Interview Koen Mortier

Regisseur Koen Mortier: ‘Als één iemand er door mijn film voor zorgt dat zijn kind of kleinkind geen doping neemt, vind ik dat al meegenomen’

In Engel combineert regisseur Koen Mortier een tegendraads liefdesverhaal met een aanklacht tegen doping in het wielrennen. De Vlaming vertelt de Volkskrant waarom we zijn film moeten beschouwen als een ‘alarmbel’.

Regisseur Koen Mortier Beeld Stephan Vanfleteren

Regisseur Koen Mortier (54) houdt van fietsen. Op zijn eerste kinderfoto’s – hij zal 3, 4 jaar zijn geweest – heeft zijn kinderfietsje al een koersstuur. Vanaf het moment dat hij een jaar of 9 was, nam zijn vader, een absolute wielergek, hem mee op pad. Dan lieten ze het Oost-Vlaamse dorp Knesselare, waar Mortier opgroeide, achter zich en koersten ze, urenlang.

‘Reed ik op mijn fietske achter hem aan. En wenen, hè? Drie uur aan één stuk wenen. Tot ik hém er op een dag uitreed, zo rond mijn 16de. Liet ik hem steeds expres weer even dichterbij komen en dan sprintte ik weer weg.’

Mortier grijnst breed, op het kantoor van zijn productiehuis Czar, gevestigd in een oud industrieel pand aan het kanaal in Brussel. Hij fietst nog altijd graag, zegt hij. Hij houdt van het afzien, van het meditatieve. ‘Het zuivert mijn gedachten.’

Toch hield Mortier zich de afgelopen jaren juist bezig met twee films die de schaduwkanten van het wielrennen tonen. Hij produceerde Coureur van ex-wielrenner Kenneth Mercken, een film over een wielertalent dat zichzelf verliest door doping. En hij regisseerde Engel, waarin hij een wielrenner opvoert die is doorgedraaid na jarenlang drugs- en dopinggebruik. Tijdens een vakantie in Senegal wordt deze Thierry Brasfort stapelverliefd op een prostituee. Twee mensen, die door de buitenwereld alleen als lichaam worden gezien, ontmoeten elkaar en brengen samen een dromerige nacht door, dansend, aftastend, om elkaar heen draaiend.

Engel is gebaseerd op de novelle Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten van Dimitri Verhulst, die zijn fictieverhaal weer baseerde op het leven van wielrenner Frank Vandenbroucke. Dit Belgische wielertalent werd in 2009 dood gevonden in een morsige Senegalese hotelkamer – gestorven aan een longembolie na een doorwaakte nacht met een prostituee die hem bestolen bleek te hebben.

Is het niet vreemd dat jij als levenslang fietsfan nu pas een film over wielrennen regisseert?

‘Het wordt natuurlijk afgeraden, hè? Het grote publiek wil geen sportfilms zien, zegt men. Het is daarom gewoon nooit in mij opgekomen. Maar ik las het boek van Dimitri en dat triggerde me, volledig onverwacht.’

Wat zat er dan in dat boek dat je zo aansprak? 

‘Dat het verhaal verteld wordt vanuit het standpunt van een welbespraakte Senegalese prostituee. Het verhaal van Vandenbroucke is bekend in België, maar haar kant hebben we nooit gehoord – voor de media was ze onbelangrijk, minder dan een stuk vuil. Ik vond haar juist interessant, al kwam ik er tijdens het schrijven achter dat ik hem niet alleen als object kon opvoeren – hij moest ook hoofdrolspeler zijn. En zo is het een mooi, klein verhaal, over twee mensen die elkaar kruisen en zich aan elkaar vasthaken. Ze zijn elkaars laatste strohalm, een laatste kans op redding.’

Een gevallen wielrenner die een nacht met een prostituee doorbrengt, gebaseerd op dat tragische verhaal van Vandenbroucke – je maakt er nog best een romantische film van.

‘Aromantisch zou ik zeggen. Pas op hè, je ziet een man die een vrouw na zes uur ten huwelijk vraagt. Dat is geen romanticus, dat is een losgeslagen zot. Bovendien liggen gevaar en angst altijd op de loer. Maar het was wel de bedoeling om visueel een mooie, hoopvolle film te maken. Met de muziek en sfeer wilde ik de kijker de hoop geven dat het toch anders zou kúnnen aflopen dan het afloopt.’

Die dood van Vandenbroucke, was dat in België eigenlijk een nationaal trauma?

‘Absoluut. Hij werd gezien als de grootste ster na Eddy Merckx en Roger De Vlaeminck. Een cycliste de charme die fenomenaal mooi kon fietsen, maar uiteindelijk niets bewezen heeft. Hij raakte verslaafd aan heroïne, cocaïne, morfine, weet-ik-veel-ine. Omdat hij van jongs af aan al aan de doping is gezet, waarschijnlijk.’

Hoe vrij voel je je als je een film maakt over iemand die echt heeft bestaan? De nabestaanden hebben aangegeven dat ze de film helemaal niet wilden, toch?

‘Ik heb bij hem net zo goed mijn fantasie gebruikt als bij de prostituee. Ik wilde ook een hoofdpersoon die meer timide was dan Vandenbroucke. Mijn personage is een gekwetst vogeltje, klein en triest.’

‘Er zitten gek genoeg wel dingen in mijn film die echt gebeurd bleken te zijn. Zo heeft hij in werkelijkheid ook zelfmoord geprobeerd te plegen in een kampioenstrui. Dat heeft zijn moeder later verteld in een boek. Ik noem het telepathie. Zelf had ik dat sterven in een kampioenstrui losjes gebaseerd op het verhaal van Jean-Pierre Monseré, een wielrenner die in de jaren zeventig verongelukte. Het was bedoeld als een wenk naar de wielrengeschiedenis.’

‘Brasfort’ heet het personage in de film. Dat lijkt me dan ook niet toevallig de Franse vertaling van Armstrong.

‘Daarmee plaats ik hem in de iconografie van het wielrennen. Mijn film gaat eigenlijk over die hele gevallen dopinggeneratie, ook over Pantani, over Ulrich. Tijdens het filmen kreeg ik van wielrenners veel verhalen te horen; zo weet ik wanneer Vandenbroucke aan de doping is gezet en door wie, maar dat mag ik niet zeggen. Voor mij deed dat het er op dat moment ook niet toe, want ik had mijn verhaal al.’

Kun je nog van het wielrennen genieten?

‘Het is meer dan verslavend, fantastisch. Maar ik fíéts, ik doe niet aan wielrennen. Mijn vader en ik hebben wel gans ons leven samen gefietst, maar hij was er fel op tegen dat ik het competitief zou gaan doen. Vanwege de doping. Hij had veel vrienden in de wielrenwereld en had van dichtbij gezien hoe slecht ze eraan toe waren. Er zaten ook gasten bij die volslagen crazy waren. Het was de tijd van de amfetamine: ik weet nog dat ze een van zijn vrienden op een gegeven moment moesten opsluiten in de kofferbak van zijn auto, omdat hij alleen daar veilig was. Zat hij daar in die auto te brullen en zodra iemand hem verloste, sprong hij eruit, hup, over een muurtje verderop, volledig opgefokt – fucking loco. Dat niveau. Het moet mijn vader veel verdriet hebben gedaan.’

In zowel Coureur als in Engel worden de dopinggebruikers afgeschilderd als slachtoffers van een systeem.

‘Van een industrie, van de fans, van de media, van de zogenaamd onschuldige managers. Die jongens zijn 19, 20 en worden erin meegesleurd alsof het niets is. Snoepje? Snoepje, ja lekker. Iemand als Vandenbroucke heeft er nooit uit kunnen halen wat erin zat. Wat doet doping met je als mens? Wat doet het met je dna? Geef je er iets van door aan je nageslacht? Ik vind dit alles echt heel zorgwekkend; mijn film is een alarmbel.’

‘De omerta is hardnekkig. Aan de andere kant ben ik met mijn film in culturele centra geweest waar wielrenners het gesprek aangingen en hun verdriet konden uiten. Want het is een gemeenschappelijk verdriet. Als één iemand er door mijn film voor zorgt dat zijn kind of kleinkind geen doping neemt, vind ik dat persoonlijk al meegenomen.’

De Vlaamse regisseur Koen Mortier (54), begonnen als regisseur van videoclips en reclamefilms, staat bekend om zijn visuele flair en lef. Hij brak in 2007 door met zijn nietsontziende film Ex Drummer, naar het gelijknamige boek van Herman Brusselmans. Daarna volgde 22 mei (2011), een film over een aanslag op een winkelcentrum. Mortier is medeoprichter van productiehuis Czar in Brussel. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden