InterviewRaoul de Jong

Raoul de Jong schrijft over het land van zijn Surinaamse vader en voorvaderen: wees een jaguarman

Raoul de Jong groeit op als bruin stipje in een witte wereld. Zijn Surinaamse vader kent hij niet, tot die contact met hém opneemt en vertelt over een familievloek. ‘Laat het met rust, zoon’, zegt hij. Meer heeft De Jong niet nodig om exact het tegenovergestelde te doen.

Raoul de Jong schreef een boek over zijn vader.Beeld Adriaan van der Ploeg

Buiten waait het zo hard dat het binnen in de woning van Raoul de Jong (36), op de dakverdieping van een flat in Rotterdam-Zuid, ook een beetje waait. Verder is het er het tegenovergestelde van guur. Veel groene planten, overal boeken en een pan op het vuur. Aan de muur: oude zwart-witfoto’s van zijn Groningse opa en oma, een Chinese man in traditionele kledij en een opvallend portret van een elegante zwarte man die zijn sigaret rookt via een pijpje. De Jong redde het uit een papierbak in het fotomuseum. Bijschrift: Sapeur in de haven van Muyumba in Congo, 1958.

‘Ik hing hem aan de muur omdat ik vrolijk van hem word. En omdat ik iets van hem in mezelf herken waarvan ik niet moet vergeten dat het mooi is. Zijn lach! De hoed, zijn colbertje, zijn pose. Hij leeft zijn eigen opera. Hij maakt een mooi verhaaltje van de werkelijkheid.’

De Jong googlede wat sapeurs zijn: ‘straatarme mannen die er bij voorkeur bijlopen als dandy’. ‘Kijk! Dat klopt helemaal. Deze meneer doet precies wat ik in hem herkende: hij volgt de magische formule van onze voorouders. Een man met het mes aan de nek, die toch gewoon een koning blijft.’ De Jong verwijst naar een lied uit de slaventijd dat hij vond in Spiegel van de Surinaamse poëzie, een zogeheten lakulied:

Ik ben een haan, met een kroon op mijn hoofd.

Ik ben een haan, mijn kroon staat op mijn hoofd.

Ook al ligt er een mes aan mijn nek,

Mijn kroon staat op mijn hoofd.

De Jong heeft cassavesoep gemaakt, met okra. Het recept komt van de Hindoestaanse groenteverkoper op de markt. ‘Het zout was op, dus misschien smaakt het nergens naar. Je hoeft het niet op te eten, hoor.’

Deze week verschijnt zijn nieuwe boek, Jaguarman, een autobiografische zoektocht naar een vader, een voorvader en een vermeende vloek, maar eigenlijk meer nog naar de schoonheid en poëzie van zijn vaderland Suriname. Of zoals de ondertitel meldt, een ode aan: Mijn vader, zijn vader en andere Surinaamse helden.

De Jong groeit op zonder zijn Surinaamse vader. Zijn ouders hebben een affaire van een paar maanden, weet hij. Ruim voor zijn geboorte is zijn vader alweer uit beeld. De Jong groeit op in Schiedam, bij zijn blonde Nederlandse moeder. Zijn vaderloze wereld ervaart hij als vanzelfsprekend. ‘Ik had geen vader, maar een moeder, tantes en een oom, blonde neefjes en nichtjes en een Groningse opa en oma’, schrijft hij in zijn boek.

De Jong groeit op zonder zijn Surinaamse vader.Beeld Adriaan van der Ploeg

Een keer ontmoette De Jong zijn vader, als peuter, aan de voet van de Euromast. Er is een foto van: een zwarte man in volledig jeanstenue (broek, jas, hemd), gehurkt, lachend naar de camera. Daarnaast een klein jongetje, zonder lach, met lippenstift en een roze strik in het haar. ‘Zoals Madonna in de clip van Into The Groove.’ Uit protest, denkt De Jong nu. Tegen de afwezige vader en ‘meteen ook maar tegen die hele patriarchale samenleving’.

Zijn vader gaf hem een skippybal. Die hij later lek stak in de tuin van zijn opa en oma.

Een paar jaar later ziet hij zijn vader nog een keer, toevallig, op straat in Rotterdam. Raoul loopt met zijn moeder aan de overkant. Ze wijst: dat is je vader. De Jong kijkt naar het meisje met wie de man hand in hand loopt, ze lijkt verdacht veel op hem. Nu weet hij dat het zijn halfzusje is. Er zijn nog vijf, jongere, halfbroers en -zussen, bij drie verschillende moeders. Hij kent ze allemaal, inmiddels. Destijds had hij geen idee.

In de jaren die volgen is er geen contact. De Jong: ‘Wat mijn vader kon, kon ik ook. Als hij niet bezig was met mij, dan was ik ook niet bezig met mijn vader.’

Tot hij op 10 december 2011 – De Jong is inmiddels 27 – een mailtje krijgt en ‘alles verkruimelde’. Het mailtje is kort: één zin in kapitalen, met drie smileys. ‘Ik ben op zoek naar mijn zoon Raoul de Jong.’

De schrijver weet nog precies waar hij was: op een matras op zijn ranzige kamertje zonder centrale verwarming in een antikraakpand in Rotterdam. ‘Ik miste hem niet en dacht niet aan hem. Ik dacht dat ik dat werkelijk zo voelde’, zegt hij daar nu over.

‘Ik moet roken, mag het?’

Pas een halfjaar na dat mailtje ontmoet De Jong zijn vader voor het eerst echt. Om stipt 6 uur ’s avonds staat hij, gekleed ‘als een hockeyjongen’ in een olijfgroene bandplooibroek, een grijzen wollen trui met daaronder een lichtblauw overhemd – fris, succesvol, normaal’ – te wachten onder de grote stationsklok in de hal van Amsterdam Centraal; zijn vader woont inmiddels in de hoofdstad. ‘Alle mannen die langsliepen konden hem zijn. Ik hoopte op een Denzel Washington of Humberto Tan.’ Tien minuten later komt er een kleine magere man aangelopen, die verslagen oogt, kwetsbaar en met droeve oogopslag. ‘Hij gaf me een knuffel. Een brasa heet dat, zei hij. Dat weet ik heus wel, loog ik.’

Ze lijken op elkaar, de schrijver en zijn vader. ‘Hij is een zachte man, ik ook. Hij gelooft in wonderen, ik ook. Ik dacht dat ik die dingen van mezelf had, nu weet ik dat ze op de een of andere manier van mijn vader komen.’

De Jong weet nog precies waar hij was toen hij een mailtje van zijn vader kreeg.Beeld Adriaan van der Ploeg

Bij de uitgeverij dachten ze: dat wordt dan een boek, over je Surinaamse vader.

‘Ik riep: Nee! Niet alles in mijn leven hoeft een boek te worden.’

Toch werd het een boek.

‘Dat duurde nog drie jaar. Ik wilde er aanvankelijk niet aan.’

Je schrijft: ‘Ik droomde niet over mijn vader, huilde niet om hem, miste hem niet, maar ik verzamelde wel zwart-witfoto’s van indianen met dierenmaskers en verentooien. Van Afrikaanse stammen. Van Polynesische mannen met bloemen in hun haar.’ En je was gebiologeerd door het regenwoud. Was je onbewust toch op zoek naar de niet-blonde kant in jezelf?

(Ogen ten hemel) ‘Achteraf is het zó duidelijk, maar ik verbond dat totaal niet met elkaar. Ik wist niet eens dat er regenwoud was in Suriname.’

Pas na drie jaar ziet De Jong zijn vader weer. Met hem afspreken blijkt niet eenvoudig: hij vergeet afspraken of komt ze niet na, belt af, raakt telefoons kwijt en vergeet zijn nieuwe nummer te geven. Omdat het verhaal ‘onaf’ voelt, zoekt De Jong toch weer contact. Tijdens deze ontmoeting vertelt zijn vader over zijn familie, en over voorvaderen, één in het bijzonder, een Surinaamse betovergrootvader en wintipriester die zich vanwege duistere krachten kon transformeren tot tigri, oftewel jaguar, het krachtigste wezen van de wildernis. Winti (letterlijk: wind) is een Afro-Surinaamse natuurgodsdienst, die tot 1971 door de Nederlanders in Suriname werd verboden en met de Bijbel in de hand tot afgoderij werd bestempeld.

Zijn krachten waren erfelijk, ze werden doorgegeven van vader op zoon, en des duivels, meent zijn vader, die christelijk is. ‘Alsjeblieft zoon, laat het met rust.’ Meer had De Jong niet nodig om exact het tegenovergestelde te doen.

Zijn vader vertelde De Jong over Winti; een Afro-Surinaamse natuurgodsdienst.Beeld Adriaan van der Ploeg

Jaguarman is geschreven als een bedwelmende raamvertelling. Tijdens een tiendaags geïmproviseerd wintiritueel (met kruidenbaden, een dieet en speciale spreuken) op zijn kamer – diezelfde waar nu de wind ook een beetje waait – schrijft de nazaat tien brieven aan zijn voorvader, de onbekende jaguarman.

In de brieven doet De Jong – een soepel en charmant verteller, met het talent zelfs de gruwelijkste passages van verluchtende observaties te voorzien – verslag van zijn zoektocht naar de geschiedenis van zijn vaderland en de stemmen van verzet tegen de koloniale onderdrukking. Hij vindt zijn helden in schrijvers en dichters, zoals Theo Comvalius (een onderwijzer die heimelijk boeken schreef over door de Hollanders verboden dansen en rituelen) en Papa Koenders (ook een leerkracht, die tussen 1946 en 1956 het tijdschrift Foetoe-boi  (‘Loopjongen’) uitgaf, met artikelen in het Sranantongo), dichters R. Dobru, Shrinivási en Trefossa, schrijvers Rita Rahman, Ellen Ombre en Astrid Roemer.

Stuk voor stuk mensen die hun eigen talen, tradities en cultuur bezongen en daarmee in opstand kwamen tegen het moederland dat die stemmen klein wenste te houden. Ook de Hollanders waren zich bewust van de (in hun ogen: gevaarlijke) kracht van kunst. Al was het maar omdat kunst hoop biedt, troost, eigenwaarde en veerkracht.

De Jong gaat op zoek naar de jaguarman uit de titel. Die vindt hij in een andere gedaante dan hij aanvankelijk vreest. Niet een vloek, maar de mens die met gevaar voor eigen leven de keuze maakt niet met de massa mee te bewegen, dát is de jaguarman, concludeert hij. Geen vloek dus, maar een wonder. Want als je als volk na honderden jaren uitbuiting, doodslag, onderdrukking en indoctrinatie nog steeds bestaat, kun je dat niets minder dan een wonder noemen.

En daar gelooft hij in, in wonderen.

Beeld Adriaan van der Ploeg

Je bent niet de enige van je generatie die een zoektocht naar een Surinaamse voorouder begon. Karin Amatmoekrim, Johan Fretz, Tessa Leuwsha, allemaal in Nederland geboren schrijvers met Surinaamse roots die op zoek gingen naar een vader, moeder of familiegeschiedenis.

Besmuikt: ‘We zijn een trend. Het voelde een beetje alsof er een vacature in de lucht hing, de tijd er klaar voor was. Ik ontmoette Karin Amatmoekrim toen ik in Paramaribo was, op het terras bij Hotel Torarica. Waar schrijf jij een boek over, vroeg ik haar. Mijn vader, zei ze. En jij? Toen zijn we ons maar gaan bezatten.’

In je boek noem je het geen toeval.

‘Het staat ergens voor. Dat zelfs als we wel opgroeiden met onze Surinaamse ouder, we te weinig van Suriname meekregen in Nederland. Daarom wilde ik ook niet een boek over mijzelf en mijn vader schrijven, maar over Suriname, over het grotere verhaal.’

Wat wilde je vinden?

‘In eerste instantie wilde ik met mijn vader naar Suriname gaan, maar die nam de telefoon niet meer op. Toen ben ik gaan zoeken naar Surinaamse schrijvers die in opstand waren gekomen, die hun stem hadden gebruikt om verzet te plegen, Surinaamse versies van James Baldwin.

‘Ik vond Anton de Kom, Wij slaven van Suriname, waar nu vaker over wordt gesproken, maar zijn boek werd jarenlang doodgezwegen in Nederland. Ik heb drie dagen met hem in een hoekje in de bibliotheek gelegen: ik sloeg het open en het was alsof hij sprak tegen mij. Hij voelde als familie. Anton leerde me alles wat ik op de middelbare school niet had geleerd over de geschiedenis van Suriname, hoe duister die was en hoeveel die nog altijd te maken had met de wereld waarin ikzelf ben opgegroeid. Telkens wanneer hij over slaven schreef, zette hij daarachter ‘onze vaders’.

‘Het was gruwelijk, ik werd er boos en verdrietig van, maar hij liet me ook zien: je kunt de duisternis in het gezicht kijken, bestuderen en verslaan om het licht te laten winnen.

‘Het is zo veelzeggend dat een ander Surinaams boek van een tijdgenoot van De Kom een klassieker werd. De stille plantage van Albert Helman, dat is een soort Heart of Darkness (roman  van Joseph Conrad uit 1899 over een Britse kolonel die in het binnenland van Congo van God los raakt, red.). Christelijke literatuur over de kwade krachten van de wildernis, literatuur ook die helpt bij het goedpraten van slavernij.’

Avonturen beginnen bij De Jong vaak met een romantisch idee of fantasie. Meestal is er ook een teken of een droom. Wie oplet, ziet de boodschappen die het universum je geeft, is zijn overtuiging.

Als het zaadje voor een ‘idee’ bij De Jong eenmaal geplant is, kan de impuls snel volgen. Zo vertrekt hij na het gymnasium in Rotterdam zonder plan naar West-Afrika, waar hij een aantal maanden door Mali, Senegal, Burkina Faso reist; vliegt hij op z’n 21ste met een lege portemonnee naar New York (‘net als Madonna’), waar hij werkt als hondenoppas en na een bezoek aan een waarzegger (‘geen toeval’) zijn grote liefde, de Italiaan Gianluca, ontmoet. Ze zijn nog altijd samen.

Na het overlijden van zijn hond Puck maakt hij een voettocht naar Marseille (‘dat had ik Puck beloofd’). Onderweg overnacht hij bij mensen die hij ontmoet, waarop hij concludeert dat de mens de ander behoorlijk goed gezind is. Van zijn avonturen doet hij aanstekelijk verslag in columns, voor het NRC, en in boekvorm.

Voor Jaguarman doet hij bijna zeven jaar onderzoek naar de geschiedenis en literatuur van Suriname, het land van de vader die tot zijn 28ste geen vader was.

Uiteraard bezoekt De Jong ook het vaderland. Wie symboliek koestert, kiest daarvoor geen willekeurige datum: de schrijver vliegt op 25 november 2015, de veertigste verjaardag van de onafhankelijkheid, naar Suriname. Al in het vliegtuig, ‘vol met mensen met dezelfde kleur als ik’ wordt hij ontmaskerd. Zijn buurvrouw (‘met tas met jaguarprint, een teken!’) bekijkt zijn outfit: ‘een lichtblauw wollen safarijack met handige zakjes voor alles wat een schrijver in het regenwoud zoal nodig kan hebben’ en zegt: ‘Zo. Jij bent zeker nog nooit in Suriname geweest.’

Na negenenhalf uur vliegen zakte het vliegtuig door de wolken.

Ik zag eindeloze groene golven. ‘De jungle?’ vroeg ik met tranen

in mijn ogen aan mijn buurvrouw. Ze schudde haar hoofd en

maakte een tyuri (typisch Surinaams afkeurend geluid, red.): ‘De oceaan.’

In het huis van Raoul de Jong in Rotterdam.Beeld Adriaan van der Ploeg

Ze vertelt ook iets wat veel oudere Surinamers zullen herkennen.

‘Ja, ja, ja. Dat ze dacht dat Nederland het paradijs op aarde was. Dat ze op school álles over Nederland leerden, alle hoofdsteden van de provincies kenden. Maar over Suriname wisten de mensen in Nederland niets. Ze kwam net als mijn vader na de onafhankelijkheid naar Nederland en ze schrok. Wat zijn die gebouwen, vroeg ze. Gevangenissen? Nee, dat zijn de huizen, flats.

‘Ze zei: in Nederland zijn jullie eigenlijk betaalde slaven. Er is geen tijd voor leven. Alleen Netflix en een glas wijn om bij te komen van de dag en de volgende dag weer door. Ik heb dat opgeschreven omdat ik het verbindend vond. Dit geldt namelijk voor alle Nederlanders, ongeacht kleur of afkomst.’

Verheerlijk je Suriname niet een beetje, dacht ik soms tijdens het lezen. Zelfs de kinderen zijn hier niet verwend of vervelend, schrijf je als je in het dorpje Pikin Slee in het binnenland bent.

‘O, maar dat was echt zo. Maar het klopt helemaal wat je zegt, dat is een fase waar ik doorheen ben gegaan. Vrij snel na mijn aankomst in Suriname volgde de onttovering en zag ik een onopgeloste donkerte, die uit het verleden voortkomt en nog steeds slachtoffers maakt. Het is een erfenis van zelfhaat die mensen meetorsen, die veel slachtoffers heeft gemaakt en nog steeds maakt.

‘Soms dacht ik: misschien is er toch een vloek. Veel Surinaamse schrijvers, zoals Edgar Cairo en Anil Ramdas, zijn op een tragische manier aan hun einde gekomen. Of als ik denk aan de periode van de jaren zeventig en tachtig, toen veel jongens zoals mijn vader in Nederland aankwamen en de Kruiskade de Kroeskade werd genoemd. Ze werden nagekeken en als ze de tram instapten riep de bestuurder om: pas op uw portemonnee.

(Veert ineens op) ‘Maar uiteindelijk ontdek ik dus dat er geen vloek is!’

Je wist niet veel over Suriname, toen je met je zoektocht begon.

‘Tot ik Anton de Kom las, dacht ik dat Ketikoti een feestdag was om de winkeliers van de Kruiskade in het zonnetje te zetten. Erg hè?

‘Al denk ik dat het vooral illustreert hoe weinig de gemiddelde Nederlander weet van Suriname. Ik kwam ook niet verder dan Desi Bouterse en een broodje zoutvlees. Het gekke is: ik wist wel dat ik er ooit iets mee moest, maar ik had er nooit zin in. Ik wist ook niets betoverends over Suriname waardoor ik trots kon zijn op mijn roots. Nu vind ik het heel pijnlijk om dat te zeggen, maar het was echt zo. Suriname was dat deel van mij dat me had afgewezen – dat speelde ook mee.’

Je noemt jezelf in je boek een bruin stipje in een witte wereld.

‘Dat ik er niet hetzelfde uitzag als de mensen in mijn omgeving, of mijn familie, wist ik wel, maar ik was me daar niet echt bewust van. Het was gewoon zo. Ik was altijd in alles anders dan iedereen, niet alleen vanwege mijn huid. Ik was bruin, maar had blauwe ogen. Ik was een jongen, maar was ook een beetje als een meisje. Ik had een alleenstaande moeder, zat op kakscholen en wij woonden in een armere buurt. Ik hield van kleren uit de jaren zeventig, speelde met barbies. Dat was soms lastig, maar het maakte ook dat ik een soort buitenpositie kon innemen, om de dingen van een afstandje te bestuderen. Ik denk dat het ook door mijn moeder komt dat ik het niet als last ervaarde. Zij zei altijd dat alles wat me anders maakte mooi was. Dat ik het niet hoefde te verbergen.’

Je zou kunnen zeggen dat je boek perfect getimed is, in het jaar van de Black Lives Matter-protesten.

‘Ik heb mijn boek niet bedoeld als ‘wit huiswerk’, zo kun je het lezen, maar dan zou je het ook tekortdoen. Je hoeft geen Surinaamse roots te hebben of de achterkleinzoon van een planter te zijn om iets uit de geschiedenis van Suriname te halen. Ik denk dat je van het lezen van mijn boek een leuker, lichter mens wordt, omdat het gaat over hoe je een mooiere wereld kunt creëren, ongeacht je huidskleur en achtergrond. Je wordt tegenwoordig vaak geacht je een representant van een groep te voelen, in mijn geval als zwart mens of homo. Ik merk dat ik dat ingewikkeld vind. Tot ik me realiseerde dat ik trouw mag blijven aan mijn eigen ritme en boodschap.

‘Wees een jaguarman. Dat is iets wat je je elke dag opnieuw moet voornemen. Je bent het nooit voor altijd, je wordt het door je acties en de keuzen die je maakt. Daar hoef je niet bruin of half-Surinaams voor te zijn, maar mens. Eén persoon kan dingen veranderen. Blijf alert, stroom niet met de massa mee en laat dingen niet gebeuren omdat ze nu eenmaal gebeuren.’

Raoul de Jong: Jaguarman. De Bezige Bij; 240 pagina’s, 22,99 euro. Verschijnt 12/11.

Kroeshaar

In Suriname laat niemand zijn kroeshaar natuurlijk groeien, observeert De Jong. ‘Koop een kam’, roepen de mensen hem op straat na. ‘Dat is een uitwas van 300 jaar indoctrinatie. Altijd is er gezegd: alles wat jou jou maakt is niet mooi, mensen moesten bang gemaakt worden voor hun eigen kracht. Dát is een voorbeeld van de erfenis van zelfhaat.’

Mobiel Akua FK1a-2G 

‘Met een telefoon moet ik kunnen bellen, dat is voor mij genoeg. Als ik het huis uitga, heb ik geen internet en dat vind ik fijn. In de trein kan ik een boek lezen of uit het raam kijken, op straat kan ik verdwalen en een praatje aanknopen om de weg te vragen. Ik hou van toeval en verrassingen, dan helpt het om geen smartphone te hebben.’

Meer over Caribische literatuur

De stukken die Anil Ramdas in de jaren negentig van de vorige eeuw schreef, kunnen zó weer de krant in, of in De Groene waar hij jaren voor schreef, betoogt Sheila Sitalsing. Zijn stem wordt gemist ‘in tijden van loopgravenoorlogen over cultuur, identiteit en sektarisme.’ 

De Universiteit van Amsterdam heeft sinds dertien jaar een leerstoel Nederlands-Caribische letteren. Bijzonder hoogleraar is Michiel van Kempen. Het voortbestaan van deze leerstoel wordt nu bedreigd. Red de leerstoel, betoogt schrijver Eric de Brabander.

Schrijver Ellen Ombre (71) veranderde van mening over slachtofferschap.

Brian Elstak beschouwt zijn kindertijd als kunstopleiding. Nu zijn eerste boek Tori naar het toneel is vertaald, barst het stuk van de subtiele verwijzingen naar de comics, rappers en films die Elstak inspireerden. Precies zoals het hoort, als je theater maakt volgens de hiphopmentaliteit. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden