Potlood vervaagt!

De Russische kunstkenner Nikolaj Ivanovitsj Chardzjiëv emigreerde in 1993, hoogbejaard, naar Nederland. Zijn kostbare verzameling handschriften en beeldende kunst, meest van Russische avant-gardisten, liet hij uit Rusland smokkelen....

NIKOLAJ Ivanovitsj Chardzjiëvs liefde voor literatuur en kunst had maniakale kanten. Hoewel hij een geleerde was die zijn collectie gebruikte voor studie en publicaties, kenmerkte zijn houding zich door de fanatieke bezitsdrang die vaak bij collectioneurs is te zien. Waar hij eenmaal de hand op had gelegd en wat hij waardevol vond, wilde hij houden, bijna tegen elke prijs. Dat kostte hem vriendschappen. Een van de sprekendste voorbeelden daarvan is zijn vriendschap met Nadezjda Mandelstam, weduwe van de dichter Osip Mandelstam.

In het eerste deel van haar memoires beschrijft Nadezjda Mandelstam hoe zij na de arrestatie van haar man in mei 1938 haar toevlucht zocht bij Chardzjiëv. Ze oordeelde genadeloos over haar tijdgenoten en kon slechts respect opbrengen voor diegenen die, net als zij, niet bogen voor de Stalin-terreur. De lof die ze Chardzjiëv toezwaait in haar boek, wil dus wel wat zeggen. Hij was de enige, schreef ze, die haar en de dichteres Anna Achmatova in de moeilijkste periode van hun leven trouw was gebleven.

'Bij Nikolaj Ivanovitsj (Chardzjiëv) heb ik de eerste dagen na Mandelstams arrestatie en later ook de eerste dagen nadat ik het bericht van zijn dood gekregen had gelogeerd. Ik lag bewegingloos en leeg op bed, maar Nikolaj Ivanovitsj maakte zo nu en dan een paar worstjes warm en zei dat ik iets moest eten: 'Toe Nadja, hier heb je iets warms' of 'Toe Nadja, ze zijn heel duur. . .' Nikolaj Ivanovitsj probeerde mij met opbeurende grapjes, warme worstjes en dure bonbons die hij van zijn laatste geld kocht weer tot leven te brengen.'

Hun band duurde meer dan dertig jaar. Tijdens de Tweede Wereldoorlog correspondeerden ze en stelden ze zich bezorgd op de hoogte van elkaars lot. Achmatova suggereerde zelfs half serieus dat Nadezjda Mandelstam maar met Chardzjiëv moest trouwen. Toen Nadezjda de gedachte afwees, besloten de twee vriendinnen dat ze hem dan maar zouden delen. Ze voerden hun spelletje zover door dat ze Chardzjiëv een telegram stuurden met daarin het bericht dat hij hun 'gemeenschappelijke man' was geworden.

De sympathieke literatuurvorser en kunstkenner uit het eerste deel van haar memoires was in de latere notities van Nadezjda Mandelstam onherkenbaar. Ze kenschetste hem als iemand met een zieke geest die op z'n gunstigst medelijden verdiende. Dat ze haar mening over Chardzjiëv volkomen herzag en met hem brak, had alles te maken met zijn verzamelwoede.

Chardzjiëv was in het bezit van erg veel handschriften van Osip Mandelstam. Nadezjda had zijn gedichten door de Stalin-tijd gesleept door ze uit het hoofd te leren, ze ontelbare keren over te schrijven, te verstoppen en aan kennissen in bewaring te geven. In 1956, drie jaar na de dood van Stalin, de 'dooi' was begonnen, vatte een uitgeverij het plan op een bundel van Mandelstams gedichten te publiceren. Op voorspraak van Nadezjda kreeg Chardzjiëv de opdracht om de bloemlezing te bezorgen. Om een keuze te kunnen maken uit de gedichten en de tekstvarianten, bracht Nadezjda hem zoveel mogelijk bewaard gebleven originelen.

In 1967 was het boek nog steeds niet verschenen. Mandelstams werk bleef verboden en vrijwel onbekend in Rusland. Nadezjda, die dertig jaar lang van provincieplaats naar provincieplaats was getrokken, had pas in 1965 toestemming gekregen zich weer in Moskou te vestigen. Ze kon zich nu actief gaan bemoeien met het redden en verspreiden van Osip Mandelstams werk.

Ze wilde de handschriften laten fotograferen, opdat er in elk geval verscheidene exemplaren zouden bestaan. Maar Chardzjiëv saboteerde haar voornemen. Eerst was hij bang dat een fotograaf kopieën zou maken van de negatieven en die ongeautoriseerd zou gaan verspreiden. Nadezjda vond het een krankzinnige angst: hoe meer bekendheid de gedichten kregen hoe beter. Maar, zo merkte ze op, Chardzjiëv was er op gespitst een monopolie op de teksten te behouden met als doel 'ontdekkingen' te doen en daarmee roem te vergaren.

Ze gaf hem drie maanden de tijd een 'betrouwbare' fotograaf te vinden. Dat wou maar niet lukken. Nadat de termijn was verstreken, liet Chardzjiëv weten dat hij de handschriften niet kon missen omdat hij besloten had de bloemlezing aan te vullen met nog dertig gedichten. Hij had ze toen elf jaar in huis gehad.

In Chardzjiëvs archief, dat sinds de zomer van 1998 bij het Stedelijk Museum ter inzage ligt, vond ik een lange brief van Nadezjda Mandelstam die op de ruzie betrekking had. De aanhef luidde nog heel teder 'Lieve Nikolasja'. Met een reeks argumenten probeerde ze Chardzjiëv ervan te doordringen dat hij ongelijk had. Haar toon was ingehouden, zelfs beleefd, het lijkt alsof ze de gedachte niet verdroeg dat haar trouwe toeverlaat een kwelgeest bleek te zijn geworden.

Chardzjiëv was woedend dat ze waagde hem de waarheid te zeggen. 'Leugenachtige woordenbrij van een chanteuse!', heeft hij op de eerste bladzijde van haar brief gekalkt. De brief van Nadezjda Mandelstam, waaruit ik hieronder enkele fragmenten in vertaling weergeef, tekent pijnlijk scherp hoe bezeten Chardzjiëv zich gedroeg. De dagstempel op de envelop is onleesbaar, het jaartal is 1967.

'Lieve Nikolasja!,

Ik vraag u, neem deze brief ernstig. U moet toch ook rekening houden met andere mensen, en niet uw wil dicteren en met mensen breken, uitsluitend omdat ze iets anders dan u willen en sommige dingen anders zien.

U weet dat ik gedurende lange jaren een ballinge was. Juist daarom heeft alles zo'n wending genomen. Als ik normaal had kunnen leven (. . .), zou u naar mij toegekomen zijn, of ik naar u, en u zou telkens een klein stapeltje gedichten van mij hebben meegenomen, enzovoorts. Ik zou dan nooit afstand hebben gedaan van de gedichten, die als door een wonder waren gered en waaraan ik mijn leven helemaal heb gewijd.

Ik heb nu al anderhalf jaar een dak boven mijn hoofd, of liever gezegd, een plafond. (. . .) Ik heb alles in de allermoeilijkste tijd bewaard met gevaar voor mijn leven. Mag ik hun verdere bestaan aan het toeval overlaten? (. . .)

Voor wie bent u bang als het archief bij mij zou liggen? Voor mij? Voor mensen die foto's zouden stelen? Maar waarom zijn de teksten geheim? Aan die teksten is niet te zien welke u als de laatste en definitieve variant beschouwt, d.w.z. met behulp van die papieren is het onmogelijk uw werk te stelen. Wat is dan het probleem? Misschien denkt u dat ik ze zal gaan verkopen. Op grond waarvan vertrouwt u mij wat ik zelf bewaard heb, niet toe? (. . .)

Ik hunker mijn hele leven naar de handschriften waarvan ik gescheiden was. Voor mij zijn die velletjes een samenzijn met Osja. U bent waarschijnlijk vergeten dat u mij niets in handen hebt gegeven, dat ik met moeite enkele velletjes van u losgepeuterd heb om te gebruiken voor een boek in Praag (voor de foto's). Had u het recht om mij dat te ontzeggen? Mijn geestelijke gesteldheid heeft voor u nul en generlei betekenis, uitsluitend de uwe is van belang: u had het nodig dat die blaadjes in uw nabijheid waren. Ik heb u gespaard. Maar heeft u mij gespaard?

Ik denk aan de dood. Ik heb u dat verteld toen wij spraken over de foto's. Wie kan, op mij na, uitleg geven over wat er op welk moment is genoteerd, waar iets is geschreven, hoe iets is geschreven. Ik vind dat ik dat verplicht ben te doen om het verlies van documentatiemateriaal goed te maken. Anders zal er later god weet wat gedacht worden. Heb ik daar recht op? Ik heb u extra tijd gegeven voor het fotograferen. U kon in die tijd, zo niet fotograferen, dan toch zoveel u wilde aan de teksten werken. U heeft met mij zo weinig rekening gehouden dat u er niet over gepiekerd heeft om zelfs dat voor mij te doen. En mij ontneemt u de gelegenheid het werk te doen dat ik als mijn plicht beschouw. Waarom?

De handschriften zijn in slechte staat. Potlood vervaagt. Voor mijn overlijden moet alles nog een keer worden doorgelezen. (. . .) Waarom heb ik eerbied voor uw werk en u niet voor het mijne? U hoeft mijn werk niet goed te vinden. Dat is uw zaak. Maar mijn recht op dit werk kan niet betwist worden. Is het niet zo?

Ik ben er zeker van dat, als u er nog eens goed over nadenkt, u zult begrijpen dat u niet moet breken met mij, en ook niet met Osja. Het is aan u om te beslissen, maar ik ben tot elk contact met u bereid; ik hecht veel waarde aan onze jarenlange vriendschap, ik bewaar de herinnering aan het worstje, ik vind u een uitmuntende tekstcriticus en ik vertrouw u.

Sommige dingen weet u gewoon niet. Het zijn details die alleen ik weten kan. Het zou geen kwaad kunnen gebruik te maken van mijn kennis. Waarom zou u die negeren? U kent me, ik ben geen dwingeland. . . Een paar dateringen van proza en gedichten, bijvoorbeeld. Weldra komt de dood. Is het geen tijd dat ik wat afmaak?

En nu de conclusie. U neemt een veel hardere houding jegens mij in dan ik jegens u. Ik vind dat een breuk tussen ons idioot zou zijn, voor u en voor mij. Daarmee zouden alleen uw vijanden blij zijn. Wie heeft daar baat bij? (. . .)

Het hangt van u af. Beslis zelf, maar doe het niet onbesuisd.

Nadja.'

Het geduld van Nadezjda Mandelstam was na die brief op. Ze besloot tot een overval en nam iemand mee, voor wie Chardzjiëv de deur zeker zou open doen. Op de binnenplaats wachtten nog twee vrienden die indien nodig te hulp zouden schieten.

Tot haar verrassing deed Chardzjiëv, toen ze eenmaal bij hem binnen was gedrongen, uiterst voorkomend. Hij ging naar de kamer waar geen bezoeker toegang had, keerde terug en overhandigde haar plechtig een koffertje met manuscripten. Pas naderhand merkte ze dat hij dingen had achtergehouden. Na moeizame correspondentie (een tweede brief van haar in Chardzjiëvs archief levert daar bewijs van) en telefoongesprekken kreeg ze nog wel wat velletjes losgepeuterd, maar een aantal handschriften drukte hij naar haar zeggen achterover.

'Ik acht mijzelf in hoge mate schuldig aan het feit dat ik aan Chardzjiëv de uitgave van de gedichten en het archief heb toevertrouwd', schreef ze vol spijt in aantekeningen die na haar dood werden gepubliceerd. 'Zoals alle vrouwen heb ik dat gedaan uit vriendschap voor Chardzjiëv, zonder te letten op de waarschuwingen van mensen die al eerder om een of andere reden met hem in conflict waren gekomen. Je moet je nooit op één persoon verlaten. Gelukkig heb ik toch het grootste deel van het archief van hem teruggekregen. Als hij niet vernietigt wat bij hem is blijven hangen, hoop ik dat het in het archief belanden zal. Maar mijn schuld bestaat er uit dat ik zijn opschepperij ('ik ben de beste tekstcriticus in de Sovjet-Unie') en strooplikkerij heb geloofd. In dit opzicht was ik net zo'n malloot als alle wijven. Eigen schuld. De enige rechtvaardiging, of liever gezegd, verzachtende omstandigheid is dat ik niemand anders wist, dat ik dakloos door de Sovjet-Unie zwierf en dat ik die handschriften niet met mij kon meeslepen. . .'

In de Verenigde Staten was al jaren een driedelige Mandelstam verschenen, zijn gedichten en proza, toen eindelijk in 1973 de door Chardzjiëv geredigeerde bloemlezing uitkwam, de eerste Sovjet-uitgave na Mandelstams ondergang.

Nadezjda Mandelstam sabelde Chardzjiëvs redactie van de gedichten neer. Hij had verkeerde varianten gekozen, domme commentaren gemaakt, eigenmachtig in de teksten ingegrepen. Haar eigen exemplaar van de bundel voorzag ze in de kantlijn van woedende uithalen en scheldwoorden.

Het boek was toevallig in handen van een Moskouse literatuurhistoricus op het moment dat Nadezjda Mandelstam overleed. Vele jaren later publiceerde hij er een artikel over, geïllustreerd met foto's. Op de titelpagina staat in Nadezdja Mandelstams handschrift: 'Chardzjiëv (hoerenzoon) eunuch en marodeur.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden