Raad voor Cultuur: Villa Doorgeefluik

Een machtige club, die Raad voor Cultuur, zou je zeggen. Maar op ferme stellingnames is de raad zelden betrapt. 'Het is zo vaag, hè'...

Hoog en deftig torent de imposante villa aan de Haagse R.J. Schimmelpennincklaan nummer drie boven zijn omgeving uit. De serene façade is bedrieglijk. Achter de muren maken tientallen medewerkers dezer dagen overuren om stapels dozen voor verzending gereed te maken. De dozen bevatten een meerdelig boekwerk: Spiegel van de cultuur, het advies aan staatssecretaris voor Cultuur Medy van der Laan hoe zij 390 miljoen euro per jaar aan rijkskunstensubsidies komend najaar moet verdelen in haar Cultuurnota 2005-2008.

Maandag gaan de dozen open. Dan is het bijltjesdag in de kunsten. Want voor het eerst sinds mensenheugenis gaat het beschikbare budget omlaag wegens bezuinigingen, terwijl het aantal aanvragers van subsidie wederom fors is toegenomen: van 754 in 2000 tot 834 nu. Ze vragen 660 miljoen, terwijl er 390 miljoen is te vergeven.

Met angst en beven wacht de kunstwereld het resultaat af. Culturele boegbeelden als De Nederlandse Opera, in de huidige nota bedeeld met 18,9 miljoen euro per jaar, het Koninklijk Concertgebouworkest (2,7 miljoen) en Het Nationale Toneel in Den Haag (anderhalf miljoen). Maar ook het muziekensemble Contraband (nu nog jaarlijks vijftig mille), Audiovisuele Antropologie Nederland (achttienduizend euro), Jeunesse Musicales Nederland (zeven mille) en Lezersfeest (elfduizend euro).

Deze unieke subsidietombola wordt bestierd door de Raad voor Cultuur, de bewoner van de statige Haagse villa. De meeste betrokkenen ervaren de uitkomst als een loterij. 'Het is zo vaag, hè?', verzucht acteur Gijs Scholten van Aschat. Bovendien gaat het systeem steeds meer lijken op een snelkookpan die op springen staat.

Johan Rudolf Thorbecke heeft nooit geweten wat hij heeft aangericht, en misschien is dat maar goed ook. De grote liberale staatsman formuleerde in de negentiende eeuw een adagium dat nog steeds onverminderd van kracht is. De overheid moet de kunsten indien nodig wel ondersteunen, maar mag zich daarbij nooit uitlaten over de artistieke kwaliteit. Dat inhoudelijke oordeel delegeerde de staat ruim een eeuw later aan een gezelschap deskundigen 'uit het veld', de huidige Raad voor Cultuur.

De twintig leden worden geacht gans het culturele landschap in de gaten te houden: van dans, musea, muziek en theater via archieven en bibliotheken tot aan nieuwe media en monumenten. Op papier is hun macht groot. De wet bepaalt dat de Raad voor Cultuur onafhankelijk is van de staatssecretaris en mag adviseren over elke kwestie die de kunsten raakt, gevraagd én ongevraagd. Bovendien weet de raad dat zijn magnum opus, het vierjaarlijkse advies over de subsidieverdeling, vrijwel integraal wordt overgenomen door iedere staatssecretaris, ongeacht diens politieke kleur.

Minder geld voor een recordaantal aanvragers lijkt dé gelegenheid om die vrijheid maximaal te benutten. Te meer daar de raad het probleem vier jaar geleden signaleerde. 'Het roer moet om' in het subsidiestelsel, schreef hij toen. Sindsdien veranderde er niets substantieels aan het systeem. Sterker nog: vanuit de Haagse villa werd geen krachtig geluid meer vernomen.

In april vorig jaar, toen de bezuiniging zich al aftekende, publiceerde de raad een Vooradvies aan Van der Laan. Tussen de vele woorden was het lang zoeken naar concrete aanbevelingen voor de kunsten, de kerntaak van de raad: een beetje zelfregulering hier, een 'dialoog (. . .) tussen de gezelschappen en de podia' daar.

De raad is passief, vindt filmdistributeur en producent San Fu Maltha. Altijd afwachtend, 'ze nemen nooit het voortouw'.

De huidige leiders van de raad zijn ook nimmer betrapt op duidelijke stellingnames. Algemeen secretaris Ton Brandenbarg, belast met de dagelijks leiding van de raad, geldt als sympathiek, maar veel te voorzichtig. 'Ton stond voortdurend op de rem', zegt de directeur van een groot kunstfonds. Bovendien staat Brandenbarg al maanden met één been buiten: hij wordt binnenkort zakelijk leider van het Haagse Residentie Orkest. De voorzitter, oud-minister van Justitie Winnie Sorgdrager, heeft even weinig profiel. Toch benoemde Van der Laan haar partijgenote eind vorig jaar opnieuw voor vier jaar, tegen het advies van een benoemingscommissie in. Dat zette veel kwaad bloed in de kunstwereld.

In februari hekelde Kunsten '92 de onzichtbaarheid van Sorgdrager en consorten. De invloed van de Raad voor Cultuur is 'tanende', constateerde deze lobbyclub in een open brief aan de raad. Grote veranderingen in de kunsten vinden steeds vaker plaats zonder dat de raad van zich laat horen, gevraagd of ongevraagd. De raad heeft er zelfs nooit publiekelijk op gereageerd.

Intussen ploeteren de bewoners van de villa even noest als gewetensvol verder aan hun monnikenwerk, de adviezen op de honderden subsidie-aanvragen. De sectoren in de kunsten zijn verdeeld over de twintig leden van de raad. Die zitten ieder een commissie voor die de aanvragen binnen haar sector moet beoordelen. De commissies Dans, Theater, en Muziek en Muziektheater beschikken bovendien over een klein leger voorstelling-en concertbezoekers om hen te assisteren bij hun oordeel.

Een van die bezoekers is Anneke Hogenstijn, adjunct-directeur van Het Concertgebouw in Amsterdam en programmeur van de Kleine Zaal aldaar. Hoeveel voorstellingen bezoekt zij voor de Raad voor Cultuur? 'Veel', luidt het korte maar bondige antwoord. 'Zo'n 120 per jaar, schat ik. Ieder van ons gaat zoveel zien als hij kan.' De bezoekers krijgen er niet voor betaald. Zij kunnen desgewenst de toegangsprijzen vergoed krijgen en hun reiskosten. 'Op basis van een tweedeklas treinkaartje.'

De bezoekers brengen schriftelijk verslag uit. Een paar keer per jaar vergaderen zij met hun commissie over hun bevindingen. De commissie houdt bovendien de spreiding van het bezoek in de gaten. 'Als er lacunes dreigen te ontstaan, krijgen wij een seintje: wie van jullie heeft tijd om naar die of die voorstelling te gaan?' Hogenstijn is duidelijk: de onderbouwing van het oordeel over de vele subsidieaanvragen is zo goed als maar kan.

Toch blijft de legitimiteit van die oordelen voor veel betrokkenen dubieus. Acteur Gijs Scholten van Aschat is als speler, schrijver en voorstellingmaker nauw betrokken bij Orkater. Deze toneelgroep kreeg vier jaar geleden een negatief advies van de raad: Orkater was niet vernieuwend. Na een taaie lobby kreeg de groep alsnog subsidie – eenderde van het gevraagde bedrag. 'Dat advies kwam voor ons totaal uit de lucht vallen. Wij hebben zo'n anderhalf jaar geleden het initiatief genomen om met de raad in gesprek te gaan: waarom kijken jullie zo volkomen anders naar ons werk dan wij?' Twee keer is Orkater bij de raad op bezoek geweest; één keer was Scholten van de partij. 'De ontvangst was vriendelijk, maar er kwam heel weinig terug. Zo van: ”Nou bedankt”.'

Scholten, bekend om zijn betrokkenheid bij het kunstbeleid in Nederland, is wel eens gevraagd om lid te worden van de Raad voor Cultuur, maar ging daar niet op in. 'Je komt dan in een moeilijk parket.' Leden van de raad die moeten oordelen over de aanvraag van een gezelschap waarbij zij zelf zijn betrokken, moeten volgens de regels van het adviesorgaan de beraadslagingen verlaten. 'Ik speel bij Het Nationale Toneel, Orkater, Het Toneel Speelt', zegt Scholten. 'Ik zou bijna altijd de gang op moeten.'

Kunstenmakers moeten het werk beoordelen van collega's met wie zij morgen weer op de planken staan. Wellicht is dat mijnenveld aan potentiële belangenconflicten debet aan de wat fletse samenstelling van de Raad voor Cultuur. Naast een paar gerespecteerde autoriteiten als oud-rijksbouwmeester Wytze Patijn (Architectuur en Stedenbouw) en Carel Alons (Theater), baas van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, telt de raad ook veel minder bekende namen.

Suzanne van Voorst bijvoorbeeld, verantwoordelijk voor de sector Film. Van huis uit is zij filmproducente; volgens internetdatabank IMDB was de laatste film van haar hand Felice, Felice uit 1998. Tegenwoordig is zij 'onafhankelijk consultant op filmgebied', aldus de website van de Raad voor Cultuur. 'Een leuke vrouw hoor, daar niet van', zegt San Fu Maltha van AFilm, de grootste onafhankelijke filmdistributeur van Nederland. 'Maar wat weet zij nou van de industrie?'

De Nederlandse film staat op een kruispunt. Fiscale prikkels leidden de afgelopen jaren tot een ongekende productie van films, die vaak ook nog een groot publiek trokken. Maar het belastingpakket is onlangs wegbezuinigd. Hoe nu verder?

De raad zit stil, vindt Maltha. 'Reageren en adviseren, daar blijft het bij.' Van Voorst en de haren zouden een 'initiërende en controlerende rol in het filmbeleid' moeten spelen, 'ook richting OCW', het departement van Van der Laan. In plaats daarvan hebben zij lijdzaam toegezien hoe Financiën en Economische Zaken het kunstenministerie 'behoorlijk hebben gekortwiekt' door de belastingprikkels af te schaffen. 'Het filmbeleid wordt nu in feite gemaakt door het Nederlands Fonds voor de Film en door de omroepen. Die hebben nog geld.'

Frans de Ruiter, directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, laat soortgelijke geluiden horen. 'Ik heb Kunsten '92 nog helpen oprichten, omdat ik toen al vond dat de Raad voor Cultuur zijn rol niet serieus nam.' Braaf bijdragen aan kabinetsbrede bezuinigingen, zoals Van der Laan en de raad doen: het is hem een gruwel. 'In 1993 gaf Nederland 0,375 procent van de rijksbegroting uit aan de kunsten. Nu is dat 0,7 procent. Dat gaat nog steeds helemaal nergens over.' Probeer geld weg te halen bij het Innovatieplatform, bij Buitenlandse Zaken, desnoods bij Defensie, 'voor muziek'. Cultuur gaat het hele kabinet aan, benadrukt De Ruiter. 'Zoek omwegen. Leg bypasses aan. De raad komt niet eens op het idee.'

Eén verzachtende omstandigheid verdient nadere aandacht: legt de raad eens de nodige moed aan de dag, dan komt hem dat duur te staan.

De bas Lieuwe Visser was vele jaren lid – eerst van de oude Raad voor de Kunst, later van de Raad voor Cultuur. Ooit adviseerde hij negatief over de subsidie aan het oostelijke operagezelschap Forum, dat inderdaad werd opgeheven. 'Sindsdien ben ik nooit meer uitgenodigd om in het oosten op te treden, terwijl ik in Amsterdam de prachtigste rollen zong.'

Ruim vier jaar geleden moest hij opnieuw spitsroeden lopen. 'Toen ik kwam soleren bij het Nederlands Philharmonisch, werd ik uitgejouwd door de orkestleden.' Een musicus met wie hij jarenlang had samengespeeld, wilde ineens niet meer met hem optreden. 'Later hebben we het wel weer goed gemaakt.'

Wat was er gebeurd? Als voorzitter van de commissie Muziek van de Raad voor Cultuur had Visser de euvele moed gehad om te adviseren dat de subsidie aan een aantal orkestenmoest worden stopgezet: het Noord-Hollands Philharmonisch, het Nederlands Kamer Orkest dat onderdeel was van het Nederlands Philharmonisch, en het Radio Symfonie Orkest. De raad adviseerde ook de instelling van een speciale commissie om deze ingrijpende operatie in goede banen te leiden.

'We konden niet anders', blikt Visser terug. Voor de periode 2001-2004 was het muziekbudget weliswaar verhoogd, maar het aantal aanvragers was nog veel harder gestegen. Onder hen veel vertegenwoordigers van nieuwe muziekvormen, voor wie de toenmalige staatssecretaris Rick van der Ploeg, die vernieuwing en verandering tot zijn geloofsartikel had gemaakt, per se ruimte wilde maken. Dat betekende onvermijdelijk minder geld voor traditionele muziekmakers.

Na drie keer diep slikken besloot de commissie Muziek het mes te hanteren in plaats van de kaasschaaf. 'Ik was zó ongelukkig', vertelt Visser. 'Je zit in die raad toch over collega's te beslissen.' Schrale troost: de speciale commissie onder voorzitterschap van Hans Hierck, ouddirecteur van Het Gelders Orkest, kwam tot vrijwel hetzelfde oordeel.

Maar het advies waarvoor Visser en de zijnen zozeer hun nek hadden uitgestoken, werd door Van der Ploeg slechts zeer gedeeltelijk opgevolgd. Het Radio Symfonie Orkest bestaat bijvoorbeeld nog steeds, en figureert opnieuw op een hitlist van Van der Laan. Die wil nu 5,5 tot 7,5 miljoen euro bezuinigen op de omroeporkesten.

Politieke heelmeesters maken stinkende wonden. Gezien de opstelling van de partijen van de laatste jaren wordt het voor de Raad voor Cultuur lastiger om vuile handen te maken. Maar als de vrije en deskundige regeringsadviseur de politiek geen spiegel meer voorhoudt, wie dan wel? Bovendien snijdt de raad zich zo in eigen vlees.

In zijn vorige Cultuurnota-advies vroeg de raad zich af of het verstandig is om kunstvakopleidingen per student te subsidiëren. Bij die opmerking bleef het. Een van de gevolgen is, aldus Lieuwe Visser, dat de Nederlandse conservatoria 'veel te veel matige musici blijven afleveren'. Voor andere podiumkunsten geldt hetzelfde: een sterk groeiende groep makers meldt zich aan een snel slinkende staatsruif.

Harde keuzes komen niet uit een doorgeefluik als aan de Haagse Schimmelpennincklaan. De enige bron van kunstbeleid wordt dan de geldkraan van Financiën.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden