Raad voor Journalistiek heeft te weinig gezag

Zo'n 40 procent van de bevolking heeft weinig vertrouwen in de media. Volgens Henri Geerts heeft de journalistiek dat aan aan zichzelf te wijten....

Uit het debat tussen Thom de Graaf en Pieter Broertjes (het Betoog,21januari), over 'spelregels voor de media', blijkt dat er in ieder gevalbehoefte bestaat aan een goed functionerende 'zelfregulering' (Broertjes)of een 'instrumentarium voor verantwoording en externe toetsing encontrole' (De Graaf) voor de pers.

Of dit nu door de overheid (De Graaf) of door de pers zelf (Broertjes)moet worden geregeld, blijft onderwerp van discussie.

In werkelijkheid bestaat zo'n instelling natuurlijk al: de Raad voorde Journalistiek. Wat in het debat werd gemist, is een nauwkeurige analysevan het functioneren van die Raad. Wat hebben enkele gesprekken met ledenvan de Raad mij daarover geleerd?

In de eerste plaats wil ik er op wijzen dat de 'grondhouding' van depers weinig ruimte laat voor een goed werkend 'tuchtcollege'. Er bestaanin Nederland diverse media, waaronder tijdschriften als Elsevier en HP/DeTijd, die het gezag van de Raad niet erkennen.

Daarbij komt dat de kranten en tijdschriften die dat wel doen in20procent van de gevallen nalaten corrigerende uitspraken van de Raad overpublicaties in het eigen medium af te drukken. Dat betekent dat de tochal zeer beperkte mogelijkheid tot het opleggen van sancties feitelijk ooknog eens is onderworpen aan de goede wil van 'de dader'.

Die goede wil is in zijn algemeenheid niet groot genoeg. Het is zeeropvallend dat de journalisten die zichzelf zo graag beschouwen als de luisin de pels van de maatschappelijke machten, hun eigen macht en invloed maarbeperkt ter discussie willen stellen.

Voor journalisten is de Raad voor de Journalistiek vaak een qualiténégliable. Deze koudwatervrees beperkt de invloed van de Raad voor deJournalistiek op een fundamentele manier.

Vervolgens lijkt die koudwatervrees ook in de procedures van de Raadzelf te zijn doorgedrongen. De meeste journalisten in Nederland, zijn nietin staat een heldere definitie te geven van een begrip als journalistiekeethiek. Ook de Raad voor de Journalistiek beschikt niet over een duidelijketekst waarin de uitgangspunten voor goed journalistiek handelen zijngeformuleerd. Evenmin bestaat er een document waarin slechte praktijkenworden benoemd. Dat is opvallend.

Een bekend journalistiek principe als 'hoor en wederhoor' en eendefinitie of bepaling daarvan ontbreekt als fundament van het werk van deRaad. Natuurlijk hebben de leden van de Raad hiervan wel een implicietbesef en duikt in uitspraken van de Raad en daarmee in de jurisprudentiedit principe voortdurend op. Maar helder omschreven is het niet. En als hetgaat om een oordeel over behoorlijk of onbehoorlijk journalistiek handelen,vertrouwen de raadsleden meestal op hun Fingerspitzengefühl.

Behalve 'hoor en wederhoor' bestaan er nog andere uitgangspunten voorverantwoorde journalistiek: zo vereist het publiceren van een ernstigebeschuldiging bijzondere zorgvuldigheid en dienen journalisten hunartikelen met feiten te kunnen staven.

Ere wie ere toekomt, de Raad heeft wel geprobeerd om regels op testellen voor een correcte omgang met een persembargo. Maar zou zoiets ookniet kunnen voor een vanzelfsprekend journalistiek principe als 'hoor enwederhoor'?

Een richtsnoer voor journalistiek werken, maakt het vak mogelijkbetrouwbaarder in het maatschappelijke krachtenveld. Daar is alle redenvoor omdat, het eigen lijfblad daargelaten, maar liefst40 procent (of meer)van de bevolking de pers onbetrouwbaar acht.

Het functioneren van de Raad blijkt ook beperkt wanneer we preciezerkijken naar de jurisprudentie. Daaruit blijkt nooit, opvallend genoeg, datde oordelen van de Raad lang niet altijd eensluidend zijn. Terwijl enignavragen toch leert dat minderheidsstandpunten vaak voorkomen. Met namevoor raadsleden die relatief vaak een minderheidsstandpunt innemen, kan ditfrustrerend zijn. Opvallend vaak melden door mij gesproken raadsleden dathun minderheidsstandpunt dikwijls gunstig uitvalt voor partijen die zichdoor journalisten te kort voelen gedaan.

Hier wreekt zich in het bijzonder dat de Raad voor de Journalistiek geenberoepsprocedure kent. Een eenmaal gegeven oordeel kan niet herroepenworden op een hoger niveau. Voor degene die zijn of haar gezicht verliestin journalistieke publicaties, is er dan maar een zeer beperktemogelijkheid 'recht' te halen.

Dat is jammer voor de maatschappij en bevestigt de indruk, niet alleenvan Thom de Graaf, dat de journalistiek een eigen macht is die te weinigwordt gecontroleerd.

Een laatste punt is dat de Raad voor de Journalistiek zich vooral richtop de 'beschadiging' van directe belangen van personen of instellingen enweinig oog heeft voor maatschappelijke kwesties.

Een bekend journalistiek probleem dat alleen maar groter lijkt teworden, is bijvoorbeeld 'hypevorming'. Journalisten gaan dan niet meer dediepte in, maar in de breedte. Bij uitstek een teken van onmacht enoppervlakkigheid. De Raad zou zich er over kunnen buigen hoe deberoepsgroep zich daar tegen teweer kan stellen.

Uit het voorgaande mag duidelijk zijn dat ik in elk geval geenvoorstander ben van een door de overheid ingesteld tuchtcollege. Integendeel, mijn oproep richt zich tot de beroepsgroep zelf: een goedfunctionerende Raad voor de Journalistiek is een teken van zelfvertrouwenen eigen kracht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden