Provocateur en goeroe

Peter Konwitschny (Frankfurt, 1945) is een regisseur wiens opzienbarende ensceneringen heftige reacties oproepen.'Vertrapper van de Duitse cultuur' is hij genoemd. Maar lof valt hem ook ten deel. Zijn theaterhandschrift is van een biologerende gedetailleerdheid. 'Konwitschny fileert een stuk en bouwt het dan op.'

Hamburgische Staatsoper met Wozzeck (7 en 9 juni) en Lulu (8 en 10 juni), Muziektheater, Amsterdam.

De een acht zijn werk een drol door de brievenbus waard. Anderen spreken van 'nieuwe maatstaven'. Wat sommige operagangers op de zenuwen werkt als 'Reeperbahntheater', vormde voor de redactie van het Duitse tijdschrift Opernwelt al vijf keer aanleiding tot de uitverkiezing van Peter Konwitschny als 'regisseur van het jaar'. De jury van de Berlijnse Theaterprijs 2005 roemt zijn 'vechtlust'.

Konwitschny, provocateur en goeroe. Het vrouwenkoor met de spinnewielen in Wagners opera Der fliegende Holländer ('Summ und brumm, du gutes Rädchen') veranderde onder zijn toverstaf in een koor van fitnessdames op hometrainers - leve de troosteloosheid van het huisvrouwenbestaan. Het joodse volk dat in Schönbergs Moses und Aron op zoek is naar het beloofde land: in de Hamburgse enscenering van Konwitschny proeft het alvast van de cola en de hotdog.

'Operettendämmerung': de revuezangeres die in Emmerich Kalmans operette Die Csardasfürstin het manvolk om haar vinger windt, kreeg in Konwitschny's Dresdense productie haar cape aangereikt met de Hitlergroet. Soldatenkadavers huppelden de csardas. Spannende lingerie vormt daarentegen de outfit van cancan dansend vrouwenvlees in Carl Maria von Webers Duitse woudmysterie Der Freischütz. Fe a t u r i n g Charlotte Margiono, lyrische sopraan uit Purmerend. De lulligste koortekst uit de operaliteratuur (jagerskoor Freischütz, refrein: 'Joho, tralala lala') laat Konwitschny parlando declameren, als bonus.

En dan Alban Bergs Lulu, belichaming van het ewig Weibliche. In gastvoorstellingen van de Hamburgische Staatsoper zal ze haar Holland Festivalcarrière beginnen als lollylikkend bloemenverkoopstertje. Het bloedspoor tussen haar benen is een aandenken aan haar pedoseksuele 'ontdekker' Doktor Schön. Van theatrale ingetogenheid is Peter Konwitschny (60, paardenstaart, kwieke slobberverschijning) zelden beschuldigd .

Wel van cultuurpessimisme, arrogantie, 'regiethe ater-hybris', 'totalitair kunstsubjectivisme', minachting van Duitse waarden, wispelturigheid en onberekenbaarheid. Het curriculum vitae van de dirigentenzoon die opgroeide in de DDR, nadat hij in 1945 het levenslicht zag onder een bommenregen in Frankfurt am Main, vermeldt 34 afgebroken, respectievelijk 'niet gerealiseerde' producties. Een John Cageproject in het Holland Festival 1984 zegde hij af. In Brussel liet Konwitschny de intendant Gerard Mortier zitten met een Janacek-probleem. Mortier heeft hem nooit meer gecontracteerd. Konwitschny's cv kan worden opgevat als een testimonium van de artistieke zelfvertwijfeling, maar oogt vooral als een waarschuwing aan operadirecties. Achtung , v o r s i ch t .

Toch is Louwrens Langevoort, de Hamburgse intendant die binnenkort afscheid neemt van de Staatsoper (waar hij in zes jaar tijd elf opera'sin-de-versie-van-Konwitschny op het speelplan had), 'maar een paar maal' 's nachts gebeld door Konwitschny. De 'vertrapper van Duitse cultuur' (zoals de regisseur kortgeleden nog genoemd werd in een Hamburgs theaterdebat) voelt zich volgens Langevoort de laatste jaren helemaal in zijn element. Na de verbijstering die Konwitschny bij zijn Hamburgse debuut in 1998 teweeg bracht met Wagners Loheng rin - die zich bij Konwitschny afspeelt in de microkosmos van een schoolklas, met koning Heinrich als stokzwaaiende bovenmeester - is Konwitschny 'absoluut in dit huis opgenomen, omdat hij weet waar hij voor staat'.

'Konwitschny verkeert op de top van zijn kunnen', zegt Langevoort over de voormalige Ossi die voor zijn veertigste nauwelijks aan regisseren toekwam, en zich jarenlang beperkte tot een assistentenrol in het Berliner Ensemble. Broedend op 'concepten' tussen de artistieke erfgenamen van Bert Brecht.

Alban Bergs Wozzeck en Alban Bergs Lulu, op Holland Festivaldirecteur Pierre Audi hebben ze in Hamburg een 'verpletterende indruk' gemaakt. Beide gedirigeerd door Ingo Metzmacher en geënsceneerd door Konwitschny en de ontwerper Hans Joachim Schlieker, vormen ze in Audi's ogen een tweeëiige tweeling. Wozzeck, de soldatenvoetveeg die in Bergs opera geen nagel heeft om zijn kont te krabben, zal in het Muziektheater verrassenderwijs vooral bankbiljetten tegenkomen als rekwisiet.

Lulu, femme fatale tegen wil en dank ('als mannen zelfmoord om mij plegen ben ik nog niet minder waard'), laat zich door Doktor X nemen tegen een glazen wand waar de bloedspatten van de schilder Y nog op zitten. Ze bedient de zwerver Z met een blowjob en meet zich supermemmen aan voor de componist A (Alwa, borstenfetisjist). Zodra in Bergs orkest de vibrafoon klinkt, is er op het Konwitschnytoneel een zaaduitstorting.

De tenorzanger Albert Bonnema, die de rol van Alwa zingt, ontpopt zich als een broekenmannetje dat weerloos moet opkijken naar zijn vader Dr X en diens minnares. Een akte verder - de Hamburgse Lulu wordt gespeeld zonder de door Friedrich Cerha voltooide slotakte - sluit de groot geworden Bonnema het schouwspel 'componerend' af, met een twaalftoons-rekenliniaal. 'Hier gaat alles over mannenfantasieën', zegt Bonnema. 'Niemand wil zien wie de vrouw eigenlijk is.'

De ijver waarmee Konwitschny operastof omkeert (Wo z z e ck ), op de spits drijft (Lulu), ontmaskert (Der Freischütz), herschrijft (Loheng rin) en hilariseert (Mozarts De goedertierenheid van Titus, waarin een dankbaar volk van Rome zijn poepende keizer met plee en al jonast), je zou het kunnen benoemen als de neurose van de dolgedraaide Duitse dramaturg. Product van een taal-en cultuurgebied waar men in 114 operatheaters gisteren achttien maal La bohème kon beluisteren, vandaag uit zeventien Za u b e r f l ö t e n kan kiezen en morgen zes R osenkavaliere kan tegenkomen, en waar de praktijk van het visualiseren langzamerhand lijkt te raken aan de grenzen van de uitputting.

Zelf wil Konwitschny niets weten van de term regisseurstheater. 'Ensceneer niet de dialoog, maar het geheel. Ensceneer niet de regie-aanwijzing, maar het geheel. Ensceneer niet de muziek, maar het geheel', is les één in zijn regieworkshops. Zijn credo is Werktreue.

Al wordt dat niet door iedereen voetstoots aangenomen. Bij een discussie in het Hamburgse Thaliatheater, eerder deze maand, viel het woord Dreck . Konwitschny vond dat 'fascistoïde geleuter' en wenste een tegenspreker die zijn reactie weer 'arrogant gesnoef' vond, 'liever niet in een donker straatje tegen te komen'. De discussie vond alsnog een beschaafd einde, waarbij Konwitschny zijn geloof beleed in de theatrale 'katharsis' die reeds door Aristoteles werd geformuleerd. 'Diepgaande conflicten moeten tot aan de grenzen van het draaglijke worden getoond .'

Dat de geflipte pianist Konwitschny niet bestempeld moet worden als een knoeier, valt te beluisteren bij Ingo Metzmacher. De scheidende Hamburgse chefdirigent heeft 'ontzettend veel van hem geleerd' over de theatrale mogelijkheden van een harmonische modulatie, een recitatief, een muzikale cesuur. 'Konwitschny kent zijn partituren beter dan sommige dirigenten.' De tenor Albert Bonnema spreekt van een 'ongelooflijke discipline'. 'Hij zit weken achter de piano met een dramaturg, en regisseert vervolgens niet vanaf een tafeltje met een script, maar heeft alles in zijn kop. Voortdurend staat hij naast en tegenover je te provoceren. Alles moet van hem een ”wakkere toestand” zijn. Elke repetitie is een overlevingsgevecht.'

De regisseur die (naar eigen zeggen) 'als een aap in het rond springt om een zangersmassief in beweging te krijgen' heeft de gewoonte eerst de foto's van alle zangers te bestuderen en zich hun namen in het hoofd te prenten. Voor de instudering van zijn legendarische 'schoolklas-Loheng rin', waarin 66 kortgebroekte en kortgejurkte koorzangers als 66 individuele pestkoppen uitmunten in duwen en trekken, rotzooi trappen, propjes schieten en tassengevechten, had Konwitschny volgens Langevoort niet meer dan zes weken nodig.

In de Hamburgse Staatsoper, waar de combinatie Metzmacher-Konwitschny tot eind mei een soort afscheidsfestival viert (Metzmacher, die binnenkort naar de Nederlandse Opera verhuist, dirigeerde een maand lang zeven Konwitschnyreprises plus een nieuw geënsceneerde Mozart), blijkt een uitverkocht huis zich te laten betoveren door de houten zwaardjes van Lohengrin, Telramund, zeeverkenners ('Brabantse edelen') en padvinders.

Het theaterhandschrift van Konwitschny, die zijn Brecht-brieven kent zoals een ouderling de bijbel, en zijn Wagneropera's gaarne in het licht ziet van Feuerbach, Fromm, Bush en Bin Laden, is van een biologerende gedetailleerdheid. Het ritueel 'klopt' tot en met het jaloerse gesar van Ortrud, dat het andere schoolwicht Elsa haar theedoek of 'bruidssluier' van de kop probeert te trekken; tot en met de judomatten ('Elsa's bruidsbed') waarop Lohengrin een rapedate uitprobeert ('niemand mag naar mijn naam vragen'); tot en met de schoenen die hij bij zijn verdwijning achterna krijgt gesmeten, waarna een teruggetoverd kereltje (het hertogje Gottfried) als machthebber van de toekomst uit de vloer oprijst, gewapend met een machinegeweer.

Het zeeverkenner-trompetterskwartet dat om de haverklap de handeling interrumpeert met Wagnergeschal vanaf het onderwijzersvloertje, is van een hilariteit die Hamburgse Wagnerliefhebbers consumeren zonder een spier te vertrekken. In Mozarts La clemenza di Tito g aan de muzikale ingrepen een stuk verder. De ouverture wordt onderbroken door pauzes en discussies, wordt later weer ingelast als 'Romeins' huppelstuk, en klinkt na afloop als musicalklapstuk bij het applaus halen. Intussen begeleidt de fortepiano een recitatief als een boogiewoogie, maakt mevrouw B een aria af die meneer A moest onderbreken wegens zijn arrestatie, is de keizer in overleg met zichzelf (een metalig terugzingend standbeeld), en zingt senator Publius zijn alarmmelodie ('Rome brandt') door een megafoon.

Leeuwen in de Romeinse arena krijgen van de goedige Titus echter geen samenzweerders te eten maar Mozartkugel. Meer 'Duits', temidden van de giften van alle volkeren, is de Germaanse bijdrage van een krat pils. Kortom, het kan niet anders of Maestro Metzmacher, die na de pauze zijn opwachting maakt in uitgebrand rokkostuum, spreidt zijn Mozartklanken uit over een vergaan en zwartgeblakerd wereldcentrum.

'Konwitschny fileert een stuk en bouwt het dan op', zegt Bonnema. De regisseur die volgens insiders thuis een foto koestert van een platgebombardeerd Hamburg anno 1943, heeft de pest aan interviews. Niet onbegrijpelijk, gezien het resultaat in Die Zeit anno 2001 - waarin de vrijelijk associërende theatermaker, gevraagd naar zijn opinie omtrent het naderende eind van de Westerse civilisatie, in een vloek en een zucht tot de conclusie kwam dat dat einde nabij is omdat de Duitse operakoor-CAO niet deugt ('die staat zangers toe onvoorbereid op de repetitie te komen'). Het bracht hem in oorlog met de nationale zangersvakbond, een openbrievenstrijd die nog lang nawoedde. Beter op dreef was hij kort daarop na de aanslagen op 11 september, waarin hij de astronoom Hawking aanhaalde ('intelligentie kan alleen bestaan in systemen die zich uitbreiden') en zich uitsprak over de operakunst als wereldrequiem.

Dat aan zijn ensceneringskunst een auteursrecht vast zit, is inmiddels vastgesteld door de rechtbank in Dresden. De Dresdense intendant die zijn regie van Die Csardasfürstin mutileerde en er de verminkte dansmariekes en soldatenlijken uit sneed, kreeg een Salomonsvonnis voor de kiezen: Dresden moest de voorstelling beurtelings op de Konwitschny-manier en de intendantenmanier opvoeren 'opdat het publiek zijn eigen keus kan maken'. Volgens Konwitschny een 'prima vonnis'.

Konwitschnyhaters in Hamburg hoeven zich voorlopig geen zorgen meer te maken. Simone Young, de Australische dirigente die Metzmacher en Langevoort opvolgt als chef en intendant, heeft - op Wozzeck na - alles wat naar Konwitschny zweemt buiten het 34 opera's tellende speelplan 2005-2006 gehouden. Evengoed zal de schoorsteen van de 'maniak, moralist en compromisloze denker' (zoals Die Welt hem noemde) wel roken. Konwitschny's agenda meldt veertien ensceneringen in de komende vier jaar, in Berlijn, Wenen, Stuttgart etcetera. En bij de Nederlandse Opera. Met Metzmacher is in 2007 een Khovantsjina van Moesorgski gepland. Al hebben zangers de regisseur alweer horen zeggen dat dat feest niet doorgaat. Abgebrochen? Nicht realisiert?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden