'Recht doen aan dode mensen'

ER ZIJN NIET veel historici meer die de essentie van hun wetenschappelijke werk zoeken in het geloof. Met de afbrokkeling van de zuilen in de jaren zestig vervaagden ook de traditionele katholieke, protestantse, liberale en socialistische visies op het verleden....

Zo niet de gereformeerde historicus A.Th. van Deursen, die afgelopen zomer na dertig jaar afscheid nam als hoogleraar nieuwe geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In de ogen van Van Deursen is werkelijke kennis van het verleden onmogelijk zonder het geloof: alleen liefde en eerbied bieden de historicus voldoende ruimte om door te dringen tot een andere tijd, een andere cultuur.

De sporen in de archieven verwijzen naar 'door God geschapen en geregeerde medemensen' - mensen, aldus Van Deursen in een rede van 1982, 'die we naar het evangelische gebod zullen liefhebben als onszelf'. Zij zijn, zonder uitzondering, onze naasten, en blijven dat ook wanneer ze gestorven zijn. De rol van de historicus, zo heet het op een andere plaats, is een bemiddelende: 'recht doen aan dode mensen' is zijn plicht, alsmede zijn ken nis onder een zo ruim mogelijk publiek te verbreiden.

Anders dan men misschien zou verwachten, brengt Van Deursen zijn godsdienstige overtuiging vrijwel nergens in zijn historische werk openlijk tot uitdrukking. Hij moraliseert niet, hij kiest geen partij. Het geloof fungeert hier veeleer als vormend beginsel - als de inspiratiebron waar de scheppende cultuur niet buiten kan. 'Zonde kan niet bouwen', zo citeert Van Deursen de gereformeerde theoloog Schilder in een beschouwing over de ondermijning van de westerse beschaving door het oprukken van de hedonistische moraal in onze samenleving.

Gemeten naar recente en minder recente opvattingen over de aard van de geschiedschrijving mag het theoretisch programma van Van Deursen nogal pover of ronduit naïef schijnen, het is niettemin bijzonder vruchtbaar gebleken. Het meest duidelijke bewijs daarvan leverde de Amsterdamse historicus twee jaar geleden met Een dorp in de polder, een gedetailleerd, liefdevol en lezenswaardig portret van de Noord-Hollandse gemeenschap Graft in de zeventiende eeuw.

Met deze studie over 'een dorp van middelmatige mensen met beperkte hulpmiddelen en bescheiden cultuur' deed Van Deursen opnieuw een poging te komen tot een 'authentieke ontmoeting' met het 'gewone volk' van de zeventiende eeuw. Nog overtuigender dan in zijn vroegere werken, waaronder Bavianen en Slijkgeuzen (1974) of Mensen van klein vermogen (1978, 1991) wist hij in zijn studie over Graft leven te ontfutselen aan ogenschijnlijk geïsoleerde gegevens en cijferreeksen.

In zijn hand kreeg het 'kopergeld' van de Gouden Eeuw glans, zoals ook blijkt uit het feit dat het boek binnen korte tijd enkele malen herdrukt moest worden. Dit succes dankte Van Deursen niet alleen aan zijn speurzin, inlevingsvermogen en ambachtelijke vaardigheden, maar vooral ook aan zijn stilistische talenten. Er zijn weinig Nederlandse historici die zo helder en toegankelijk kunnen schrijven. Hoe gaaf de stijl van de Amsterdamse historicus is, blijkt nog eens uit de bundel De hartslag van het leven, die verscheen ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar aan de Vrije Universiteit. Het boek bevat zestien opstellen over de geschiedenis van de Republiek, het terrein waarop Van Deursen zich als een groot expert heeft doen kennen, alsmede een bibliografisch overzicht van zijn werk. Alle artikelen zijn eerder gepubliceerd, zij het soms in een andere taal of in minder gemakkelijk raadpleegbare werken.

De bundel, die opent met een helder overzicht van de geschiedenis van de Republiek vanaf het einde van de zestiende eeuw, is opgebouwd rond drie overkoepelende thema's: staat en politiek, cultuur, kerk en religie. Zo treft men naast een markant portret van stadhouder Maurits een minstens zo treffende schets van Rembrandt als 'Amsterdamse burgerman' aan, maar ook een tweetal boeiende artikelen over gebieden in de periferie van de Republiek, Drenthe en Groningen.

Veel thema's uit De hartslag van het leven keren in een of andere vorm terug in het liber amicorum dat Van Deursen bij zijn afscheid van vrienden, collega's en oud-leerlingen kreeg. Dit vriendenboek, Mensen van de Nieuwe Tijd, ziet er verzorgd uit en telt niet minder dan vijfhonderd pagina's, verdeeld over 26 artikelen. De thematische opzet van Mensen van de Nieuwe Tijd heeft echter niet kunnen voorkomen dat de bijdragen wat omvang en kwaliteit betreft nogal uiteenlopen - een kwaal die vrijwel elk liber amicorum lijkt te treffen. Een aantal artikelen blijft in de lucht hangen, omdat ze weinig verder reiken dan het onderwerp waarover wordt geschreven. Hierdoor krijgt een dergelijke bundel al snel iets willekeurigs.

Desondanks zijn ook in dit werk lezenswaardige artikelen te vinden, zoals de bijdrage van G.J. Schutte, een collega van Van Deursen, over de weinig principiële houding van christelijk Nederland jegens de slavenhandel in de zeventiende eeuw. 'Het wist dat mensendiefstal tegen Gods gebod was en wist ook dat er in de slavenhandel 'veel misbruycken' geschiedden. Toch liep men er niet tegen te hoop.' En zo behield dominee Smytegelt zijn aandelen in de West-Indische Compagnie, al zagen hij en zijn collega-predikanten er op andere momenten geen been in de slavernij te veroordelen als een 'schrickelycke en notoire sonden' van jezuïeten en andere 'Papisten'.

Interessant is ook de bijdrage van Willem Frijhoff, die kort geleden de Erasmus Universiteit verliet om Van Deursens plaats in Amsterdam over te nemen. Aan de hand van de levensgeschiedenis van de Woerdense regent en weesmeester Aert Jansz. van Rijnevelshorn geeft hij een treffende impressie van de omgang van de zeventiende-eeuwse Hollandse burger met het geschreven en gedrukte woord.

Zo staan er meer aardige stukken in dit vriendenboek. Het artikel van Herman Roodenburg bijvoorbeeld, over de 'uiterlijke welsprekendheid' van redenaars en predikanten, een voorpublicatie van een groot onderzoek naar de lichaamstaal ten tijde van de Republiek; of het artikel van de Britse historicus Alastair Duke over de denkwereld van de beeldenstormers, die in 1566 katholieke kerken vernielden en plunderden, en daarmee een belangrijke wending gaven aan de loop van de geschiedenis van de Lage Landen.

Frank van Vree

A.Th. van Deursen: De hartslag van het leven - Studies over de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Bert Bakker; 464 pagina's; ¿ 65,-.

ISBN 90 351 1780 8.

M. Bruggeman en anderen: Mensen van de Nieuwe Tijd - Een liber amicorum voor A.Th. van Deursen.

Bert Bakker; 497 pagina's; ¿ 85,-.

ISBN 90 351 1779 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden