PRONKSTUK VAN HET ZIONISME

Lang voordat de staat Israël werd gesticht, was er al het Israëlisch Philharmonisch Orkest. Het visitekaartje van Israël bestaat nu zeventig jaar....

Het was 20 november 1948 en het Arabische woestijndorp Beersheva was nog geen maand in handen van het Israëlische leger of dirigent Leonard Bernstein maakte er al zijn opwachting met The Palestine Orchestra.

‘Vijfduizend van onze soldaten zaten daar, in vieze kleren, met hun wapens op schoot, maar stil dat het was!’, zegt Zeev Steinberg, in 1942 tot het orkest toegetreden.

De altviolist was al eerder in de buurt van de Negev-woestijn geweest. Met een violist en een cellist had hij in een legerjeep de legerstellingen afgereisd. Speelden ze ter afleiding wat trio’s van Beethoven en divertimenti van Mozart. ‘Drie optredens op een dag voor twintig, dertig man.’

Maar het optreden in Beersheva, dat was andere koek. De Egyptische soldaten hadden zich daar, tijdens de Eerste Israëlisch-Arabische Oorlog, verschanst. ‘Ze lagen nog een paar kilometer verderop. Maar waren ingelicht door het Rode Kruis en hielden zich rustig.’ Op het programma stond Rhapsody in Blue van George Gershwin. Leonard Bernstein speelde zelf de solo’s. ‘Op een valse piano die het leger daar uit een bar had weggehaald.’

Tenminste, zo herinnert Steinberg het zich. Met flair dist hij de dirigenten en programma’s op uit de jaren van zijn actieve dienst, tot 1984. Maar de accuratesse gaat achteruit – ‘u weet hoe dat gaat’. Zijn voeten legt hij op het voetenbankje voor zijn leunstoel in Kiryat Ono, een voorstad van Tel Aviv. ‘Ik ben van 1918, net als Lenny.’

Het is niettemin waargebeurd, daar in Beersheva. De fotoarchieven getuigen ervan. Koud vijf jaar nadat ‘Lenny’ Bernstein was doorgebroken tijdens een invalbeurt bij The New York Philharmonic, reisde de Amerikaan, kind van Oekraïense Joden, gewoon af naar de woestijn. Niet zo’n big deal hoor, zegt Steinberg. ‘In 1947 was Lenny ook al geweest. Speelden we zijn Jeremia Symfonie. We wilden hem gewoon heel graag hebben.’

De strijkers en blazers die Bernstein aan het front trof, waren voor geen kleintje vervaard. ‘We speelden de Eerste Symfonie van Johannes Brahms eens zonder dirigent’, zegt Steinberg. ‘Dat kostte wat extra repetities, maar we deden het.’

Kijk, de staat Israël mocht op 20 november 1948 dan net een half jaar oud zijn, het orkest vertolkte het grote symfonisch repertoire al twaalf jaar. De top van de Joodse orkestmusici had zich op aanraden van vioolvirtuoos Bronislaw Huberman in de jaren dertig in Tel Aviv verzameld om te ontkomen aan de greep van de nazi’s. Op de vlucht voor het noodlot schoot het laat-romantische Europese orkestwezen wortel in het Midden-Oosten. Niemand minder dan de Italiaanse anti-fascist Arturo Toscanini kwam op 26 december 1936 over om het eerste concert te dirigeren.

Het symfonieorkest bestaat nog steeds, als pronkstuk van het zionisme. De naam is in 1949 veranderd in Israëlisch Philharmonisch Orkest (IPO), toen het voortbestaan van de staat met een reeks wapenstilstanden voldoende leek bestendigd.

De 70ste verjaardag van het IPO wordt gevierd met een jubileumbox met 12 cd’s en feestfestival van allure in het Mann Auditorium van Tel Aviv (tot en met 31 december). Gastheer Zubin Mehta (chef-dirigent-voor-het-leven) ontvangt daar pianist Daniel Barenboim, violist Pinchas Zukermann, cellist Misha Maisky, de dirigenten Valery Gergiev en Lorin Maazel, en zo nog wat hooggewaardeerde Vrienden van het Orkest. Na de jaarwisseling volgt een omvangrijke wereldtoernee.

Van het eerste concert herinnert altviolist Zeev Steinberg zich vooral de rug van Arturo Toscanini – de 18-jarige zat in de zaal. Twee jaar eerder was hij vanuit Trier in Duitsland (‘Daar is ook Karl Marx geboren’) naar het mandaatgebied Palestina geëmigreerd. Aangekomen op een kibboets probeerde hij zijn vioolspel op peil te houden.

‘Ik had een kaartje voor de première gekregen van William Steinberg, een neef van mijn vader, die de werken van Beethoven, Schubert, Mendelssohn en Brahms voor Toscanini had ingestudeerd met het orkest. Ik had geen geld in die tijd. Als taxichauffeur hing ik rond bij het orkest. Ik reed musici naar afgelegen kibboetsen voor ensembleconcerten. Als er een pianorecital was, sloeg ik de bladzijden om.’

Het was de tijd van het Britse koloniale bestuur en de roep om een nationale staat van zowel de Joden als Palestijnen. Naast een orkestcultuur ontkiemde toen ook het Midden-Oostenconflict. Al ontwaarde het Amerikaanse tijdschrift Time niets van problemen tijdens het concert van Toscanini. ‘Duitse immigranten met open shirts verzamelden zich in roeiboten op de naastgelegen Yarkon-rivier. Een paar Arabische vissers peddelden naar de oever en luisterden respectvol buiten de muren van het gebouw.’

Violist Haim Taub was net drie jaar terug uit Zwitserland, waar zijn ouders hem naar een katholiek sanatorium hadden gestuurd. Hij had tuberculose. ‘Daar zongen ze kerstliederen en vertelden me dat de joden de moordenaars van Jezus waren.’ Bij thuiskomt in Tel Aviv lieten zijn ouders hem vioolspelen. ‘Zo ging dat. Joodse jongens speelden viool of piano.’

Toen maestro Toscanini in de stad was, liep de 11-jarige ’s avonds door de velden buiten de stad naar de Yarkon-rivier. Het orkest hield in het paviljoen daar zijn generale repetitie. ‘De Britse politie betrapte me. De agenten sloegen me tegen de grond. Wat deed ik zo laat nog buiten? Via een omweg ben ik er toch nog gekomen.’

Het was wat, The Palestine Orchestra, zeker. Maar hij wil een relativering aanbrengen. ‘Concertkaartjes waren onder meer te koop bij een stoffenwinkel. Vraagt een voorbijganger: ‘Waarom staat hier zo’n rij?’ Wel, Toscanini is er. ‘Goh. Wat kost een meter Toscanini?’ Ik bedoel, het was vooral ook het idee dat aansloeg: nog geen staat en al wel een orkest.’

Na elke anekdote gaat Haim Taub even verzitten op de bank. Zijn heup doet pijn – en zijn vingers willen trouwens ook al lang niet meer. Hij is geboren in 1925, 81 jaar oud. ‘Weet je hoe ik Zeev Steinberg altijd noem? De dinosaurus. Die man is 88 en speelt nog steeds. Hoe is het met hem?’

Zijn villa in Ramat Hasharon, aan de rand van Tel Aviv, ligt er donker bij. ‘Ach we moesten een representatief huis hebben toen ik concertmeester werd, in 1962.’ Allemaal kwamen ze hier over de vloer. Zubin Mehta natuurlijk, Bernstein, violist Isaac Stern, dirigent Lorin Maazel. ‘Wist je dat Maazel eigenlijk Maizel heet? Dat betekent muis in het Jiddisch. Vond-ie niks. Maazel betekent geluk.’

Het visitekaartje zijn van Israël, dat is de missie van het Israëlisch Philharmonisch Orkest sinds 1948. ‘Laten zien dat we meer hebben dan alleen een goed leger’, zegt Steinberg. ‘Als Israël er door ons optreden ergens in de wereld weer een paar vrienden bij kreeg, hadden we iets bereikt.’

Nooit is dat streven nadrukkelijker uitgevoerd dan in 1955, in een zaal van het Vaticaan. ‘Het ministerie van Buitenlandse Zaken wilde wel de relatie met paus Pius XII verbeteren – je weet wel, die de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft laten zitten’, zegt Steinberg.

‘We hebben de Zevende van Beethoven voor Pius gespeeld. Alleen twee kardinalen flankeerden hem. Na afloop hebben we nog wat gebabbeld. Ik vroeg een van die kardinalen naar het lot van een vriend van mij uit Duitsland, die tijdens de oorlog via-via naar Rome was gevlucht. Hij vertelde me dat-ie in de tussentijd was overleden.’

Het sleutelstuk op het repertoire in die jaren was Hatikva, het Israëlische volkslied. Tijdens de eerste buitenlandse toernee, naar Amerika en Canada in 1951, speelde het orkest dat in Washington. ‘De hele zaal stond op’, zegt Steinberg. Alle belangrijke Amerikaanse Joden zaten daar natuurlijk, maar ook het diplomatieke korps, en de generaals die nog in de oorlog hadden gevochten. Het was erkenning! Wat dat voor ons betekende, ná de Holocaust, kun je je nauwelijks voorstellen. De tranen stroomden over mijn wangen.’

Onverwachts speelden ze het twintig jaar later nog eens, toen in Berlijn. Het was de eerste concertreeks van het Israëlische orkest in Duitsland, met de Eerste Symfonie van Gustav Mahler. ‘De stelregel van Zubin Mehta is: geen toegiften na Mahler. Maar het publiek bleef klappen en juichen, Zubin bleef maar terugkomen. Ineens draaide hij zich naar ons om en riep ‘Hatikva!’. Moet je nagaan, in Berlijn! Ingrijpender kon niet.’

Het waren de jaren van triomf. Israël genoot ruimhartig de sympathie van het Europese en Amerikaanse publiek. Voor een onkostenvergoeding vlogen dirigenten en solisten naar Tel Aviv voor een gastoptreden.

‘Iedereen kwam’, zegt Steinberg. ‘Behalve Herbert von Karajan dan, die hebben we na zijn optredens in het Duitsland van Hitler natuurlijk nooit gevraagd. Ook George Szell heeft ons nooit gedirigeerd. Die zei: ‘Dat heb ik nog niet nodig.’ Hij dacht dat musici alleen met ons optraden om hun carrière nieuwe glans te geven. Trouwens jammer dat Bernard Haitink nooit is geweest. Geen idee waarom dat er nooit van is gekomen.’

Toch, zo himmelhoch jauchzend als de stemming in die eerste decennia was, zo is het niet meer met het Israëlisch Philharmonisch. Het legendarische bestand aan abonneehouders in Tel Aviv, Haifa en Jeruzalem is er nog – al vergrijzen de 24 duizend vaste gasten gestaag. Maar het IPO moet alles op alles zetten om internationaal aan de top te blijven. Alle vriendschap en trouw van chef Zubin Mehta ten spijt. Even Brahms of Beethoven komen doen in Israël is voor andere solisten en dirigenten lang geen vanzelfsprekendheid meer.

Haim Taub stelt het gelaten vast. ‘Op de televisie ziet iedereen onze vliegtuigen bommen afwerpen, ze zien hoe we Arabieren doden. Het is het imago van een koloniaal land. Dat trekt minder aan.’

Het is langzaam omgeslagen, na de Zesdaagse Oorlog van 1967. De overwinning werd door het orkest in Jeruzalem onder leiding van Leonard Bernstein nog beklonken met een uitvoering van de Tweede Symfonie van Mahler, bijgenaamd ‘Opstanding’.

Maar met vliegtuigkapingen en bomaanslagen in Europa trokken terroristen van de PLO de aandacht voor het lot van de Palestijnen in de bezette Gazastrook, op de Westoever en in Oost-Jeruzalem.

Alleen onder zware bewaking trok het Israël Philharmonisch nog de wereld in. ‘Bij concertzalen stonden demonstranten met spandoeken’, zegt Taub. De leus ‘Van de kaartverkoop worden bommen gekocht tegen de Palestijnen’ staat hem nog helder voor de geest. ‘Uit voorzorg had de Italiaanse politie in Rome eens een tank voor de zaal geposteerd. Ach, typisch Italiaans. Het was net opera.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden