Regisseur Lotte de Beer schrijft historie op het operatoneel in München

Theater (opera) - Giacomo Puccini: Il trittico

Bravo! juicht München voor Lotte de Beer. Met een stuk dat doorgaat voor mierzoet katholiek drama legt ze hier als operaregisseur de meesterproef af. Fenomenaal zingt sopraan Ermonela Jaho, en held van de avond is dirigent Kirill Petrenko.

Scène uit Il tabarro. Foto Foto Wilfried Hösl

Het operatoneel in München is een deinende zangerszee. Wat wil je: na de laatste noot van Giacomo Puccini's drieluik Il trittico halen ruim dertig solisten applaus. Kijk, daar buigt Eva-Maria Westbroek, 'onze' eigen ster-sopraan. De man naast haar heet trouwens Kirill Petrenko, hij wordt in 2019 chef-dirigent van 's werelds vermaardste orkest, de Berliner Philharmoniker. Maar eigenlijk kwamen we voor de vrouw die nu, in een paarse jurk, het toneel op stapt: de Nederlandse operaregisseur Lotte de Beer.

Giacomo Puccini: Il trittico 

Opera
Regie: Lotte de Beer.
Orkest van de Beierse Staats-opera o.l.v. Kirill Petrenko.
17/12. Nationaltheater, München.
Voorstellingen t/m 1/1. Livestream 23/12, 19.00 uur, staatsoper.tv.

'Bravo'

Ze is 34 en schrijft historie. Als we het werk van een reeks poldermannen even buiten beschouwing laten - Pierre Audi, Ivo Van Hove, Johan Simons: ze zijn óf geen Nederlander óf doen vooral toneel - debuteert Lotte de Beer als eerste Nederlandse regisseur in een Europees tophuis. Het betekent wat als je bij het slotapplaus in München vooral 'bravo' hoort.

De Beer kwam in eigen land snel bovendrijven. Ze stichtte de club Operafront en greep kansen die De Nationale Opera bood. Zo maakte ze er de kindervoorstelling Ringetje (naar Wagners vierluik Der Ring des Nibelungen) en smokkelde ze drugs binnen in Humperdincks sprookjesopera Hänsel und Gretel. Aan werklust en ambitie geen gebrek. De Beer deed een gooi naar het directeurschap van De Nationale Opera, maar werd afgetroefd door de Nederlands-Zwitserse intendant Sophie de Lint.

Berucht lastige triptiek

Eine charismatische junge Regisseurin, noemen ze haar in München. De Beer zet haar tanden in een berucht lastige triptiek. Puccini's eenakters uit 1918 spelen niet alleen in drie verschillende tijden, ze vertegenwoordigen bovendien radicaal verschillende genres. Il tabarro (de mantel) schildert een liefdesdrama op een binnenschip in Parijs, begin 20ste eeuw. In Suor Angelica (zuster Angelica) heerst nonnenlyriek aan het eind van de 17de eeuw. In 1299 ontrolt zich het blijspel Gianni Schicchi (zeg 'skiki'), vernoemd naar de sluwe hoofdpersoon.

Door alles heen loopt de armzalige mens. Hij is een prooi van verlangen, zonde en dood. De Beer plaatst hem in een benauwend, trechtervormig eenheidsdecor van Bernhard Hammer. Naar wens kun je er een scheepsromp in zien, een crypte of een tijdcapsule. Of het rad van fortuin, dat met elke nieuwe dode spectaculair aan het draaien slaat.

In het blijspel Gianni Schicchi typeert De Beer zich suf aan een huishouden van Jan Steen, dat de familie-erfenis in de plomp ziet gaan. Het kleine speelvlak werkt een gekrioel in de hand waarin zelfs de uitbundig acterende meesterbariton Ambrogio Maestri in het gedrang komt.

Ook in Il tabarro had meer gezeten. Zolang ze niet hard en hoog uitwaaiert, overtuigt Eva-Maria Westbroek als de sloof Giorgetta die haar vent beu is. Tenor Yonghoon Lee (minnaar Luigi) is ongevoelig voor de regiehand en komt als zingende misthoorn zijn eigen kunstje doen.

Meesterproef

Uitgerekend met het stuk dat doorgaat voor mierzoet katholiek drama, legt Lotte de Beer haar meesterproef af. Haarfijn etst ze de wankele psyche van zuster Angelica, die na een zwangerschap door haar familie werd opgeborgen in het klooster en nu hoort dat haar zoontje dood is. Fenomenaal zingt sopraan Ermonela Jaho toe naar de gifdrank, het berouw en het sterven in extase. De kitsch van een lichtkruis dat tot slot de trechter binnen glijdt, doet er niets aan af.

De held van de avond is dirigent Kirill Petrenko. Wat stuurt die bescheiden Rus een subtiele hartstocht omhoog uit de orkestbak. Puccini een snotterkont? Niet in München.


Première na première

Sinds het aantreden van Pierre Audi groeit er een Nederlandse operacultuur.

Decennialang moest je ze met een lampje zoeken: Nederlandse opera-regisseurs. Als ze er al waren, braken ze inter-nationaal amper door. Pas na het aantreden van Pierre Audi bij De Nationale Opera (in 1988) groeide er zoiets als een Nederlandse operacultuur. En moet je nu eens zien: première na première.

Begin december tekende Michiel Dijkema in Leipzig voor regie en decor van Dvoráks waternimfopera Rusalka ('zinnelijk en betoverend', schreef een krant). Zaterdag zette Jetske Mijnssen in Graz (Oostenrijk) Tsjaikovski's liefdesdrama Jevgeni Onjegin op de planken ('een avond die aan alle kanten klopt'). Zondag oogstte Lotte de Beer met Puccini's Il trittico bravo's in München. En in het Duitse Osnabrück werkt Floris Visser toe naar de première van Tomasso Traetta's zelden gespeelde opera Antigona (1772). Deze voorstelling toert vanaf 10/2 (in Amsterdam) door Nederland.

Meer over