Pulp onder literaire vlag

Glunderend ligt Maarten 't Hart tussen de pakken waspoeder. Hij ligt daar niet alleen. Hij bevindt zich in goed gezelschap....

TWINTIG JAAR geleden was het tenminste nog duidelijk. Je had literatuur, en als liefhebber daarvan hoefde je je niet af te vragen wat dat precies was. Literatuur werd uitgegeven door literaire uitgevers, in de krant besproken door literaire critici en was te verkrijgen bij wat zich toen nog onbeschroomd 'de betere boekhandel' noemde. De rest was pulp. Doktersromans, boerenfamiliedrama's, detectives, stichtelijke poëzie of nare SF-boeken. Arme studenten klusten wel eens wat bij als vertaler van pulpboekjes; in het café droegen ze gierend de ergste passages voor. En de laatste marxistische literatuurwetenschappers deden vroom onderzoek naar de 'receptie-esthetica' van triviaalliteratuur, want mensen die dat lazen hadden óók een smaak. Maar in het echt kwam je ze zelden tegen.

Behalve op de camping.

Het had gestormd en de buren hadden wèl deugdelijk gereedschap om de schade te herstellen. Hij was erg handig; zij las. Of wij, als kleine tegenprestatie, wat 'leesboeken' te leen hadden? Nederlandse leesboeken. Natuurlijk hadden we die. Vallende ouders van A.F.Th. van der Heijden bonkte uit de koffer, Claus' kloeke Het verdriet van België, en De aanslag van Harry Mulisch. Dat waren de highlights (1983 was een best literair jaar); obscuurdere auteurs lieten we wijselijk in de koffer.

Peinzend keek het meisje het stapeltje door. Nee, dit was toch niet wat ze bedoelde. Geen léésboeken. Leesboeken, legde ze uit, hadden een harde kaft. Anders dan 'boekjes', die hadden een slappe kaft. Die verkochten ze hier ook in de supermarkt. Franse boekjes. Schrijvers kon ze zo gauw niet noemen, maar leesboeken hadden titels als Vlucht over de taiga of De passie kon niet duren. Ze konden ook over de Tweede Wereldoorlog gaan. O, maar dan moet je De aanslag lezen, verzekerden wij. Van Harry Mulisch, die kende ze toch wel?

Uiteindelijk liep onze buurvrouw weg met Vallende ouders, waarvan de Brabantse nestgeur haar nog het meest aan thuis deed denken. Wij bleven verslagen achter. Twee mensen van onze leeftijd, met een hbo-opleiding, een koophuis en een grotemensenbaan, die nog nooit van Mulisch hadden gehoord? Hoe was het mogelijk. De wereld lag in tweeën, en de kans dat ooit een brug tussen beide werd geslagen was gering. Onze auto stond op instorten, de hunne glom. Wij verorberden in de dorpsherberg dapper een regionale schotel ingewanden, zij scheurden naar de pizzeria in de stad. Want wij waren van de cultuur, zij van de Weekendkwis. Maar wat gaf het, ze waren aardig, onze buren. En hun wijn smaakte beter dan het zure bocht dat wij ons konden veroorloven.

De brug werd eerder geslagen dan we konden hopen, of eerlijk gezegd vreesden. Nu, zeventien jaar later, kun je bij Albert Heijn top-twintigboeken kopen, literatuur én pulp, tegen inlevering van air miles. Maarten 't Hart ligt glunderend tussen de pakken waspoeder en de spotgoedkope Bach-cassettes bij het Kruidvat. En of je nu bij de 'betere' boekhandel komt, of bij de AKO op het station, ze liggen broederlijk naast elkaar, vaak voorzien van bordjes 1 tot en met 10: Thomas Rosenbooms Publieke werken naast een 'spiritueel reisverhaal' van Elle Eggels, Arnon Grunbergs Fantoompijn naast Heleen van Royens De gelukkige huisvrouw. Grote kans dat je tegenwoordig de buurvrouw op de camping met dat geinige, sexy boek zult aantreffen, of anders wel met de moraliteit Anna, Hanna en Johanna van Marianne Frederiksson, of met een van de in het voetspoor daarvan verschenen look-alikes over 'drie generaties vrouwen'. Of met een van die talloze romans over dochters die zuchten onder een wreed, oosters regime. Ze ruiken naar literatuur, zulke boeken, maar ze zijn het gelukkig niet. Twee vliegen in één klap. Echt fijne leesboeken.

