PRIEGELEN MET PLOEGERS

In de kunstwereld duiken ze geregeld op: twijfelachtige werken van de Groningse kunstenaarsgroep De Ploeg. Een verzamelaar, die gedupeerd meent te zijn, trekt ten strijde....

Vrienden waren het, de schilder uit Beilen en de verzamelaar uit Groningen. Ze kwamen vanaf 1999 bij elkaar over de vloer en vulden avonden met filosofische gesprekken. Over hun levenshouding bijvoorbeeld: dat je soms je nek moet uitsteken. Mens, durf te leven, hielden ze elkaar voor. Er groeide intussen een gemeenschappelijke passie: de schilder wees de verzamelaar op de erfenis van De Ploeg, de kunstenaarsbent uit Groningen die zich vooral in de jaren twintig profileerde met impressionistische en expressionistische verbeeldingen van het Noord-Nederlandse landschap. De verzamelaar kocht wel eens wat van de schilder die een aantal werken uit die stroming bezat, of ze ruilden iets.

De schilder is Cor van Loenen (1942, Magelang, Nederlands Indië). Hij verlaat geregeld zijn woonboerderij in het buurtschap Holthe om er met zijn brommer op uit te trekken, op zoek naar velden vol bloeiend kool- of mosterdzaad, stoppelige akkers, of weggetjes die zich naar de horizon slingeren. Het linnen is al opgespannen op de bagagedrager van de Zündapp. Lyrisch impressionistisch, is zijn stijl genoemd. Zelf plaatst de gewezen tekenleraar zich ook in de traditie van de ‘Ploegers’.

De verzamelaar is Johan Meijering (1947, Kampen). De oud-politieman en voormalig maatschappelijk werker staat te boek als ‘cultureel ondernemer’ in Groningen. Hij organiseert tentoonstellingen, zet projecten op. In een groot herenhuis heeft hij een tangosalon ingericht. Hij is zelf actief danser, met zijn partner en zes andere paren gaf hij nog een voorstelling voor prins Willem-Alexander en prinses Máxima, toen die de stad bezochten.

Vijanden zijn het nu, de schilder uit Beilen en de verzamelaar uit Groningen. In een grimmig juridisch steekspel probeert Meijering al enige tijd Van Loenen en diens echtgenote voor de rechter te slepen. De aanklacht luidt oplichting en valsheid in geschrifte. De Groninger had tien Ploegschilderijen van de Beilenaar gekocht, werken van Jan Altink, Johan Dijkstra en Jan Wiegers, en het was niet bepaald wat hij ervan verwachtte. De doeken zijn niet goed, hebben experts laten weten. In hun jargon is dat een versluiering voor zo vals als een kraai. Voor wie het nog niet wist: list en bedrog in de branche beperken zich niet alleen tot gesjoemel met de Grote Namen, zoals Picasso, Matisse en Appel (de ‘bronnen’ van meestervervalser Geert Jan Jansen) of Johannes Vermeer (Han van Meegeren).

Een poging je gelijk te halen is een voor de kunstwereld geen vanzelfsprekende stap: wie door de aankoop van een vervalsing gedupeerd meent te zijn, doet niet snel aangifte. Het leveren van bewijs is niet eenvoudig: je moet kunnen aantonen dat de verkoper je met opzet heeft bedrogen en het werk als authentiek heeft aangeprezen. Het is makkelijker te doen alsof je van niets weet en te proberen het werk weer door te verkopen. Dat in dit geval de verkoper van de prins geen kwaad weet, behoort weer wel tot het vertrouwde patroon.

Een kleine schare bewonderaars daargelaten , is het niet het kunstenaarschap waaraan Cor van Loenen zijn vermaardheid ontleent. Hij haalde begin jaren negentig herhaaldelijk de krant als de veronderstelde kwade genius achter een reeks schilderijen van Ploegschilder Jan Altink (1885-1971), waarvan twee experts, Renée Smithuis en Cees Hofsteenge, beweerden dat ze vals waren. Veilinghuizen trokken de werken ijlings terug en deden aangifte. Van Loenen zat in 1992 vier dagen in de politiecel en dertig schilderijen werden in beslag genomen; hij had een aantal onder andere naam ingebracht, de herkomst was schimmig – ze kwamen van ene Van den Berg en ene Jansen, woon- of verblijfplaats onbekend. Tot een veroordeling kwam het niet: na een lange juridische procedure oordeelde het gerechtshof in Amsterdam dat er gebrek aan bewijs was. Van Loenen kreeg een schadevergoeding.

Wie destijds vermoedde dat de Beilenaar wel iets te verbergen had – en dat waren er meer dan alleen de experts Smithuis en Hofsteenge – bleef met een kater achter. De advocaat van Smithuis, mr. L. Hamer, betichtte justitie van halfslachtig onderzoek en beklemtoonde dat het afzien van vervolging niet betekent dat iemand het niet gedaan heeft, maar uitsluitend dat het vergrijp niet wettig en overtuigend kan worden aangetoond. Van Loenen zelf beschouwde de uitspraak als een rehabilitatie en verklaarde later dat veel schilderijen al in het bezit zijn geraakt van ‘gerenommeerde verzamelaars en een museum’.

De affaire blijkt zo’n tien jaar later niet voorbij. Opnieuw is Van Loenen het mikpunt, weer zijn twijfelachtige Altinks de aanleiding. Dit keer zijn het niet de veilinghuizen en de experts die de kat de bel aanbinden, maar verzamelaar Meijering – bijgenaamd tango-Johnny. Hij voelt zich bedrogen en zit opgescheept met een verzameling Ploegschilderijen die, zo heeft hij begrepen, zo de vuilstort op kan.

Meijering koopt in 1999 de verzameling in drie transacties voor 23 duizend euro van Van Loenen. Deze deed de zeven Altinks, twee Dijkstra’s en een Wiegers van de hand, hij kon het geld goed gebruiken voor een reparatie aan het dak en de bouw van een atelier. Maar allengs groeien de twijfels bij Meijering. Hij had een van de Altinks aan een bevriende architect doorverkocht. Die liet het werk taxeren voor de verzekering. Het oordeel: deze Altink is ‘niet goed’.

Een tweede verontrustend signaal komt uit het Groninger Museum. Meijering is in financiële moeilijkheden geraakt bij de bouw van een cultureel centrum in Groningen en staat als betaling een aantal schilderijen af aan de aannemer. Conservator Han Steenbruggen van het Groninger Museum, expert Groninger Ploeg, komt op diens uitnodiging een kijkje nemen. Zijn oordeel: deze werken zijn niet van Altink, niet van Dijkstra, niet van Wiegers. Hij schreef een rapport. Over Blauw Borgje : ‘Dit is geen Johan Dijkstra. Het is gepriegel en en een slecht werk.’ Over Clown: ‘Wiegers schildert niet op board.’ Over Strandzicht Razende Bol bij Den Helder: ‘Jan Altink werkt niet met een paletmes.’ Over Bloemen in kan: ‘Het is plat geschilderd, het leeft niet.’ Kunsthandelaar Richard ter Borg, voor een second opinion ingeschakeld , oordeelt ook. ‘Tot mijn spijt moet ik u meedelen dat ik alle bevindingen van de heer Steenbruggen onderschrijf.’

Meijering zelf vraagt Venduhuis Van den Hende uit Haren, ook Ploegdeskundige. Bevinding: ‘penseelvoering en coloriet zijn niet conform de schilders’. Conclusie: ‘Toe te kennen vervangingswaarde 00,00 euro.’ Een tweede kenner wordt geraadpleegd, Sibbele Ongering. ‘Deze werken zijn volgens mij niet gemaakt door leden van De Ploeg.’ Meijering, ernstig in verlegenheid gebracht, geeft de aannemer tien andere schilderijen, de architect krijgt zijn geld terug. In de Beilense woonboerderij van Van Loenen zien ze hem niet meer. Daar ploffen alleen nog maar vorderingen uit zijn naam op de deurmat.

De voor de hand liggende vraag aan Meijering: had hij, gelet op de antecedenten van Van Loenen, niet wat voorzichtiger moeten zijn? ‘Hij heeft het slim gespeeld. Hij heeft mijn vertrouwen gewonnen, ik beschouwde hem als vriend.’ De publicaties over de affaire, experts die alarm sloegen, is hem dat echt allemaal ontgaan? ‘Van Loenen heeft me wel artikelen laten zien. Maar dat waren de hallelujaverhalen. Ik dacht dat hem onrecht was aangedaan.’

Meijering is nu een man met een missie. Het is hem, zegt hij, niet eens meer om zijn geld te doen. ‘De Ploegers vormen uniek cultureel erfgoed. Noordelingen zijn er trots op. Die nalatenschap moet je beschermen.’

In het wereldje van Ploegkenners vallen ze niet van hun stoel. Valse Ploegers zien ze wel meer. Expert Ter Borg moest enkele jaren geleden voor een ‘groot veilinghuis’ uit het westen van het land vijftig Ploegschilderijen taxeren. ‘Niet een was goed.’ Het veilinghuis Sotheby’s trok in 2001 nog twee Altinks terug: twee versies van Landschap in Groningen bleken bij nader inzien dubieus.

Van de Ploegers geldt veelschilder Altink als een gemakkelijk doelwit. Zijn werk is nooit gedocumenteerd. Zeker in zijn latere periode zwabberde zijn stijl nogal. Zijn signatuur zou gemakkelijk na te maken zijn. In tegenstelling tot een aantal andere Ploegschilders, zijn er geen nazaten of organisaties die zich over zijn artistieke erfenis hebben ontfermd. Schattingen over ‘foute Altinks’ lopen uiteen: van enkele tientallen tot honderden.

Soms, zoals in het begin van de jaren negentig, is Van Loenen in de buurt, soms niet. Een in het noorden herhaaldelijk opduikende anekdote is dat een expert begin jaren negentig een te veilen Altink losmaakte uit de lijst en op karton een stempel van de psychiatrische inrichting Beileroord aantrof; de Van Loenens bieden patiënten uit die inrichting onderdak. De expert zelf bevestigt het verhaal op voorwaarde van anonimiteit. Een andere deskundige moest voor de fiscus een collectie van zo’n 150 schilderijen, waaronder werken van Ploegers als Altink, Dijkstra, Wiegers en Van Dulmen Krumpelman, beoordelen. De dienst had die in beslag genomen bij de inmiddels overleden exploitant van speelhallen en kansspelautomaten Desi Zwaneveld uit Hoogezand. Deze kampte met miljoenen aan belastingschuld. De waarde, eerst geschat op 1,7 miljoen gulden, bedroeg in werkelijkheid slechts enkele duizenden guldens, de helft was ‘niet in orde’. Zwaneveld behoorde tot de kleine schare bewonderaars van Van Loenen, hij organiseerde tentoonstellingen voor hem. Of hij ook Ploegschilderijen van hem heeft gekocht, zeggen zijn weduwe en zoon niet zeker te weten. Navraag onder andere verzamelaars die zaken hebben gedaan met Van Loenen, levert weinig tastbaars op. Zij verklaren alleen werk van Van Loenen zelf te hebben gekocht, geen Ploegers. Die hebben ze via de handel of de veiling bemachtigd, verklaren ze. Over de echtheid geen twijfels.

De verzamelaar meent over zware munitie te beschikken. Meijering liet zich bij de aankoop overtuigen door een verklaring van Auke van der Werff, oud-veilingmeester bij Sotheby’s en beëdigd taxateur. Die had in 1993 twaalf werken van Jan Altink uit Van Loenens collectie op waarde geschat voor de verzekering, op een moment dat deze in de nesten zat wegens de aantijgingen over vervalsingen. Totale waarde: 136 duizend gulden. Drie doeken van de twaalf – Het Reitdiep te Groningen, Heuvellandschap Pic de Luc en Kustgezicht – maken deel uit van Meijerings aankoop; ze behoren, ontdekt hij later, tot de verzameling die in beslag werd genomen toen Van Loenen werd opgepakt.

Maar Van der Werffs rapport is op z’n minst genuanceerder. In een begeleidende brief plaatst hij vraagtekens. ‘De herkomst van zo’n grote partij Altinks is te vaag en de amateuristische manier van inlijsten klopt van geen kant.’ De taxatie beschouwt hij als voorlopig en hij vermeldt ‘uit voorzichtigheid’ dat het rapport niet voor juridische en commerciële doeleinden mag worden gebruikt. ‘Die brief’, zegt Meijering, ‘heeft Van Loenen mij onthouden’.

Van der Werff is er nog altijd zeer ontstemd over dat Van Loenen zijn rapport als echtheidsverklaring heeft gebruikt. Hij is, verklaart hij, in het verleden meer benaderd door personen die Altinks wilden kopen met zijn taxatie erbij. ‘Hij misbruikt mijn rapport. Ik heb Van Loenen gevraagd daarmee op te houden, maar hij is er gewoon mee doorgegaan. De man is een leugenaar. Het echtpaar Van Loenen kwam destijds bij me thuis met het verhaal dat ze nergens anders terecht konden. Ik vond het zielig voor ze. Achteraf zeg ik: ik had dat rapport nooit moeten opmaken.’

Van Loenen heeft meer experts opgevoerd die zich over zijn werk hebben gebogen met als doel de authenticiteit aan te tonen. Aanvankelijk niet zonder succes: Van den Hende taxeerde in 1999 drie schilderijen, waaronder ook Zonnebloemen in Keulse Pot, dat tot de tien betwiste werken behoort. Geschatte waarde: 35 duizend gulden. Ook een Dijkstra – Havengezicht Delfzijl – werd goedgekeurd. Maar een nadere bestudering leidde tot inkeer. Van den Hende heeft het rapport inmiddels ingetrokken. Een collega tipte hem dat hij deze werken bij Van Loenen had gezien. Volgens Van den Hende heeft de schilder destijds een tussenpersoon ingeschakeld om de taxatie te laten verrichten.

De schilder uit Beilen zegt bezig te zijn met het verzamelen van bewijsmateriaal dat hem zal vrijpleiten. Hij is nog altijd overtuigd van de echtheid van de Ploegschilderijen, die hij decennia lang heeft verzameld ‘uit inboedels en op veilingen’. Hij beticht de experts van ‘slechts stereotiepe kennis van het werk van De Ploeg’. ‘In hun rapporten is niets aan onderbouwing te vinden. Het zijn plaatjeskijkers. Ze praten elkaar na en schieten intussen de ene bok na de andere.’ Zo zou Wiegers wel degelijk op board hebben gewerkt en Altink met een paletmes. Dat er een schilderij van Altink is opgedoken met een stempel van Beileroord, acht hij uitgesloten. ‘Ik heb daar wel eens wat laten inlijsten, maar zeker geen werk van De Ploeg.’

Zijn advocaat, mr E. Schönfeld uit Assen, zegt dat zijn cliënt Meijering omstandig heeft gewaarschuwd: dit zijn besmette schilderijen. ‘Van Loenen heeft open kaart gespeeld, niets verhuld over de affaire. Meneer Meijering wist alles, maar wilde de doeken toch graag hebben, voor zijn privécollectie en voor een zacht prijsje. Hij vond het prachtig toen. Dan moet je later niet gaan lopen mauwen.’ Volgens Schönfeld heeft Meijering de begeleidende brief van Van der Werff wel degelijk gezien. Meijering: ‘Als ik dat allemaal had geweten, was ik toch nooit tot aankoop overgegaan?’

Vraag: waarom neemt Van Loenen de verzameling niet terug als het echte schilderijen zijn? Schönfeld: ‘Het zijn besmette schilderijen. Mijn cliënt wil er gewoon niks meer mee te maken hebben.’ Welke verzamelaars en musea al eerder werken uit de omstreden verzameling hebben aangekocht, houdt de raadsman liever voor zich.

Meijering: ‘Ik wil niet gewoon maar verder gaan en doen alsof m’n neus bloedt. Dit soort praktijken moet stoppen. De onderste steen moet boven.’ Hij kondigt aan een stichting te willen gaan oprichten die gedupeerden in dergelijke affaires moeten gaan bijstaan.

De kluif ligt op het bord van de gerechtelijke autoriteiten. Meijering heeft al bot gevangen bij justitie in Assen. Het argument klinkt vertrouwd: onvoldoende bewijs. Hij is in beroep gegaan tegen het sepot bij het gerechtshof in Leeuwarden. De uitspraak laat nog op zich wachten. Er loopt ook een civielrechtelijke zaak. De rechter heeft daar al een onafhankelijk expert aangewezen: Cornelis Buysert uit Utrecht. Zijn oordeel is inmiddels bekend. Opgetelde kunstwaarde 0 euro. Decoratieve waarde ruim 800 euro. ‘Gezien de penseelvoering kunnen bovengenoemde schilderwerken niet van de hand van de gesuggereerde kunstenaars zijn.’

Meijering: ‘Ik herinner me nog die avonden voor de open haard bij Van Loenen. Ik hing aan zijn lippen. Een charismatische, zeer onderhoudende man. En dan stink je er zo in.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden