kunt ze sneu noemen, sulletjes, opportunisten, sociaal gehandicapt of maatschappelijk mislukt. Maar gefilterd door zijn liefdevolle blik zijn de personages van film- en reclamemaker Max Porcelijn (34) allereerst heel gewone, echte mensen. Hun onafgemaakte zinnen, ingeslikte spreekwoorden en langgerekte eh's zorgen voor een eigengereide geestigheid.

Maar het is niet de bedoeling ze uit te lachen, zegt de regisseur in een café in Amsterdam. 'Het kan ook grappig zijn de gebreken van je ouders te benoemen. Niet om hen te veroordelen, maar omdat het vaak niet meer dan komisch is als ze bekvechten over hun huwelijk bijvoorbeeld. Denk aan de tekeningen van Peter van Straaten. Bij hem gaat ook alles over herkenning.'

Porcelijns speelfilmdebuut Plan C, waarvoor zijn scenario in 2012 met een Gouden Kalf werd bekroond, gaat over een aan lager wal geraakte rechercheur (Ruben van der Meer) met gokschulden. Met zijn nieuwste film De grote Zwaen past Porcelijn een 'Elmore Leonard-achtig pulpgegeven' toe op het leven van de sullige, slechtverkopende schrijver Gerard Zwaen (een besnorde, in bruingrijs gestoken Peter van de Witte). In het Amsterdam van de jaren negentig, waar de televisie stijve boekenprogramma's uitzendt en de penoze binnenloopt met florerende coffeeshops, drukt Zwaen min of meer toevallig 1,2 miljoen criminele guldens achterover, eigendom van een door Michiel Romeyn gespeelde wietkoning. Dat blijkt bij nader inzien een uitzonderlijk slecht idee.

Porcelijn mikt niet op de vette lach. Hij amuseerde zich met het vorig jaar uitgeven boekje Ik ben echt een genie, met briefwisselingen tussen schrijver-dichter Max de Jong en schrijver-journalist Hans van Straten uit de periode 1942-1951, over de literaire scene van Amsterdam destijds. 'Ik ben niet zo thuis in de Nederlandse literatuur, maar het leek een kleine wereld waarover zij heel belangrijk deden - daar zit voor mij de humor, zonder het te veroordelen. Regels die gelden in een bepaald afgebakend gebied kunnen daarbuiten heel geestig zijn.'

De grote Zwaen

Lees hier de recensie van De grote Zwaen.

Wat heb jij met veertigers in een midlifecrisis?

'Dat lijkt nu zo, hè? Maar als ik dit nu ga verklaren is dat een beetje achterafgeanalyseer. Ik ga daar niet bewust naar op zoek. Ik werkte na Plan C aan meerdere filmprojecten en toevallig was De grote Zwaen het eerste dat ik ook kon maken - nu valt die overeenkomst dus op. Inspiratie doe ik op door om mij heen te kijken. Ik ben opgegroeid in Amsterdam, ken een heleboel mensen van het stoffige, linkse Oud-Zuid tot het extreem volkse, aan de rand van de maatschappij. Het zijn ook allemaal mannen. Ik vind ze grappig. En tragisch. Ze lenen zich goed voor een toon die ik interessant vind.'

Wat is dat voor toon?

'Die is filmisch, niet handheld of rauw. Mijn verhalen lijken realistisch, maar ze steken boven de realiteit uit. En hopelijk, wanneer er wat te lachen valt, gebeurt dat oprecht. Ik had dat ook bij Jiskefet vroeger. Die sketches waren nooit een aanklacht tegen het milieu waaruit de personages voortkwamen. De makers (Michiel Romeyn, Herman Koch en Kees Prins, red.) vonden humor in de pogingen je op een bepaalde manier voor te doen, terwijl de ander ook erg zijn best doet zich op een bepaalde manier voor te doen. Het alledaagse rollenspel.

'Daarnaast, en ik bedoel dit niet negatief, spreekt de kleinschaligheid en het dorpse van Nederland mij aan. Mensen met een beetje ambitie die iets proberen en daar dan relatief hard op worden aangepakt. Voor die oprechte wil voel ik sympathie. Zelfs al eindigt die wil in opportunisme, zelfs al weten ze zichzelf te verloochenen en proberen ze al hun fouten recht te lullen.

'Film is van nature vaak larger than life. Nederland juist smaller than life. Wanneer je een filmische vertelling combineert met die Nederlandse setting, wordt het interessant.'

Max porcelijn. Beeld Daan Muller

Ging je voor De grote Zwaen op zoek naar de geest van Jiskefet? Naast Michiel Romeyn speelt ook Kees Prins een rol.

'Tijdens de casting zie ik snel of acteurs begrijpen waar ik heen wil. Dat sorteert zichzelf uit. Je kunt mijn scenario dramatisch of lollig spelen, maar ik wil naar iets daartussenin. Kees en Michiel snappen dat kennelijk. Ik schets de setting, we doen een take hooguit iets meer of minder serieus - uiteindelijk voel je vanzelf of het werkt.

'Michiel en ik konden heel hard lachen om de cartoonist Gummbah. Zaten we eindeloos door die boekjes te bladeren. Dat ging echt zo: twee mannen zwijgend aan tafel, kijk deze: haha. Of deze: haha. Konden we twee uur mee doorgaan. In het delen van humor schuilt herkenning die je niet hoeft uit te leggen. Als iemand iets als Gummbah niet grappig vindt, houdt het op.'

Je schetst oer-Hollandse personages en situaties, maar bij je debuut werd je vergeleken met de Amerikaanse Coen-broers. Hoe was dat?

'Raar. Omdat die vergelijking door anderen werd gemaakt en ik mij een beetje beschaamd voelde vanwege de enorme staat van dienst van die twee. Maar ik snap het wel. Er worden in Nederland weinig genrefilms gemaakt. Als je speelt met een bepaalde pulpvorm, clichés in een andere gedaante gebruikt, dan kom je onder meer op die vergelijking uit. En ik ben inderdaad een enorme fan van ze. Maar qua stijl zitten er veel andere dingen in: François Truffaut bijvoorbeeld. Daarin vind ik een vergelijkbare echtheid.'

Plan C werd twee keer door het Filmfonds afgewezen, maar de film won Gouden Kalveren voor jouw scenario en beste bijrol (René van 't Hof, red.). Lange neus?

'Het ironische was dat ik een Kalf voor het scenario kreeg. En dat scenario was niet verwezenlijkt als we niet zelf in de film hadden geïnvesteerd. Nee, geen lange neus, maar het was erg fijn en erkenning voor de mensen die voor heel weinig geld aan de film hebben meegewerkt. Die prijzen geven ruchtbaarheid aan je hele avontuur.'


Altijd maar doorgaan

Porcelijn roemt Who the Devil Made It, het interviewboek van Peter Bogdanovich uit 1997, vol gesprekken met regisseurs uit het oude Hollywood. 'Het is als filmmaker in Nederland moeilijk te leren hoe je uiting geeft aan smaak, omdat er doorgaans weinig tijd en geld beschikbaar is. Ik geniet van allerlei filmstijlen en -genres en wil graag zo veel mogelijk leren. Dit kan alleen door het te doen. Filmmaken heeft iets ambachtelijks. Hoe meer je erin duikt, des te verslavender het werkt. Voor mij in elk geval. Door zo'n boek snap je waarom al die makers, tegen de stroom in, doorgaan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden