Pulserende vlek boven de toetsen

EEN DECENNIUM geleden lag Cecil Taylor onder vuur omdat hij geen echte jazzmuzikant zou zijn - een raar verwijt, want de pianist stond er niet om bekend dat hij zichzelf te pas en te onpas als zodanig aankondigde....

Tijden veranderen. De oude lasteraars Wynton Marsalis en Stanley Crouch leggen nu eer in met een hommage aan Stravinsky's Histoire du Soldat en Taylor krijgt zowaar een naar Charlie Parker genoemde onderscheiding. De door het North Sea Jazz Festival toegekende prijs volgt op de verschijning van de nieuwe cd Momentum Space, waarop Taylor samenwerkt met drummer Elvin Jones en de melancholieke Texaanse tenorist Dewey Redman. Het lijkt wel of Cecil weer een echte jazzmuzikant is.

En zo is hij ook begonnen, natuurlijk. In zijn jonge jaren bewonderde hij Dave Brubeck en Lennie Tristano. Zowel Brubecks gedrongen, dissonante akkoorden als Tristano's voorliefde voor lang afgewikkelde, complexe lijnen drukten een stempel op zijn latere stijl. Evengoed verkeerde hij in 1956 op zijn debuut Jazz Advance duidelijk onder invloed van Ellington en Monk, die beiden abstraheerden van de Harlem stride piano uit de jaren twintig, een stijl die draaide om hyperactiviteit.

Taylors eerste plaat is nog steeds de moeite waard, maar klinkt ook onvolgroeid en spaarzaam - net als Ellington en Monk zei hij een hoop met weinig noten. In het begin van de jaren zestig gaf Taylor nog steeds elke noot het volle pond, maar begon hij er meer en meer van te spelen. Al gauw nam hij afscheid van jazzstandards en verkoos hij composities met een open einde, opgebouwd uit kleine motieven die zich eindeloos laten verschuiven en parafraseren.

In deze fase verschijnt de duizelingwekkende virtuoos ten tonele - de meester van dichte, hamerende clusters die clubeigenaars naar hun hoofd deed grijpen (daar ging hun dure piano), die zo snel speelde dat zijn handen letterlijk vervaagden tot een pulserende vlek boven de toetsen. Cecil Taylor werd een muzikant die nauwelijks viel bij te benen. De enige die daar echt werk van maakte, van 1960 tot zijn dood in 1986, was Jimmy Lyons - een altsaxofonist die leek op Charlie Parker in free jazz-vermomming (in zijn huidige band heeft Taylor ook twee van die figuren: cellist Tristan Honsinger en drummer Paul Lovens).

In de jaren zeventig raakte Taylor meer geïnteresseerd in soloconcerten, waarin hij ongehinderd de vleugels kon uitslaan. Het work in progress waarin hij tot op de dag van vandaag is verwikkeld, neemt hier zijn aanvang: zijn doorlopende dialoog met de vleugel en met zijn eigen voorraad bouwmaterialen. Zijn favoriete bouwprincipes en licks gebruikt hij net zo zelfverzekerd als bluesgitarist John Lee Hooker de zijne - en met de zelfde oogmerken: om een bodem te geven aan zijn bespiegelingen, om hem wat ademruimte te geven, en om zinnen van ongelijke lengte, die op willekeurige momenten uitdijen en inkrimpen, van interpunctie te voorzien.

De blues is bij Cecil Taylor nooit ver uit de buurt - de oude barrelhouse-pianisten waar hij van houdt, haalden net als hij een groot, orkestraal geluid uit hun instrument. Een van zijn favoriete figuren is een pendelende kleine terts - een bluesinterval dat onder zijn handen even krachtig klinkt als in Willie Dixons Chicago-bluesklassieker Spoonful.

In de jaren negentig herken je in zijn soloconcerten dezelfde kleine terts en andere motieven, die je in zijn soloplaten Silent Tongues en Indent uit de jaren zeventig hoort. Maar hij herhaalt zichzelf niet - althans even weinig als een muzikant die nog eens een favoriete standard doorneemt. Zijn figuren zijn springplanken naar de improvisatie, thema's waarnaar hij terugkeert om even bij te tanken, flexibele vormen waarmee hij alle kanten op kan.

Wie Taylors karakteristieken op een rijtje zet, komt tot de ontdekking dat hij het net zo goed over Earl Hines zou kunnen hebben: de razende figuren in dubbele octaven die duistere kracht (in de linkerhand) paren aan twinkeling (rechts), ideeën die snel opkomen en even snel verdwijnen, die van de ene hand in de andere overgaan, of juist tactvol apart blijven en elk voor zich verder worden ontwikkeld - kortom een benadering van het toetsenbord die lijkt op bliksem boven een steeds wisselend landschap.

Hines (1903-1983) was de eerste jazzpianist die montages toepaste, de eerste die piano én luisteraar bedolf onder een barrage van elkaar overlappende ideeën. Ergens in Taylors adembenemende muziek zit nog het ideaal verstopt van de pianoprofessor van de jaren twintig (zoals Hines en Willie the Lion Smith), die je overrompelt met zijn overvloedige techniek, en er - nu hij toch bezig is - hier en daar een klassiek citaatje aan toevoegt.

Het verschil is dat Smith en Hines hard swingen, en Taylor (meestal) niet. Het swingendste stuk op Momentum Space is uitgerekend een duo-improvisatie waar Taylor niet aan meedoet - al is een ander duet van Taylor en Elvin Jones een waardige aanvulling in de lange lijst van Taylors combinaties met bijzondere slagwerkers. Jones' vrije-val swing stuwt Taylors zigzaggende motieven prachtig voort. (Jammer is wel dat de cd zoveel solo's en duo's bevat, dat het trio maar de helft van de tijd daadwerkelijk als trio aantreedt - het verklaart waarom hun ontmoeting zo merkwaardig onbewogen blijft, alsof het er eigenlijk nooit van gekomen is).

Bij Taylor zijn de ontwikkelingen meestal te snel en te onverbiddelijk om het gevoel van ontspanning toe te laten waarop het swing-gevoel berust - alsof hij gewoon de tijd niet heeft om daar op te wachten. Maar de intensiteit van zijn improvisaties en de manier waarop hij zijn publiek meesleept als hij echt de geest krijgt, onderstrepen nog eens dat de kritiek op Taylor vaak ongerechtvaardigd is. Hem wordt verweten iets níet te doen waar hij ook helemaal niet op uit is, ten koste van wat hij wél doet. Dat herinnert aan de oude jazzexpert, die ooit klaagde dat Chet Baker niet eens behoorlijk dixieland kon spelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.