Gerard Reve zei het al, twintig jaar geleden. Hij schreef niet voor werkschuwe kunsttypes en 'roosbestoven intellektuelen', maar voor 'huisvrouwen die, zwijgend als het ware, hun plicht doen'. Toen was dat grappig, nu is het echt zo. Het Sociaal en Cultureel Planbureau meldt ons geduldig elke vijf jaar de voorspelbare feiten. We lezen steeds minder, elk jaar weer. Maar er is één groep die de boekenbranche gelukkig maakt: goed opgeleide vrouwen boven de vijftig. Zij lezen zo'n tien uur per week. Als ze al lezen, dan lezen mannen kranten of tijdschriften, ze zitten gemiddeld één uur per week met hun neus in een boek. Twee op de drie literaire lezers is een vrouw. Het meest voorkomende beroep onder veellezers is huisvrouw. Maar ook vrouwen die werken, lezen nog altijd veel meer dan mannen.

Die kleine groep diehards onder de boekenkopers wordt door de uitgeverijen overvloedig bediend. Aan hun veronderstelde smaak wordt grif tegemoet gekomen: autobiografisch moet het zijn, en voorzien van een flinke scheut drama en ellende. Incest, psychose, zelfmoord en dementie zijn altijd goed, vrouwenhandel of dito besnijdenis kunnen ook. En seks natuurlijk. Een van de eerste megasellers voor vrouwen op leeftijd was tien jaar geleden Zout op mijn huid van Benoîte Groult, een roman over een oudere savante die zich op het strand wellustig tegoed deed aan een ruwe zeebonk, en het boek werd veelvoudig gekloond. Een exotische setting is een pré. Mao's China uiteraard (Lulu Wang), samoerai-Japan (Lydia Minatoya), of Zuid-Amerika (Isabel Allende), maar Egypte kan ook heel goed: broedermoord, bloedwraak, de sjablone-tegenstelling tussen het kille Westen en de hartverwarmende Méditerranée, dat zijn de ingrediënten van het rijpere-meisjesboek In de ogen van mijn broer van Vassallucci-debutante Lisa de Rooy. En Toscane, ach het heerlijke Toscane, daar lust de doelgroep wel pap van.

Als het verstikkende druk-op-de-knop marketingdenken zich zou beperken tot de markt voor drakerige kitschwerkjes als De paardenfluisteraar van Nicholas Evans, waar het hoort, dan was dat niets iets waarover literaire lezers en critici zich druk hoeven te maken. 'Als je na twee jaar nog precies weet waarover het ging, is het voor mij een goed boek', zei directeur Marijke Bartels van semi-pulpuitgever De Boekerij in Het Parool over hun succesformule. De grens tussen literatuur en lectuur is wankel en poreus, en dient dat te blijven, maar dat het bij 'leesboeken' in de eerste plaats gaat om het 'verhaal' en bij literatuur om de manier waarop een verhaal is vormgegeven, om toon, stijl, structuur, is nog altijd een bruikbaar criterium.

Maar ook de best verkochte literaire romans van het laatste decennium, zoals I.M. van Connie Palmen, Een hart van steen van Renate Dorrestein, Tussen mes en keel van Geerten Meijsing, Dubbelliefde van Adriaan van Dis, Abessijnse kronieken van Moses Isegawa, worden door de uitgevers gepromoot op onderwerp. Een weduwe die treurt om de dood van haar tv-interviewer, een moeder die haar kinderen vermoordt, een zelfhulpboek voor suïcidalen, een homo die uit de kast komt en aan de zelfkant vertoeft, een Oegandese boerenzoon met een politiek horrorverleden - zulke aanbevelingen moeten het werk doen, ongeacht de literaire kwaliteit. Voor goede boeken onder de bestsellers is dat beledigend.

Soms volstaat alleen het noemen van de sekse. Onder de kreet 'Tien vrouwen om mee in zee te gaan' prijst De Bezige Bij tien van haar titels van dit voorjaar aan in een aparte folder. Hermine Landvreugd, Esther Freud en Janet Fitch - niets hebben ze gemeen, maar vrouwen zijn het. Bij mannen werkt dat natuurlijk niet, maar dan kun je nog altijd lukraak verwijzen naar andere bestsellerauteurs. Moses Isegawa , 'already compared to' Salman Rushdie, Gabriel García Márquez en Ben Okri, gilt de omslagtekst van de Engelse vertaling van de Abessijnse kronieken. Zonder gêne probeerde De Arbeiderspers met de kreet 'Beter dan Hersenschimmen!' een deerniswekkend geschreven boekje over een demente vrouw aan het naar leed hongerende publiek te slijten.

Een debutante als Rebecca Gomperts lijkt geplukt uit een literair castingbureau: vrouw, jong en aantrekkelijk, maar toch ook arts, schilderes èn milieu-activiste, schrijft een boek over de wilde vaart, waarin een hermafrodiete kapitein, een lesbische kokkin en een onverzadigbare stuurvrouw onafgebroken de liefde bedrijven. Een intellectueel als Pauline Slot of een psychologe als Anna Enquist zijn weer perfect getypecast voor Opzij: leuk om cadeau te doen bij een abonnement.

NOG nooit eerder werd literatuur in zulke hoge oplagen verkocht. Was voor Louis Couperus, de belangrijkste schrijver rond de eeuwwisseling, een oplage van duizend al heel wat, een beetje succesauteur verkoopt er nu met gemak honderdduizend. Zulk succes is in de eerste plaats een gebeurtenis. Geen wonder dat over bestsellerauteurs eerder en uitvoeriger op de nieuwspagina's van de krant wordt geschreven dan in de recensie-katernen.

Geen wonder ook dat pulp zich nu omhoogwerkt in de markt onder de vlag van de literatuur. Dat brengt de literaire critici in verwarring. Moeten zij een boek als Het tedere kind van Lulu Wang, zo mallotig slecht geschreven dat het parodistisch lijkt, nu echt serieus bespreken, of gewoon negeren? Niettemin: 'One of the most wonderful books that I have read for years (. . .) written in a beautiful, restrained but powerful style', citeert de omslagtekst van The Lily Theatre de recensent van NRC Handelsblad.

En wat moeten we aan met De gelukkige huisvrouw, waarvan de rechten al vóór verschijning aan buitenlandse uitgevers werden verkocht? Heleen van Royens boek is een satire over een grofgebekt Aerdenhouts tennisvrouwtje dat toch heel ongrappig lijdt aan een zwangerschapspsychose. Slecht geschreven is het niet, althans als je het beschouwt als een moderne variant van een doktersroman. Maar met literatuur heeft het niets te maken. Het beste wat je ervan kunt zeggen is dat de pulp er de laatste tijd aardig op vooruit is gegaan.

De literatuur is gedemocratiseerd en de pulp is veredeld. Maar dat beide dreigen op te gaan in één groot, grijs segment van 'leesboeken' die allemaal in een gelijke toonaard ('aangrijpend', 'waar gebeurd', 'zinnenprikkelend') hengelen naar de gunst van de rijke, maar drukbezette lezer, kan niet alleen een gevolg van uitgekiende marketing zijn.

Veel literatuur maakt een verweesde indruk. Het succes van een debuut biedt geen garantie voor de opvolger; die kan genadeloos neergesabeld en niet verkocht worden. Er zijn schrijvers die binnen één oeuvre zeer uiteenlopende stijlen hanteren (Thomas Rosenboom) of switchen van ontoegankelijk en 'verliteratuurd' naar autobiografisch en hyperemotioneel (Geerten Meijsing). De tijd waarin uitgevers geen boeken uitgaven, maar schrijvers en oeuvres, is voorbij. Dat ligt niet aan de schrijvers, maar aan de tijd.

De groten van de vorige, naoorlogse generatie - W.F. Hermans, Hella S. Haasse, Gerard Reve, Harry Mulisch - schreven, hoe a-politiek ze zich ook opstelden, een hecht samenhangend oeuvre. Hun thematiek was vaak in één zin samen te ballen, want ze schaafden telkens weer aan dat ene, particuliere wereldbeeld. God was dood, de maatschappij bood geen geborgenheid en de politiek had zich van zijn grimmigste zijde betoond. Tegen de oude, failliete religieuze en ideologische dogma's moesten nieuwe mythen in stelling worden gebracht. En de lezer bleef de schrijver die zijn eigen twijfels en onmacht het scherpst verwoordde, een oeuvre lang trouw.

Schrijvers van nu weten niet hoe oorlog voelt, zijn nooit monddood gemaakt, niet van hun geloof afgeraakt, en enge regimes wonen ver weg. Er is geen vijand, geen ideologie, geen streven. Schrijvers spelen geen rol meer in het publieke debat, en in het debat bloeien geen kwesties meer van leven en dood. Schrijvers hebben hun eigen, ongevaarlijke speeltuin: de literatuur, die eindeloos geïmiteerd, geparodieerd, herschikt en becommentarieerd kan worden. Zij hebben hun verbeelding en zij hebben hun ik. Zij doen telkens opnieuw hun ding, en dat ding schreeuwt tussen vele concurrenten om gehoord te worden. Bij autobiografische boeken is het dan het ik zelf dat onomwonden hunkert naar liefde.

En de lezer, de verwende lezer, verkoopt zijn ziel aan de duivel die het aanminnigst lacht. Dat kan elke keer een ander zijn. De schrijver moet wel schreeuwen. De kans om gehoord te worden is na een paar weken verkeken.

De pessimist kan zeggen: de literatuur is niet meer belangrijk. Risicoloos, uiteengevallen in eendagsvliegen, en bestemd voor iedereen. Een produkt om te verkopen. Wie daarbij ook nog cynisch is, kan stellen dat dat nu precies de reden is dat vrouwen het zo goed doen in die literatuur: als de status van een beroep daalt, zie je er steevast een stroom ijverige vrouwen binnenwandelen. In de eerste decennia van deze eeuw waren er immers ook talloze successchrijfsters, met nu vergeten namen als Jo van Ammers-Küller en Margot Scharten-Antink. Romans met een vrouwelijke hoofdpersoon, die dapper een hoop ellende doorstaat. Een enkele schimpscheut van een mannelijke criticus - Anthonie Donker, die het had over vrouwen die 'met een breipen romans haken'; Ter Braak die zich afvroeg: 'Heeft de vrouw wel een onsterfelijke ziel? - volstond om al die vrouwen uit de literatuurgeschiedenis te weren. Allemaal, op één na, Carry van Bruggen. Want zij was volgens Ter Braak 'een menselijke vrouw'. Kortstondig succes en eeuwige vergetelheid, is dat niet het toekomstige lot van Connie Palmen en Lulu Wang?

Die analyse is echter niet alleen te gemakkelijk, er klopt ook weinig van. Er wordt nu een hoop rommel uitgegeven, maar wie zich verbeten doorlezend een weg baant door de immense berg huilerige ego-documenten (opvallend vaak geschreven door mannen), pedante nepfilosofie en bloedeloos workshopproza, komt elk jaar alleen al in de Nederlandse literatuur vijf of zes voortreffelijke romans tegen, en evenveel superieure dichtbundels. Dat is, voor een klein taalgebied, heel behoorlijk. Genoeg om niet langer te klagen over 'het' belabberde niveau van 'de' literatuur. In de jaren zestig was er sprake van een literair topjaar als er een Reve én een Hermans verschenen, maar dan had je ook het wel gehad. Als Het land van herkomst, de grote roman van Du Perron, nu zou verschijnen, zouden we het een structuurloos, saai geschreven boek vinden. Eenzaam avontuur van Anna Blaman zou worden weggehoond om de vele clichés.

DE literatuur is beter én slechter geworden. Er is van alles meer: meer talent, meer brille, meer pulp, meer domheid. Mocht er nog iemand opstaan die de moed heeft om een literatuurgeschiedenis te schrijven van onze tijd - wat te betwijfelen valt - dan krijgt die sisyfus het moeilijk. Welke auteurs behoren tot de canon? Welke boeken waren alleen maar 'succesvol' en welke mogen mee de eeuwigheid in? Durft zo iemand nog belangwekkende oeuvres aan te wijzen, of zijn er alleen maar meer of minder belangwekkende boeken? Van een 'canon' van de laatste decennia is nog geen sprake. Maar in het literatuuronderwijs is het aanbrengen van een dergelijke hiërarchie allang passé, taboe zelfs.

Het gevaar dat speciaal schrijfsters buiten die canon zouden vallen, is daarmee geweken. Maar er is ook nu geen enkele reden om ze als een categorie te beschouwen. De literaire kleuterschool mag dan bevolkt worden door vrouwen, in de hoogste regionen zijn schrijfsters ook ruim aanwezig. Helga Ruebsamen, Nelleke Noordervliet, Maria Stahlie, Charlotte Mutsaers, Doeschka Meijsing en Barber van de Pol schrijven geen prototypische 'vrouwenboeken', het zijn goede schrijvers met een eigen toon, die toevallig vrouw zijn. Al slepen goede schrijvers die toevallig man zijn (Möring, Meijsing, Voskuil, Mulisch, Rosenboom) traditiegetrouw nog wel alle grote literaire prijzen in de wacht. Maar dat gaat veranderen.

Schrijvers met een kortstondige hoge marktwaarde drukken de echte schrijvers niet weg. Dat lijkt maar zo. Na de derde Lulu Wang zullen haar lezers zich gapend afwenden naar een nieuw opwindend object. Dat moeten we, om de moed erin te houden, maar willen geloven. En: de oprukkende pulp in de literatuur houdt de critici scherp. Dat de jury van de Libris Literatuur Prijs onverstoorbaar kiest voor kwaliteit, voor stijl en verbeelding, krijgt in dit literaire klimaat de allure van een statement. Dat is mooi.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden