InterviewRaymond Thiry

Raymond Thiry: ‘Die groefkop, die heb ik gewoon. Ik ben 61, hè?’

Raymond Thiry Beeld Frank Ruiter
Raymond ThiryBeeld Frank Ruiter

Wat zijn dit voor vragen? Negen dilemma’s voor acteur Raymond Thiry (61), bekend als de zwijgzame moordenaar Luther in Penoza, die nu een eigen spin-off heeft: Doodstil.

Andreas of Luther?

‘In Doodstil, een spin-off van Penoza, krijgt mijn personage Luther als het ware zijn ‘origin story’: hoe is hij die zwijgzame, plichtsgetrouwe moordenaar geworden? Martijn Lakemeier speelt de jongere ik, en toen heette Luther nog Andreas. Er is natuurlijk een reden dat die Andreas later de schuldbewuste Luther wordt, maar die moeten we hier maar niet spoilen.

‘Zelf maak ik geen uitgebreide studie van mijn personages; ik probeer de psychologie zo min mogelijk in te vullen. Nu weet ik meer over de motieven van Luther, maar dat verandert niets aan hoe ik hem speel. Dit is een man die moorden pleegt, daar moet je je als acteur toe verhouden. Hij wordt niet veel schuldbewuster na een moord. Het zit in zijn mechanisme, zo speel ik hem.

‘Puur als naam vind ik Luther wel beter. Andreas is zo’n kruis dat je tegenkomt bij een spoorwegovergang. Luther vertegenwoordigt voor mij veel meer het kwaad.’

Fruitige beach boy of schietgrage groefkop?

‘Stond dat in de recensie in de Volkskrant? En dan is Martijn de beach boy en ben ik de groefkop. Tja, wat moet ik daarop zeggen? ‘Schietgraag’ is Luther volgens mij niet, dat is te eenvoudig. Het is niet zo dat hij staat te springen om te moorden. Hij doet het omdat het moet, uit een soort plichtsbesef, of uit onvermijdelijkheid.

‘En die groefkop, die heb ik gewoon. Ik ben 61, hè? Alles bouwt zich op en tekent zich af, daar doe je helemaal niks aan. Het maakt me kennelijk geschikt voor een bepaald soort rollen, maar het is niet zo dat ik bij elke nieuwe rimpel denk: yes, dat gaat me geld opleveren (lacht).

‘Op mijn 16de was ik net een meisje: haar tot op mijn schouders, een heel fijn gezicht. Tot mijn 20ste had ik voor travestiet kunnen doorgaan. En nu is het dit. Maar ik kijk eigenlijk niet zo vaak in de spiegel.

‘Voor de opnamen van een nieuwe telefilm van omroep Max laat ik nu een baard staan. Dat is nieuw voor mij: de gedistingeerde heer zijn. Word ik opeens een chic soort Sean Connery.’

De hotste acteur van de laatste jaren (Eindhovens Dagblad, 2015) of een van onze beste karakteracteurs (de Volkskrant, 2012)?

‘De rotste? O, de hotste! Maar dat waren toch niet mijn eigen woorden? Nee, dat zou ik niet zo snel zeggen over mezelf (brede grijns). De hotste – god, ja, dat is zo’n vaag begrip. Dan ben je even ‘in’, en dat was ik toen blijkbaar. Misschien waren er toevallig een paar dingen tegelijk op televisie. Maar dat weet ik niet, want ik kijk heel weinig terug van mezelf.

‘Liever zie ik het pas terug als ik niet meer weet wat ik op dat moment dacht. Ik kan wat ik heb gedaan beter waarderen als ik ben vergeten hoe ik stond te stressen, van ‘kut, dit lukt niet’, of ‘had ik nou maar beter m’n tekst geleerd’. Want soms sta je gewoon je eigen paniek weg te spelen. Een argeloze toeschouwer ziet dat niet, die denkt dat zelfs mijn ontreddering opzettelijk is. Blijkbaar kom ik daar vaak goed mee weg. Maar niet bij mezelf, natuurlijk.’

Karikaturaal of naturel spel?

‘Ik speelde twintig jaar in het theater bij het gezelschap Alex d’Electrique van Ko van den Bosch, en was ook een paar jaar Gert-Jan van Rossum in Roos en haar mannen bij Villa Achterwerk. Die dingen waren eigenlijk het leukst om te doen, en dat mocht allemaal lekker vet en uitvergroot. Ik voel me vrijer in dat karikaturale.

Langer licht (van David Lammers, 2006, red.) was mijn eerste speelfilm, en ik was verbaasd hoe weinig ik daar bloot hoefde te geven, hoeveel ik aan de kijker kon overlaten. En ik word nog weleens gecorrigeerd hoor, door een regisseur, dat ik te veel doe. Als ze me vragen even te glimlachen, is mijn glimlach vaak al groter dan gewenst is op dat moment. Ik ben natuurlijk ook eigenlijk een bühneacteur (ironische grijns).

‘Als in een voorstelling van Alex d’Electrique iemand kwaad werd, dan werd-ie écht kwaad, en dat ging meestal gepaard met het vernielen van het een of ander. Maar in de beperking bij film en tv zit natuurlijk ook de uitdaging. Ik kan eindeloos op een of twee zinnen repeteren. En dan moet het vervolgens lijken alsof je ze voor het eerst uitspreekt. Het is als met muziek: het moet goed klinken, maar het mag niet opvallen dat je erop hebt gestudeerd.’

Alex d’Electrique of Villa Achterwerk?

‘Dat was allebei zo’n beetje het leukste wat ik ooit heb gedaan, maar bij Villa Achterwerk heb ik denk ik wel de meeste lol gehad. Dat gevoel dat je thuis komt en God op je blote knieën dankt dat je zo veel plezier hebt op je werk.

‘Mijn personage Gert-Jan van Rossum was een soort malle, hyperactieve uitvinder, en bij zijn experimenten liep voortdurend van alles fout. En alles wat daar ontplofte of in de fik vloog, fabriceerde ik zelf. Daarbij ging geregeld iets mis, dat we nog stonden te filmen en dan pas inzagen dat een brand niet meer beheersbaar was en de brandweer eraan te pas moest komen.

‘Bij Alex d’Electrique maakten we rauw, anarchistisch, heftig fysiek theater. Ook daar maakten we zelf de decors en effecten, lekker vet en veel, met explosies, gierende cirkelzagen en rondspuitend bloed.

‘Een van onze beste voorstellingen was denk ik De onthoofde hand (1993), over de oorlog in Bosnië; die speelde in een hotel aan een spoorweg. Dan kwam er steeds een trein langs en we hadden het decor zo vervaardigd dat alles kon schudden. Er stond honderden glazen op de bar gestapeld en die sodemieterden er steeds weer af. Werkelijk alles trilde uit elkaar, en die effecten werden gelardeerd met beschouwingen over de oorlog. De onttakeling en afbraak waar we het over hadden vonden daadwerkelijk plaats in het decor.

‘Ik geloof niet dat zulk soort theater nu nog wordt gemaakt. De techniek wordt nu vaak uitbesteed aan jongens die dat kunnen. Maar wij stonden de helft van de tijd zelf op de werkplaats.’

De werkplaats of de schouwburg?

‘De schouwburg, maar vóór het rookverbod, haha. Wij bouwden onze voorstellingen altijd samen op met de technici. Een dag werk, met een mannetje of vier, daar had ik altijd ontzettend veel lol in. Het werd chagrijniger toen we van de Arbo niet meer mochten roken.

‘Maar ik klus en bouw nog steeds graag. Ik ben nu een houten blad aan het maken voor de kroeg tegenover mijn huis, samen met mijn buurman. Als ik even niks te doen heb, sta ik heel gauw met mijn gereedschap weer ergens mensen blij te maken. Het is een leuk soort bezigheidstherapie. Maar als ik moet kiezen tussen spelen en klussen...’

Spelen of klussen?

‘Dan toch spelen. Dat is uiteindelijk het leukste wat er is. Bij Alex d’Electrique en Villa Achterwerk deden we het allebei, dat was voor mij de ideale combinatie. Maar bij filmen is het weer een enorme luxe dat je gewoon verteld wordt wat je moet doen. Het is helder, overzichtelijk en begrensd: jij gaat zo laat daar staan en dan gaan we dit doen. Dan kan ik denken: oké, dat klusje klaar ik wel. Dan staat het erop en word je thuisgebracht, fantastisch.

‘Ik heb het altijd naar mijn zin op een set. Maakt niet uit voor wat voor film of serie. Als ik maar onder de mensen ben, dan dondert het verder niet wat we doen.’

Kraakpand of gezinswoning?

‘Mijn moeder overleed toen ik 9 was, en mijn vader twaalf jaar later. Sindsdien woon ik in hun voormalige atelier in de Pijp in Amsterdam – ze hadden een confectiebedrijfje. Maar tussen mijn 16de en mijn 21ste heb ik een tijd in allerlei kraakpanden gewoond. Als ik moet kiezen, vind ik dat nog altijd aantrekkelijker. De panden waarin ik woonde waren vaak heel grote, industriële ruimten, en dan had ik in het midden van de kamer een gigantische zaagtafel staan.

‘Aan de andere kant: ik heb hier in mijn woonkamer laatst ook nog een buitenboordmotor uit elkaar gehaald.’

Anouk of De Jeugd van Tegenwoordig?

‘Omdat ik in hun videoclips heb gespeeld, bedoel je? Muzikaal kies ik voor Anouk. Maar met die jongens van De Jeugd kun je beter op café gaan.’

Doodstil is nu te zien op NPO Plus. In februari speelt Raymond Thiry een hoofdrol in de film Quo vadis, Aida?, over de val van Srebrenica.

Raymond Thiry

1959 Geboren in Amsterdam

1987-2008 Lid van theatergezelschap Alex d’Electrique

1996-2006 Gert-Jan van Rossum in Roos en haar mannen bij Villa Achterwerk

vanaf 2006 Rollen in bijna 60 films en tv-series, waaronder Sonny Boy, Nova Zembla, Bankier van het verzet, Adam E.V.A., Missie Aarde en Undercover

2006 Hoofdrol in speelfilm Langer licht, nominatie Gouden Kalf

2009 Gouden Kalf voor Beste bijrol in Oorlogswinter

2010-2019 Speelt Luther in misdaadserie Penoza en de film Penoza: The Final Chapter

2015 Speelt de vader van André Hazes in Bloed, zweet & tranen, bekroond met een Gouden Kalf

2020 Hoofdrol in Penoza-spin-off Doodstil

Raymond Thiry woont in Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden