Praag is een raadsel

Praag is een stad van woorden, waardoor de werkelijkheid er altijd raadselachtig lijkt. In de duistere jaren van het communisme wist de beschaving zich te handhaven door de literatuur die hier altijd heeft gebloeid....

Willem Kuipers

PRAAG BETOVERT je, telkens weer. Dat was zo vóór de Fluwelen Revolutie, dat was erna, en dat is nu, aan het eind van het millennium, aan het eind van deze eeuw - die Praag voor een groot deel in de diepste duisternis heeft doorgebracht - weer zo, en het frappeert me hoezeer je, bij alle uiterlijke verschillen, iets blijft voelen van de magie, die de Italiaanse slavist Angelo Maria Ripellino ertoe bracht zijn boek over de letterenwereld van Praag Magisch Praag te noemen.

Magisch Praag. Praga magica. Wat een treffende uitdrukking. Heeft die magie met de stad te maken, met haar stegen en straten, haar pleinen en haar rivier, de Moldau, met de Heilige Roomse en Habsburgse keizers die er lang de scepter zwaaiden, met erkende dwarsliggers als Jan Hus en de eerste president van de onafhankelijke Tsjechoslowaakse republiek Tomás Garrigue Masaryk, of heeft het heel specifiek met de literatuur te maken, die ons de golem heeft geschonken, die angstaanjagende homunculus van rabbi Löw, maar ook, bij wijze van tegenvoeter, de goedmoedige soldaat Svejk, die met zijn vergaande onnozelheid zijn superieuren tot wanhoop bracht?

Praag is, even afgezien van grote muzikanten als Janacek, Smetana en Dvoöak, een bij uitstek literaire stad, die zoveel schrijvers heeft voortgebracht dat we ze - ondanks hun niveau - lang niet allemaal kennen. Is het te boud gesproken als ik veronderstel dat die veelheid tot een cultuur heeft geleid die niet alleen het ontstaan van uitzonderlijke oeuvres (van Franz Kafka bijvoorbeeld) verklaart, maar ook, ten dele, de magie van deze stad, die je in werkelijkheid nooit zo goed leert kennen als uit al die verhalen die zich binnen haar muren en erbuiten in het wijde, heuvelachtige Boheemse land afspelen.

Literatuur en Praag vormen een tweeeenheid, die zeldzaam is. O, zeker, er zijn andere literaire steden van een dergelijke allure (Parijs, altijd het grote voorbeeld voor de Pragenaars, en New York), maar de epische verdichting die je in Praag vindt, is onovertroffen: alsof hier alles naar alles verwijst, alsof de stad zelf één groot poëem is, geen werkelijkheid van steen en pleisterwerk, maar een verbeelde werkelijkheid, een boek dat je dwingt voortdurend tussen de regels te lezen, zodat je nooit helemaal zeker bent wat écht is en wat niet. Praag is een raadsel.

Het is ongetwijfeld waar dat de boeken, die je overigens toch wel leest, aan kleur, sfeer en betekenis winnen als je ze met de geschiedenis van de stad in verband kunt brengen. Een paar van die boeken, van Kafka, waren in 1983 voor mij de reden om naar Praag te gaan. Erg aantrekkelijk was dat niet. Iedereen die vóór de val van de Muur weleens een Oostblokland heeft bezocht, weet wat dat betekent. Maar om Kafka kon ik niet heen. In dat jaar werd zijn honderdste geboortedag gevierd en ik was benieuwd of daar in Praag - waar Kafka verboden was - iets van te merken zou zijn. Het werd een pelgrimage, die me ertoe bracht alle kafkaëske plekken in de stad aan te doen, maar meer indruk maakte op mij de verborgen wijze waarop de grote, joodse schrijver voortleefde onder de dissidenten die ik sprak (zoals Ivan Klíma). Kafka was voor hen een houvast in die uitzichtloze tijd.

De mensen waren bang. Niet alleen de intellectuelen, van wie sommigen (hoogleraar, arts, schrijver) zich in leven wisten te houden met baantjes als schoonmaker of psychiatrisch verpleger, maar ook de homoseksuelen op wie regelmatig jacht werd gemaakt. Ik zag dat, pijnlijk genoeg, voor mijn eigen ogen gebeuren, toen ik op een avond met wat vrienden in het bekende Jugendstil-hotel Europa aan het Wenceslasplein koffie zat te drinken. Als bandieten werden de jongemannen in hun leren jacks en spijkerbroeken bijeengedreven en in de boeien geslagen. Echt gezellig was het er niet, toen in Praag.

Een van de dissidenten die ik sprak, was een boomlange, volkomen kale discjockey, Jiri Czerny. Ik kan nu zijn naam rustig noemen. In heel Praag was het hem onmogelijk gemaakt zijn 'decadente' westerse popmuziek te draaien. Om toch de Tsjechoslowaakse jeugd in aanraking te brengen met zijn geliefde Rolling Stones, Velvet Underground, of wat hij ook maar te pakken had kunnen krijgen, trok hij op zondagmiddag naar het platteland, waar in een boerenschuur die verderfelijke rockmuziek ten gehore werd gebracht. Een parallel deed zich voor in het godsdienstige leven. Ook de christenen weken 's zondags uit naar het platteland om daar ergens onder de blik van Big Brother vandaan hun kerkdiensten te houden.

Die man, die Czerny, een reus van een vent, echt waar, was niet zo heel erg bang, en toen hij doorkreeg dat ik het werk van Havel kende en daarin (en in de beroemde toneelschrijver) geïnteresseerd was, stelde hij voor dat wij elkaar zouden ontmoeten. Havel was sinds enige tijd uit de gevangenis. Men had hem (als bekendste dissident) vrijgelaten, omdat hij niet alleen doodziek was en dreigde te creperen, maar ook omdat er in Praag een internationale vredesconferentie op komst was. Ik moest Czerny bellen, niet vanuit mijn hotel, want daar werd alles afgeluisterd, maar ergens op straat, dan zou hij een ontmoeting arrangeren. Bij hem thuis. Ik moest alleen oppassen dat er geen figuren van de StB, de Tsjechoslowaakse Stasi, op de stoep stonden, want dan was ik de klos, en Havel ook.

En verdomd, alsof de duvel ermee speelde. Toen ik de straat waar Czerny woonde, wilde inlopen, zag ik ze staan, de dienaren van het gezag met hun vetlederen jassen. Voor het eerst werd ik in Praag nu ook bang, alsof de angst van al die dissidenten zich in mij had opgehoopt en me te veel dreigde te worden. Paniek. Ik was als de dood. Alles, de hele atmosfeer, die enge mannen met hun leren jassen, voerde me terug naar de oorlogsjaren, toen ik als kind zulke types als griezelige boemannen had leren ervaren. Pas toen ik mezelf had voorgehouden dat een Nederlandse staatsburger (maar een journalist, die stiekem was gekomen) in Praag niets kon overkomen, toog ik weer naar Czerny's woning. Geen Gestapo. En even later zat ik tegenover Havel, Boheemse landwijn en sigaretten binnen handbereik. De zieke rookte als een ketter, en maakte op mij meteen, zo breekbaar als hij was, een enorme indruk.

Havel was de eerste (en enige) die ik in die tijd ontmoette, die niet bang was. Waarom zou hij ook, sprak hij laconiek. Hij had niets meer te verliezen. Hij had alles meegemaakt. Zes jaar later, nu precies tien jaar geleden, werd hij de eerste president van de vrije Tsjecho-Slowaakse republiek.

W AAROM rakel ik aan het eind van dit millennium, aan het slot van deze eeuw, dit verhaal nog een keer op, terwijl in Praag nu alles geurt naar luxe en welvaart (althans in het kleine rijke deel van Praag) en de stad in geen enkel opzicht nog lijkt te verschillen van welke grote westerse stad dan ook (behalve dat de mensen hier nog een ouderwets soort wellevendheid tentoonspreiden en er overal zoveel uiterst dienstbaar personeel beschikbaar is dat de lonen wel verontrustend laag moeten zijn)?

Ik denk dat ik nog steeds geïnspireerd ben door die ontmoeting met Havel, een man die voor mij voor iets stond, en hoop ik, staat. In Tsjechoslowakije (en andere Oostbloklanden) leek de bestaande civilisatie niet opgewassen tegen de aanslagen die zij achter elkaar te verwerken kreeg, eerst van de nazi's en vervolgens van de communisten. Na zoiets, denk je, groeit er geen gras meer in zulke landen. Maar dat is niet zo. Kennelijk zijn er, zelfs onder zulke extreme omstandigheden, altijd mensen die het lef hebben zich te verzetten.

Wie het Tsjechische verzet, van de Praagse lente in 1968 tot de Fluwelen Revolutie in 1989, wil begrijpen, kan dat alleen door zich te verdiepen in de achtergronden ervan. De cultuur, of meer specifiek de literatuur (in de meest brede zin) speelde daarbij een belangrijke rol. Het is voor ons, die in 1945 al werden bevrijd, nauwelijks meer te begrijpen. De waardigheid waarmee het verzet werd gepleegd, was een teken van een beschaving, waarvan steeds meer mensen in het Westen (behalve aanhangers van linkse partijen, op Max van der Stoel na) het bijzondere gingen zien.

Voor Havel is de eenling, de mens, steeds het middelpunt van die civilisatie geweest. Zijn idee van een samenleving hield in dat het individu niet reddeloos aan de staat (of een multinational) was overgeleverd, maar zich kon ontplooien binnen beschermende instanties als het gezin, een kerkgenootschap, de school of de universiteit. Toen al zei hij tegen mij dat de communistische en kapitalistische 'systemen' steeds minder van elkaar begonnen te verschillen, als het ware naar elkaar toegroeiden, doordat in beide sferen bemiddelende instanties als de genoemde werden 'afgeschaft'.

In de laatste tien jaar zal daar voor hem nog iets bij gekomen zijn, dat hij misschien vóór die tijd al enigszins kende, maar nooit aan den lijve had ondervonden. Het mediageweld. Sinds hij president is, staat hij, voorzover hij het niet zoekt, in het volle licht van de (internationale) schijnwerpers. De samenleving begint eraan gewend te raken niet langer 'in de waarheid te leven' (om een gevleugeld woord van Havel te gebruiken), maar in de actualiteit. Er is geen verleden, er is geen toekomst. Er is alleen het hic et nunc. Binnen die myope beperking wordt álles gezien, ontsnapt niets meer aan de aandacht.

Die niet-aflatende belangstelling treft ook de president. Ze verklaart ten dele zijn onbereikbaarheid. Zelfs zijn oude vrienden (en zijn eigen broer) zien hem nauwelijks meer. Ze verklaart ook de kritiek die hij steeds meer te verduren krijgt. John Keane geeft er in zijn biografie, Václav Havel - A Political Tragedy in Six Acts, een indruk van. Hij laat zien hoe het charisma van de voormalige Charta-woordvoerder, de ongekroonde koning van de Tsjechische Republiek, de prins die in 1989 Praag als een Doornroosje wakker kuste, afbrokkelt.

Dat ziet men in Tsjechië ook. En wie je ook maar spreekt, men gelooft dat Havel zijn beste tijd heeft gehad. Met lede ogen ziet men de oude communisten (net als in het voormalige Rusland) terrein terugwinnen. Dat is geen erg plezierige aanblik. Het communisme is hier immers niet zomaar een virulent virus, het is, na vijftig jaar (de communisten kwamen in 1948 met een coup aan de macht), evenzeer onderdeel van de Tsjechische cultuur als de oude humanistische traditie, die Havel en de zijnen voorstaan. Het is niet erg waarschijnlijk, maar het zou kunnen dat de vulgaire westerse massacultuur een, al is het maar tijdelijk, lelijk soort lat-relatie aangaat met het communisme.

Maar ik geloof het niet, en word daarin gesterkt door wat allerlei aardige mensen mij vertellen. De kinderen die nu van de universiteit komen, weten helemaal niets meer van het communisme, en zijn volstrekt westers georïenteerd (het Russisch dat hun ouders nog moesten leren, is iets om je voor te schamen). De voortreffelijk Nederlands sprekende Zdenka Hrcírová, verbonden aan het instituut van de Karel-universiteit aan het Jan Palachplein - waar al vijfenzeventig jaar Nederlands wordt gedoceerd - voegt eraan toe dat studenten je een volstrekt fossiel vinden als je nu nog over het communisme begint.

Anderzijds is er die veelgeroemde Praagse (christelijke, Habsburgse, joods-Tsjechische) cultuur. Heeft die zich diep genoeg in de jonge, vlot uitgedoste lijven neergezet om dit deel van Midden-Europa voor een eventuele nieuwe barbarij te behoeden? Er is niets verstandigs over te zeggen. De ontwikkeling in dit deel van de wereld zal niet veel verschillen van die bij ons, en daar valt ook geen zinnig woord over te zeggen. Er is maar één verschil. Smaak. Havel had het erover toen hem onlangs in een televisie-uitzending werd gevraagd naar zijn criteria bij tal van ethische en politieke kwesties.

Smaak. Het is zo vaag als het is, en het zal de oude communisten nogal bourgeois in de oren klinken, maar het is een feit dat wie een paar dagen door de straten van het oude Praag dwaalt, zal merken dat men hier beslist smaak heeft. Het herstel van de stad met al die fraaie middeleeuwse, Renaissance- en Jugendstil-architectuur is met zorg gedaan. De voorbeelden ervan zijn velerlei, maar een van de meest spectaculaire is het schitterende Obecni Dém, het Gemeenschapshuis, dat in 1912 werd voltooid als een thuishaven voor alle (Tsjechische) kunsten. Nu doet het dienst als grand-café en is alleen de luister van de glazen kroonluchters al voldoende om je er bevoorrecht te voelen (terwijl naast je ongehoord rijke Praagse patjepeeërs champagne drinken).

H ET IS een beetje speculatief, maar na alles wat ik heb gehoord, gezien en gelezen niet helemaal uit de lucht gegrepen: het lijkt erop dat men in Praag doende is de geschiedenis vanaf het vorige fin de siècle dunnetjes over te doen. De tentoonstelling nu in het Amsterdamse Van Gogh Museum - Poëzie en extase - Praag 1900 - lijkt daar ook al op te wijzen, want het verhaal dat de hier uitgestalde schilderijen en (prachtige) gebruiksvoorwerpen vertellen, is geen ander dan dat toen, rond 1900, geprobeerd werd Tsjechië en de Tsjechische cultuur een eigen gezicht te geven, en niet het Duitse of Oostenrijkse dat men onder de Habsburgers zo lang had moeten tonen. De intentie van de tentoonstelling wordt ondersteund door een Nederlandse publicatie, de verhalenbundel Praag en het fin de siècle van Wil Hansen en Kees Mercks, waarin onbekende, maar soms ronduit indrukwekkende verhalen van bekende en onbekende auteurs als Rainer Maria Rilke, Max Brod, Franz Kafka, Julius Zeyer, Jiri Karásek, Hugo Salus, Karel Hlavácek en Paul Leppin bijeen zijn gebracht.

Sommigen hunner kom ik weer tegen als Josef Kroutvor, cultuurpaus in Praag, de dag ervoor urenlang gefilmd door de Tsjechische televisie, mij uitnodigt in het pas heropende café Montmartre. Ik moet, als ik er ben, even van mijn verbazing bekomen. Dat het er nog is! En zo prachtig!

Hier ontmoetten de groten van de Tsjechische literatuur elkaar, Hasek, Kafka, maar ook de zojuist genoemden als Salus en Leppin (die in 'Het spook van de jodenstad' uit 1914 de schrijnende armoe, de leegloop en de ontucht in het getto verbeeldt). Hier in café Montmartre, waar vooral de 'razende reporter' Egon Erwin Kisch van zich deed spreken, begon het boeiende leven van de Praagse bohème, die met zijn verhalen zó'n krachtig stempel op de stad heeft gedrukt dat het proletariaat het niet ongedaan heeft kunnen maken. Hier zou een nieuwe Tsjechische 'Wedergeboorte' - de eerste was eind vorige eeuw - kunnen beginnen.

Zou Havel het nog meemaken? Ik heb hem na onze enerverende ontmoeting in 1983 nog eenmaal gesproken. Telefonisch. Ik had zijn nummer thuis. Dat was toen minister Hans van den Broek meende dat de Erasmusprijs niet aan Charta (een groep), maar aan Havel (een individu) moest worden toegekend. Havel was furieus. Wij deden het samen, zei hij, met die kuchjes van hem (alsof toen zijn longen al geheel naar de knoppen waren). En we krijgen sámen de prijs. Daarna werd het stil om hem heen, zeggen zijn vrienden, die ook zijn nieuwe vrouw niet zo zien zitten (terwijl ze met Olga konden lezen en schrijven). Havel beweegt zich, voorzover zijn zieke lijf het toestaat, alleen nog op het hoogste niveau. Met Kerstmis is hij bij de paus.

Kroutvor had me gezegd dat ik beslist het werk van de schilder Jiáí Sopko in de ruime bovenzalen van café Montmartre moest gaan zien. Wat ik doe. Speels-ernstige fantasieën van een groot kind. Als ik daarna nog even naar de Moldau wandel om een laatste blik te werpen op de Burcht - aangelicht alsof men er opnamen maakt voor een Hollywood-spektakel - schiet me te binnen dat in de werkruimte van Havel daar doeken van Sopko hangen. En ineens besef ik dat Kafka de macht die individuen regeert nooit zo raadselachtig en ongrijpbaar had kunnen verbeelden als in zíín slot zulk werk als dat van Sopko had gehangen. Zo heeft elke tijd zijn eigen betovering.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden