Proefwerk is vooral een blamage voor de historici

De hoon voor Kamerleden die hun vaderlandse geschiedenis niet kennen, betreft eigenlijk hun leermeesters, meent Irene Diependaal. Zíj hebben de feitjes verdacht gemaakt....

IRENE DIEPENDAAL

'WILLEM VAN ORANJE in 1600-zoveel bij Dokkum vermoord'. De afgelopen weken was er veel leedvermaak over de gebrekkige historische kennis van de Nederlandse volksvertegenwoordigers.

In de kranten is echter niet te lezen dat dit leedvermaak de verkeerden wordt aangerekend. Niet alleen Kamerleden, ook historici opgeleid in de magere jaren van de tweefasenstructuur, kunnen de vragen niet voldoende beantwoorden. Op de universiteit hebben zij de antwoorden niet geleerd, op de lagere en middelbare school waren ze zelfs taboe. In de jaren zeventig en tachtig was 'nationale geschiedenis' letterlijk 'verleden tijd'.

In de door bezuinigingen geteisterde geschiedenislessen werden 'thema's onderwezen die er écht toe deden in de visie van de neo-marxistische onderwijshervormers: leerlingen werden bekend gemaakt met het politiek absolutisme, het wezen van de Industriële Revolutie, de strijd om het algemeen kiesrecht, dekolonisatie en véél armoede. Nog steeds zijn feiten en jaartallen ondergeschikt aan een besef hoe de tegenwoordige tijd is voortgekomen uit het verleden.

Op de universiteit wordt hier ijverig op voortgeborduurd. In de propedeuse een viertal overzichtsboeken (oudheid, Middeleeuwen, nieuwe en nieuwste tijd), in het doctoraal nog even de Nederlandse geschiedenis in vogelvlucht, en dan is het weer tijd voor thema's en specialisatie.

Eind jaren tachtig werd ik als student 'nieuwe en nieuwste geschiedenis' aan de Universiteit getrakteerd op de overzichtsboeken van de heren Beliën cs (wereldgeschiedenis), Schöffer cs en Kossmann (Nederlandse geschiedenis). Vooral Kossmann moet de lezer onthouden. Het Historisch Nieuwsblad had de vragen vooraf voorgelegd aan een aantal hoogleraren geschiedenis. Het oordeel was dat de gemiddele goed opgeleide Nederlander deze vragen zou moeten kunnen beantwoorden. Kossmann vond de vragen zelfs te gemakkelijk.

Vele historici zullen zuur gelachen hebben toen zij kennis namen van de uitslag van het proefwerk: waren ze dat nu allemaal alweer vergeten? Nee, ze zijn het niet vergeten want zij hebben de feitjes nooit gehad in het reguliere universitaire onderwijs. Van de vijftien vragen waren er zeven-en-een-half geheel niet terug te vinden in de voorgenoemde overzichtsboeken, en drie vragen waren te raden op basis van inzicht.

Kossmann is verantwoordelijk voor negen van de twaalf (bijna) foutieve antwoorden. Zelf maakte hij ook een fout: het vrouwenkiesrecht is volgens hem in 1920 ingevoerd in plaats van in 1919. Het belangrijke onderscheid tussen actief en passief kiesrecht behandelt hij niet eens.

Uit alle commentaren van de laatste weken valt af te leiden dat prominente cultuurdragers het belangrijk vinden dat er gedegen geschiedenisonderwijs wordt gegeven. De aan de schandpaal genagelde politici durven dat vast niet ontkennen. Historici hebben daarom nu de kans om een fikse discussie te starten over de plaats van geschiedenis in het onderwijs. Laat die hooggeleerden alsjeblief echter óók een paar góede leerboeken schrijven!

Irène Diependaal is historicus en bestuurskundige.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden