Profeet of politicus, hij maakt vuile handen

DE AANSLAGEN van Al Qa'ida op New York en Washington van 11 september kon Karen Armstrong in haar meest recente boek Islam, geschiedenis van een wereldgodsdienst, niet meer meenemen....

Henk Müller

Mensen zijn volgens haar religieuze wezens en zij zijn religieus omdat zij zich dingen kunnen verbeelden. Het zoeken naar een dimensie die ons bestaan ontstijgt en reikt voorbij het leven van alledag, kan volgens haar alleen bereikt worden in aardse en fysieke verschijnselen. Religie en extase zijn altijd 'geaard' en gelovigen zijn erin getraind onder de weinig belovende oppervlakte te zoeken naar het heilige. Religie, kortom, is geworteld in de aardse werkelijkheid en iedere wereldgodsdienst concentreert zich op een aspect daarvan.

Voor de islam is dat de geschiedenis, aldus de auteur. Moslims zoeken God in de islamitische gemeenschap, de oemma, en de Koran legt hun de historische taak op een rechtvaardige gemeenschap in te richten, waarin ook de kwetsbaarste en zwakste leden met alle respect dienen te worden behandeld. De geschiedenis van de islam is de geschiedenis van het verwezenlijken van dat ideaal, waarbij politiek en staatszaken niet afleiden van spiritualiteit, maar de essentie van religie zijn.

De hele islamitische traditie, met rituelen, mystiek, filosofie, heilige teksten, wetten en heiligdommen, kwam rechtstreeks voort uit de terugkerende, soms wanhopig stemmende analyse van de politieke actualiteit. Die bleek zo vaak niet te voldoen aan dat ideaal. Politiek is voor moslims wat christenen een sacrament noemen en steeds weer, tot en met de islamisten, proberen moslims de islamitische geschiedenis op het rechte spoor te brengen dat door de profeet Mohammed, de Koran en de tradities is aangegeven en waarvan moslims steeds weer afwijken, schrijft Armstrong.

Ze vertelt in het boek een chronologisch gerangschikt verhaal over de islam, waarbij ze - dat viel te verwachten - veel plaats inruimt voor politiek (en veel minder voor cultuur) en in het bijzonder de islamitische mystieke traditie van de soefi's. Dat is opmerkelijk gezien haar eigen achtergrond als kloosterling en haar interesse in de geestelijke kant van religie. Juist die mystieke traditie, die opkwam in Arabië zelf, maar opbloeide in de Perzisch- en Turkstalige gebieden, was uitdrukkelijk ook een protest tegen een legalistische, dorre en eng politieke opvatting van de islam van de wetsgeleerden, de ulama. De wijn drinkende mysticus die in het schone God meende te vinden, werd steeds vaker een thema in de literatuur en poëzie in de islamitische wereld, van Spanje tot India.

Het historische verhaal dat Armstrong vertelt, is goed leesbaar en heeft een helder uitgangspunt. Het is het verhaal van moslims die deel uitmaken van de oemma, de religieuze gemeenschap en die in dat lidmaatschap het transcendente, het goddelijke ervaren. Deel uitmaken van de oemma ging veel verder dan bewoners van de islamitische wereld tot dan toe hadden gekend. Zeker voor de eerste periode van de islam, die van de vier 'rechtgeleide' kaliefen, geldt dat moslims wel moesten denken dat God aan hun zijde was.

Twintig jaar na de beslissende slag bij Badr in 624, waardoor de opmars van de profeet in het Arabisch schiereiland mogelijk werd, beheersten moslims in het Midden-Oosten een groot rijk, ook als gevolg van de zwakte van de toenmalige Perzische en Byzantijnse rijken. Een eeuw na de dood van Mohammed liep het islamitische rijk van de Pyreneeen tot de Himalaya.

Dat succes bekrachtigde volgens de auteur de boodschap van de islam. Immers, als een samenleving op de juiste wijze wordt bestuurd en Gods wetten in acht neemt, kan succes niet uitblijven. Politiek succes bleek heilig. In haar boek volgt Armstrong consequent dit uitgangspunt als ze de geschiedenis van de islam beschrijft. Het is het verhaal van een gemeenschap die met vallen en opstaan God in de geschiedenis zoekt door een rechtvaardig rijk te stichten met Mohammed en de eerste navolgelingen als gouden voorbeeld.

Af en toe moet Armstrong zich in bochten wringen vanwege haar uitgangspunt. Volgens haar bracht Mohammed in zijn eentje vrede in het door oorlogen verscheurde Arabië. Daarna was het de beurt aan de Rasjidoen, de rechtgeleide kaliefen, om Mohammeds voorbeeld te volgen. Armstrong erkent dat Mohammed een kind van zijn tijd was en dat geweld gemeengoed was. Maar hij gebruikte het alleen wanneer het niet anders kon, aldus Armstrong. De consequentie van haar uitgangspunt, namelijk dat de islam in politiek het goddelijke zoekt en vindt, durft ze niet echt te trekken.

Want politici maken vuile handen, profeet of niet, en dat verhoudt zich niet echt goed met het beeld van religie als een spirituele zoektocht naar vrede en rechtvaardigheid dat Armstrong als essentie van godsdienst ziet. Zo verbrak Mohammed de alom gerespecteerde afspraken niet te vechten in een periode waarin vechten tussen de Arabische stammen verboden was om een beslissende slag te voeren en te winnen in naam van de islam. En in haar hoofdstukken over de kaliefen wemelt het van de burgeroorlogen tussen aanhangers van de profeet en is vrede ver te zoeken.

Volgens haar heiligt de Koran de oorlog niet - alleen een rechtvaardige oorlog uit zelfverdediging is toegestaan - en veroordeelt de Koran moord en agressie. Maar waar nodig hebben islamitische leiders 'pro-aktief' gehandeld om te voorkomen dat ze zich moesten verdedigen, gelegitimeerd door de wetsgeleerden. Die ongemakkelijke mengeling van politiek en religie maakt dat Armstrong op dezelfde pagina eerst beweert dat het succes van de islam en de oemma blijkt uit de militaire successen, om dan te waarschuwen dat de Arabieren 'toen zij Arabië uitstroomden niet werden bewogen door de meedogenloze kracht van de islam'. Westerlingen interpreteren 'de islamitische veroveringsoorlogen weinig accuraat' maar 'de campagnes hadden niets religieus'. Het doel was het bewaren van de eenheid van de oemma en gezamenlijke activiteiten (lees oorlogen) bewaarden die eenheid, aldus Armstrong.

Afgezien van deze moeizame pogingen religie en politiek los te koppelen waar verstrengeling haar niet gewenst lijkt, biedt Armstrong een interessante geschiedenis van de islam, compleet met chronologie en begrippenlijst. Het grootste manco van haar boek is de stelling dat de islam zichzelf verwezenlijkt in de geschiedenis in haar zoektocht naar de ideale gemeenschap. Want een van de problemen voor de islam is nu juist dat de geschiedenis tot mythe is getransformeerd. In die optiek is de geschiedenis gestold en niet langer een dynamische traditie die zich vernieuwt. Dat laatste zou Armstrong graag zien, maar de feiten wijzen anders uit.

Ze kan de profeet en zijn opvolgers wel in hun context willen plaatsen, maar voor de islam is de context geen context maar heilige geschiedenis en daarom uitgangspunt èn ijkpunt voor de toekomst. Zo'n visie werkt conservatisme en fundamentalisme in de hand, met als meest absurde vorm de Taliban die de geschiedenis wilden terugdraaien naar de zevende eeuw, compleet met verplichte baarddracht à la Mohammed.

De islam kent een heilig boek dat volgens Armstrong in de tijd van Mohammed religieus inspeelde op de geestelijke noden van die tijd. Maar verreweg de meeste moslims zien dat anders. De Koran is van kaft tot kaft letterlijk het woord Gods. Armstrong zou graag een dynamische geschiedenis zien, maar vooralsnog is in de islamitische wereld eerder sprake van het einde van de geschiedenis.

Karen Armstrong: Islam.
De Bezige Bij; 314 pagina's; ¿ 18,50.
ISBN 90 234 0055 0

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden