Praalportretten van Alexander Roslin zijn virtuoos, charmant en een tikkie braaf

In de 18de eeuw was je pas echt iemand als je door Alexander Roslin was geportretteerd. Nu is er, voor het eerst in Nederland, een overzichtstentoonstelling van de eliteschilder te zien.

The Lady with the Veil, 1768, Alexander Roslin. Beeld Nationalmuseum Stockholm

De ene jurk is de andere niet. Het exemplaar dat Hedvig Elisabet Charlotta, prinses van Zweden, hertogin van Södermanland en de toekomstige koningin van Zweden en Noorwegen in 1774 koos voor haar trouwdag was van zilver brokaat. Die was rijkelijk versierd, zilveren krullen en wijnranken op de rok, minuscule zilveren blaadjes, draad en lovers op de mouwen; een groot boeket van zilver onder de borst. Het model stond bekend als robe de cour oftewel grand habit, een dracht die terugging op die van het Spaanse hof een eeuw eerder, en grand was-ie, dit zilveren gevaarte: op Alexander Roslins (1718-1793) portret lijkt hij de prinses zelfs een beetje naar de achtergrond te drukken. De jurk, de stoffen - ze eisen meer aandacht op dan de persoon die zij omhullen. En typeren Roslin als een schilder die vooral was geïnteresseerd in details en oppervlaktes.

Deze Roslin, aan wie het Rijksmuseum Twenthe in Enschede nu het eerste Nederlandse overzicht wijdt, is het ontdekken waard. Hij was een Zweedse schilder, gestationeerd in Parijs, die tijdens het ancien régime bijzonder in trek was bij allerhande Europese vorstenhuizen. Zijn oeuvre, dat grotendeels bestaat uit portretten, is knap, virtuoos, hyper-gedetailleerd, maar ook een tikkeltje aan de brave kant en soms iets te weeïg. Dat zal te maken hebben gehad met de voorkeuren van zijn tijd, die macaronzoet waren, en misschien ook met het behaagzuchtige karakter van de schilder. Er is iets voor te zeggen om Roslin te zien als de diplomaat onder de schilders, iemand die altijd de status quo handhaafde. In die zin liep hij precies in de maat met de meest exotische en verguisde hofstijl uit de geschiedenis van de kunsten: de rococo.

Nu raakte deze stijl- ornamentiek, asymmetrie, pastelkleuren et cetera - aan zo'n beetje alles. Hij omvatte schilderkunst en sculptuur, maar ook complete interieurs, meubels, behang, zilvergoed, theeserviezen. Herinnert u zich die opgetuigde kerstboomjurken uit Marie Antoinette? Die waren dus typisch rococo. Net als het bestek waarmee die arme Louis XVI in zijn vis zat te prikken, overigens. Zulke objecten laten zich makkelijk wegzetten als hebbedingetjes van een stel verwende nesten, en dat waren ze misschien ook wel, maar dan ga je voorbij aan hun kwaliteit, die vaak van een ongeëvenaard niveau was. Niemand in de 18de eeuw tekende beter dan hofkunstenaars als Boucher of Fragonard; net zoals er geen meer memorabele meubels bestonden dan die van Meissonnier, en geen exuberantere jurken dan de creaturen die Madame de Pompadour droeg. En omdat de rococo vooral een interieurstijl was, liet het zich relatief makkelijk exporteren.

Hetgeen ook voortdurend gebeurde. Van München tot St.-Petersburg en van Den Haag tot Stockholm - overal in Europa waar men geld en culturele aspiraties had liep men achter de Fransen aan. Ook in Nederland, ook in de Republiek, waar dat sympathieke weekdier erfstadhouder Willem IV de stijl introduceerde, en waar de echo's ervan tot diep in de provincie doorklonken.

Anne Vallayer-Coster Beeld Foto Nationalmuseum Stockholm

Keuvelen

Bezoekt u nu de Adriaan de Lelie-tentoonstelling in Museum van Loon, dan treft u daar een familieportret van de Groningse familie Alting, geschilderd door de eveneens Groningse schilder Elisabeth Geertruida Wassenbergh. Daarop ziet u dames in Parijse robes à la Française keuvelend met heren met Franse gespschoenen tegen mosgroen behangsel met krullen en wijnranken; een tafereel waaraan enkel het grauwe weer Gronings lijkt. Elders in de tentoonstelling: mannen in kuitbroeken met bepoederde pruiken en deurposten met rocailles, plus een heleboel andere zaken die men overnam van Lodewijks entourage. Zij golden als de trendsetters die bepaalden hoe men zich kleedde en woonde. Roslin droeg daaraan bij.

In Rijksmuseum Twenthe in Enschede hangen van hem nu een stuk of dertig doeken, waaronder liefst dertien uit de collectie van het wegens verbouwing gesloten Nationalmuseum in Stockholm. Het is een goede tentoonstelling, eentje die andermaal illustreert dat men in Enschede bezig is uit te groeien tot hét Nederlandse museum van de 18de eeuw. De inrichting is ruim, de wandteksten (van historicus Luc Panhuysen) zijn helder, de bijgaande glossy vermakelijk en prachtig vormgegeven, maar meer een aanvulling op, dan een waardig alternatief voor een catalogus (wie zich serieus in Roslin wil verdiepen moet te rade gaan bij het boek van het Nationalmuseum in Stockholm). Anne Wentzels keramieksculpturen van wegrottende bloemen en beelden zijn een passende uitsmijter bij een expositie over een klasse in verval. Samen is het de perfecte Roslinintroductie, voilà. Je hebt het gevoel dat je hem een beetje leert kennen.

Wat blijkt: hij was geen overnight succes. Aan de periode van lof gingen omzwervingen vooraf. Roslin trok van Malmö (waar hij als zoon van een natuurkundige werd geboren) naar Stockholm, waar hij onder auspiciën van Georg Engelhard Schröder het vak leerde, naar Bayreuth, waar hij als hofschilder werd ontboden; van daaruit reisde hij verder naar Italië: Venetië, Bologna, Rome, Napels. In Napels vond een curieus incident plaats: een teleurgestelde opdrachtgever, ene Hertog van Tuttavilla, weigerde niet alleen de schilder te betalen, maar dreigde hem ook in de gevangenis te laten gooien, een lot dat Roslin bespaard bleef door tussenkomst van de Franse ambassadeur ter plaatse, de Markies de l'Hôpital. Als wederdienst schilderde Roslin vervolgens een portret van de ambassadeur en dat pakte goed uit. De l'Hôpital was dermate verguld met het resultaat dat hij het tijdens zijn eerstvolgende bezoek aan Parijs liet zien aan de dochter van Lodewijk XV, wier man, Don Felipe de Bourbon, nog enthousiaster reageerde en Roslin stante pede uitnodigde in Parijs.

Dat was in 1752 en een jaar of tien later had Roslin z'n zaakjes voor elkaar. Hij was lid van de Academie, een onmisbare formaliteit in de Parijse kunstwereld, in het huwelijk getreden met een mooie en getalenteerde vrouw, de pastelschilder Marie-Suzanne Giroust, en kon zowel de belastinginner Marie Romain Hamelin als Kroonprins Gustaaf III tot z'n klanten rekenen.

Zulke relaties waren wederkerig. Voor Roslin betekende het schilderen van notabelen en leden van het koningshuis toegang tot nieuwe opdrachten; voor die edelen en notabelen betekende het dat ze bij hun vrienden konden pronken met een schilderij van de befaamde Roslin le Suédois. Immers: er kleefde prestige aan een portret van een beroemde schilder, zoals er nu prestige kleeft aan een fotoportret van Mario Testino of Rineke Dijkstra. Men was iemand, men had een Roslin.

Meer portretten

Meer 18de-eeuwse portretten in Museum Van Loon. Daar is nu een tentoonstelling te zien van de familieportretten van de indertijd beroemde portrettist Adriaan de Lelie (1755-1820), aangevuld met werken van tijdgenoten, onder wie de Groningse Elisabeth Geertruida Wassenbergh en de rondreizende hofschilder Johann Tischbein. Hier zijn de schilderijen eerder interessant dan uitgesproken mooi. Artistiek kunnen ze misschien niet tippen aan bijvoorbeeld Roslin; als inkijkje in de behuizing, kleding en vrijetijdsbesteding van zelfbewuste notabelen zijn ze zeker de moeite waard. Adriaan de Lelie en het achttiende eeuwse familieportret, Museum van Loon, Amsterdam, t/m 19/1/15. museumvanloon.nl

Zelfportret, Alexander Roslin, 1785.
Roslin 1767, Roslin en zijn vrouw Mari Suzanne Giroust, schilderen Peill's portrait,

Visitekaartje

Die portretten dienden, als bekend, als visitekaartjes. Statuur, gratie, eruditie, bevalligheid - dat moesten zij uitstralen. Schoonheid ook. Op Hollandse burgerportretten - zoals bij De Lelie - tref je nog wel eens iemand met een dubbele onderkin; dat zou Roslins clientèle niet gauw overkomen. Waar de portretten ook blijk van geven: modegevoeligheid. Ik bedoel: dat de zitter er bijdetijds uitzag. Je hoeft geen specialist op het gebied van 18de-eeuwse kostuums te zijn om te zien dat de meeste van Roslins modellen fashionista's waren voor wie de ene kanten mouw met omgevouwen tierelantijntjes de andere kanten mouw met omgevouwen tierelantijntjes niet was. En die dat graag deelden. Van een portrettist werd verwacht dat hij zulke details scherp liet uitkomen.

Daarvoor was men bij Roslin aan het juiste adres. Hij was de Leco onder de portrettisten, de gladstrijker, de vleier. Satijn, huid? ga naar Roslin, was een veelgehoorde tip onder welgestelde Parisiennes, en inderdaad: satijn en huid daar blonk-ie in uit, waarbij opgemerkt moet worden dat die huid zich soms nauwelijks van het satijn laat onderscheiden, zo smetteloos oogt ze. Wat ook opgemerkt moet worden: Roslins wimpers, die of non-existent of onzichtbaar zijn, alsmede het curieuze verschijnsel dat iedereen die voor zijn ezel plaatsnam zware oogleden en tamelijk dikke wenkbrauwen had. Voorts: zijn begaafdheid in het weergeven van texturen en stoffen, de doffe glans van satijnen handschoenen, de stiksels op de jurk van Marie-Suzanne Giroust, zijn vrouw; het gouden reliëf op de zijkant van de waaier van diezelfde Giroust. En hoe die stiksels je blik subtiel naar haar decolleté leiden. En hoe mooi dat stukje ontblote huid afsteekt tegen de donkere mantel. Verbluffend formulewerk - dat was het. Wie van zoet houdt, moet hier zijn.

Kijk bijvoorbeeld maar eens naar Lovisa Ulrika, prinses van Pruisen, koningin van Zweden. Zij heeft dat typische Zweedse koningshuishoofd: uitgestreken, langwerpig, grote, beetje bolle ogen, parelkettingen en broches en oorbellen: een pauw in alles, behalve de schoonheid, zou Wilde hebben gezegd. Het is een prima portret, gracieus, waardig en opgepoetst, maar onthullend wordt het niet. Het is charmant, en dat is precies de kwaliteit die irriteert in Roslins mindere portretten, die sowieso op den duur heel lichtjes op de zenuwen begint te werken. Charm, zegt dandy Anthony Blanche in de film Brideshead Revisited tegen de gemankeerde schilder Charles Ryder, kills anything it touches. It kills love; it kills art. Roslin had veel charme, iets té veel misschien.

Wellicht dat zijn faam daarom geen stand hield. In de jaren tachtig van de 18de eeuw was zijn ster al dovende. Zwieriger kunstenaars zoals Élisabeth Vigée-Le Brun stootten hem van de troon; de Franse revolutie, die de halve pruikenpopulatie onder de guillotine deed eindigen, en Roslin permanent in de gevarenzone van guilt by association bracht, ontdeed hem van de rest van zijn klantenkring. Eerder al had niemand minder dan Denis Diderot met hem afgerekend: 'Roslins schilderij is de beste satire die ik heb gezien van onze gebruiken, pruiken en andere verfijningen. Aanschouw de banaliteit van de korte jasjes, van de hoog gehakte schoenen, zo perfect passend bij de kostuums, de jasmouwen en de knoopsgaten. En de belachelijkheid van de enorme pompeuze pruiken, en de vulgariteit van de brede bourgeois gezichten.'

Bits, maar niet geheel onwaar.

Rijksmuseum Twenthe, Enschede, t/m 12/4/15. rijksmuseumtwenthe.nl

Lovisa Ulrika van Zweden, 1775. Beeld National Museum Stockholm
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.