'Populist? Dat moet dan maar'

Na acht jaar vertrekt Wim van Krimpen als directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag. ‘Dit is nu het beste museum van Nederland.’

De directiekamer op de eerste etage van het Gemeentemuseum in Den Haag biedt onbeperkt zicht op de Stadshouderslaan. Daar zoeken enkele touringcars moeizaam naar een vrije plek in de buurt van de entree – het is een doordeweekse dag.

Wim van Krimpen (67) keert zich aan het hoofd van de vergadertafel niet eens om. Hij spreidt de armen en keert de handpalmen naar het plafond. Het gebaar is quasi verontschuldigend bedoeld: kan hij er wat aan doen dat het hier vaak zo lekker druk is?

Natuurlijk heeft hij er wat aan gedaan. Van Krimpen poetst zijn aandeel – acht jaar spraakmakend directeursschap – niet weg. ‘Toen ik kwam, was dit het mooiste museum van Nederland. Mijn voorganger had het prachtig laten restaureren. Maar het bestuur vroeg: waar zijn de bezoekers? Dus zijn we min of meer opnieuw begonnen. Nu is dit ook het béste museum van Nederland. Met afstand. Het is perfect. Spic en span. Een geweldig tentoonstellingsprogramma. De begroting sluit. Er zijn reserves. En er komen drie keer zoveel mensen als toen ik begon.’

Vanavond, donderdag 11 december, is er een receptie ter gelegenheid van zijn afscheid. Wat hij daarna gaat doen, houdt hij nog voor zich. Vooruit, een tipje van de sluier: de kunst is nog niet van hem af.

CV
1941 - Geboren in Kloosterburen
1960 - Gymnasium, Rotterdam
1963 - Kandidaats rechten, VU Amsterdam
1964 - Mede-oprichter beurscentrum Rotterdam, directeur Binnenhuis
1970 - Directeur Beurscentrum Antwerpen
1978 - Galeriehouder in Amsterdam
1985 - Directeur KunstRAI
1988 - Directeur Kunsthal
1998 - Directeur Fries Museum
2000 - Directeur Gemeentemuseum]]>

Hij heeft er al zijn stempel gezet. Waar de Groningse domineeszoon (Kloosterburen, 1941) regeerde – eerst in de Kunsthal in Rotterdam, daarna het Fries Museum in Leeuwarden, vervolgens Den Haag – dwarrelde het stof op. Er waren massaal bezochte, en niet zelden door de kunstkritiek gekraakte tentoonstellingen. Er waren ongebruikelijke liaisons met het bedrijfsleven. Aanvaringen met architecten over hun schepping en met bestuurders over te volgen koers. Aan opvattingen en conventies uit de academische geschoolde wereld van kunstpauzen – zelf studeerde hij rechten – liet hij zich weinig gelegen liggen.

Er was altijd wat met Wim. Als lid van het miniconvent – de directeuren van de grote kunstmusea in Nederland – nam hij de Mondriaan Stichting op de korrel, de subsidieverdeler die te veel politiek zou bedrijven. Hij stootte een schilderij van de Russische avant-gardist Masjkov af, dat op een veiling 3,3 miljoen euro bleek op te brengen – de geschrokken buitenwacht vroeg zich af of die Van Krimpen eigenlijk wel wist wat hij in huis had. Dat de Iraanse kunstenares Sooreh Hera niet haar foto’s van homoseksuelen met een masker van de profeet Mohammed mocht laten zien, kwam de directeur op het verwijt te staan dat hij slappe knieën had.

Zijn manoeuvres in het museale bestel hebben zo zijn gevolgen. Hij staat te boek als autoritair, eigenwijs, provocatief. Zijn fixatie op bezoekersaantallen leverde hem het predicaat van populist op, of dat van koopman in de kunst. Het kan amicaler: Van Krimpen is een inventief en succesvol cultureel ondernemer.

De XX-ste eeuw is de tentoonstelling die zijn vertrek markeert; ‘hoe onvermoeibaar artistiek experiment de beeldende kunst telkens een nieuw gezicht geeft’.

‘Het is helemaal geen afscheid. Ik ga niet dood, of zo. Ik wilde iets laten zien: tot hier zijn we gekomen. Dit is ons museum. Dit is mijn visie.’

De kritiek was lauw. Wat u laat zien, is gefragmenteerd.
‘Lauw? Mijn natuurlijke vijanden, NRC Handelsblad en de Volkskrant waren lauw. Trouw was laaiend enthousiast. Het Parool ook. Wat zou de rode draad moeten zijn? De kunst gaat in die periode alle kanten op. We geven hints. Maar precies zeggen wat de 20ste eeuw is, dat kan ik niet. Dat kunnen jullie ook niet. Voor mij tellen de reacties van de bezoekers. Er is geen enkele relatie tussen negatieve recensies en de grootte van de belangstelling. Ondanks alle cynisme over de populist Van Krimpen gaat het hier maar beter en beter. Dus¿ ja.’

Zit dat imago u dwars?
‘Welnee. Mijn filosofie is: we maken twee tentoonstellingen per jaar die veel bezoekers trekken. In de overige exposities kunnen conservatoren doen wat zij interessant vinden. Toen ik vanmorgen hierheen reed, heb ik overwogen de catalogi van alle tentoonstellingen die hier zijn gehouden op tafel te laten zetten. Daar zouden jullie niet overheen kunnen kijken. Dit als illustratie dat wij alles doen wat de andere musea ook doen, en beter.’

Voelt u zich niet begrepen?
‘Ik begrijp die aversie niet. Waar komt dat vandaan? Dat ik op bezoekersaantallen let? Willen de critici liever niet dat er mensen komen? Exposities over Picasso, over Freud, dat kan iedereen, lees ik dan. Nou, Freud kan niet iedereen.’

Het voedt misschien het idee dat u net zo goed ook directeur van een circus had kunnen zijn. Als er maar volk komt.
‘Ik ben een domineeskind. Mijn vader wilde de kerk ook vol hebben. Ik had ook directeur van Ahoy in Rotterdam kunnen worden. Maar ik heb voor de kunst gekozen omdat ik een liefhebber ben. Het is voor mij een natuurlijke, primaire behoefte. Ik zie het als mijn taak mensen dichterbij de kunst te brengen. Daar ben ik al mijn hele leven mee bezig. Als daar het stempel van de populist op past, dan moet dat maar. Het is voor mij een eretitel geworden. Liefde voor de kunst en organisatietalent zijn bij mij gaan samenlopen, en aan dat soort mensen is behoefte.’

Bewijst die stapel catalogi niet dat u van het Gemeentemuseum vooral een tentoonstellingsmachine heeft gemaakt?
‘Dat vind ik zo’n merkwaardig verwijt. Ik heb in Rotterdam de Kunsthal opgezet. Er zouden blockbusters van de musea komen. Er kwam niks. Toen heb ik met nul gulden een programma gemaakt. Met liefde hoor, niks leuker. Ik heb wel gezegd: ik wil niet alleen het publiek van NRC Handelsblad en de Volkskrant, maar ook dat van het AD en de Telegraaf. Dat is gelukt. Toen ik hier werd benoemd, wilde ik kijken of mijn mentaliteit en ideeën ook in een klassiek museum werken. Voor mij tellen de drie P’s: programma, presentatie en publiciteit. En de mensen kwamen. Je ziet dat het Kunsthal-model school maakt. Oud-medewerkers krijgen belangrijke posten. Wim Pijbes directeur van het Rijksmuseum! Geweldig. Het bewijst dat de musea zich tegenwoordig minder naar binnen keren. Wij hebben ze opgejaagd. Wel ten koste van de inhoud, natuurlijk.’

Hier had het programma vaak weinig te maken met de collectie.
‘Ál onze tentoonstellingen zijn geënt op onze collectie. Klimmt, Permeke, Freud. Alles. Dat verhaal klopt niet. Ik ben toch directeur van het Gemeentemuseum? Het programma is opgebouwd samen met de conservatoren. Er is wel meer tempo in gekomen, ja. Ik hoor soms dat de werkdruk wat hoog is. Dan zeg ik: dat is ter compensatie van de tijd ervoor. De collectie is uitgebouwd. De Mondriaanverzameling staat op de rails. Ik heb collecties uit elkaar gehaald. Ik heb het Fotomuseum gesticht. Escher is apart gezet, in de binnenstad. Er is een museum voor actuele kunst bijgekomen. Niet verkeerd, lijkt me.’

Intussen zijn er onderdelen van de verzameling in de verdrukking gekomen. Mode, muziek...
‘Onzin. Absolute onzin. Wij maken elk jaar een grote modetentoonstelling, waar 100 duizend bezoekers op af komen. Ja, ik heb de winkels in de kelder opgeruimd, waar iedere keer een andere jurk achter een glazen raam stond. Doe ik daarmee de mode tekort? De mode functioneert geweldig. Er is nu tijd vrij voor documentatie. We hebben wel driehonderd jarretelles. Die worden allemaal beschreven. De muziekcollectie is geïnventariseerd, in orde gemaakt en staat klaar om te worden ondergebracht in het nieuwe muziekcentrum hier in Den Haag. Die verzameling is ooit door een faillissement hier naar binnen gevallen. We hadden er een vleugel mee vol staan. Behalve de conservator zag je er geen sterveling. Vroeger werden hier concertjes georganiseerd. Dan kwamen er 23 mensen uit Wassenaar. Daar zijn we niet voor. We zijn een kunstmuseum.’

Bij de Mondriaans loopt het ook niet storm. Moeten die dan ook maar de deur uit?
‘We hebben de opstelling zo gewijzigd dat er wel mensen komen.’

Te weinig voor de mooiste collectie ter wereld van de belangrijkste Nederlandse kunstenaar uit de 20ste eeuw. Vergelijk dat eens met de toeloop op het Van Gogh-museum.
‘We hebben geregeld tentoonstellingen gedaan met Mondriaan in verschillende context, er zijn genoeg publicaties. Je moet vaststellen dat de groep liefhebbers niet zo groot is. We hebben de Victory Boogie Woogie nu als een icoon opgehangen. Bezoekers komen binnen en steken gelijk de zaal over naar de andere kant. Begrijpen jullie het? Mondriaan is Van Gogh niet. Dat is mijn verklaring. Zeg niet dat we er niks mee doen.’

Bij een terugblik op uw loopbaan valt op dat er telkens conflicten waren. In Rotterdam, in Friesland, in Den Haag.
‘Conflicten? Hier in Den Haag niet. Mijn vrouw vroeg laatst nog: ze zijn zo tevreden met je, heb je het wel naar je zin? In Rotterdam botste het wel eens met Hans Kombrink die daar cultuurwethouder was. Hij stond achter het Museum Boijmans Van Beuningen, waar het met de dag slechter ging, en ik was van de Kunsthal, waar alleen maar meer mensen op af kwamen. Dan hield ik hem voor dat de Kunsthal hem jaarlijks 10 euro per bezoeker kostte, en Boijmans 140 euro. Dat was moeilijk voor hem. In Friesland was niet iedereen blij toen ik de stofkam door de collectie haalde. De zolder van het museum stond vol met verroeste eggen. Vijftien eggen! Ja, dan ben ik wel eens misschien te vlot met mijn commentaar dat elke oude fiets waar ooit een Fries op had gezeten kennelijk geldt als cultureel erfgoed, en dat het niet de bedoeling was dat alles in het museum belandde. Die eggen zijn dus verdwenen.’

Het stof dwarrelde ook letterlijk op. De drilboor ging steevast het gebouw in als u kwam.
‘Het Fries Museum had net een verbouwing achter de rug. Diagonale gangen, postmoderne poorten. Je kon er niks mee. Met dezelfde aannemer was de schade in twee maanden weer ongedaan gemaakt. Hier in Den Haag lag een gebouw – de Schamhart-vleugel – te verpieteren omdat een verbindingsgang was weggehaald. Daar zat dus na twee jaar het GEM in, met vier miljoen subsidie van de gemeente. In de Kunsthal was de relatie met Rem Koolhaas heftig. Briljant architect, maar hij houdt niet zo van mensen. Ik heb gezegd: buiten mag je het van mijn part van goud maken, binnen moet je langs mij. Hij wilde bijvoorbeeld een soort yoghurtvloer maken, hij belde ’s nachts op om te laten zien hoe het zou worden. Medewerkers goten kannetjes gekleurd rubber uit, en dan ging Rem er met een hark doorheen. Wat vind je ervan, vroeg hij dan. Dan zei ik: Rem, de vloer mag alle kleuren krijgen, als het maar grijs is. De gradatie bepaal jij. Ik heb het liefst donkergrijs. Het is lichtgrijs geworden.’

Los van de anekdotiek, kijk eens in de spiegel.
‘Als ik eenmaal ergens zit, dan wil ik het maximale uit de winkel halen, dat is het misschien. Ik heb ideeën, daar ga ik voor. Als er dan eens iemand in de weg staat, duw ik hem of haar zachtjes opzij.’

Is de Mondriaan Stichting ook zo’n obstakel?
‘De stichting probeert in te grijpen in de ontwikkeling van de Nederlandse musea. In de oorsprong is het een verdeelcentrum voor cultuurgeld – ik ben medeoprichter geweest. Maar het is een politiek instrument geworden. Dan moeten de musea ineens iets met India gaan doen. Of met Azië, en Afrika. De integratie bevorderen. Dan rijdt er een geklimatiseerde bus vol conservatoren door een ver land, met directeur Gitta Luiten aan het stuur. De flying doctors noem ik ze. Ik doe er niet aan mee. Geforceerd geduw. Als wij iets doen met Suriname, komen er én geen Surinamers én geen Nederlanders. Wat wel werkt: wij halen hier jaarlijks 20 duizend scholieren naar toe. Vanmorgen nog, ontmoette ik beneden een klas; van de 20 waren er 19 allochtoon. Dát is integratie.’

Maar de stichting mag toch bij een aanvraag wel opperen: zou je dat wel doen?
‘Alles mag. Maar zo is het niet opgezet. Ik vraag niks meer aan. We krijgen sinds een paar jaar 500 duizend euro van de bankgiroloterij, zonder voorwaarden. We hebben ongeveer 1 miljoen aankoopbudget en we krijgen 87 duizend euro van de Mondriaan Stichting. Zo zijn we onafhankelijk.’

Heeft u ooit wel eens gedacht: dat had ik beter niet kunnen doen?
‘¿ Nee. Ik zou het niet weten. Nou ja: ik ben in die acht jaar twee keer uitgevallen tegen medewerkers die op vrijdagmiddag om 4 uur, als de tentoonstelling om 5 uur open moest, tegen me zeiden: dat maken we maandag wel af. Dan raak je bij mij een heel verkeerde snaar.’

De weigering van Sooreh Hera, misschien?
‘Daar ga ik niets over zeggen. Ik heb al veel te veel reclame gemaakt voor dat meisje. Ze heeft mij misbruikt om publiciteit te creëren door mij een held te noemen die gevaar liep. Het was pure uitlokking.’

De foto’s hangen in het MuseumGoudA. Er is niks gebeurd.
‘Waarom zou dat ook? Die foto’s zijn op duizenden plekken te zien geweest. Bovendien: ik ben nooit bedreigd. Laten we er over ophouden.’

Wat ziet u als een hoogtepunt in de afgelopen acht jaar?
‘Wat we bereikt hebben met de groep mensen die hier al zat – ik heb bij mijn komst geen hofhouding om me heen gebouwd, wat je wel meer ziet. Daar ben ik absoluut trots op. We zijn slagvaardig opgetreden. We hebben wel eens wat ge- en verbouwd voordat de vergunningen er waren, maar dat heb ik geleerd: als je iets vraagt aan een ambtenaar is het antwoord per definitie nee. Eerst uitvoeren, dan voorleggen. Dat werkt heel goed.’

Is er ook iets niet gelukt?
‘Nou, eh... O ja, het plan voor een muziekmuseum in de winkelpassage hier in de binnenstad. Een projectontwikkelaar had me benaderd. Maar dan komt er iemand, die biedt meer, en nu zit er een fitnesscentrum. We hadden ook ideeën voor een modemuseum, op de bovenverdieping van een bioscoopcomplex. Ook daar staan nu de hometrainers. Verder zoeken we nog naar mogelijkheden meer Hagenaars hier te krijgen. Dat zijn er jaarlijks 20- tot 25 duizend, en dat was acht jaar geleden ook zo. Dat is niet genoeg. De komende vier jaar gaan we wijk voor wijk bestoken. We kijken naar samenstelling, belangstelling, naar geloof zelfs. Daar gaan we programma’s op loslaten. Iedere Hagenaar moet over vier jaar in het Gemeentemuseum zijn geweest.’

Is acht jaar directeursschap genoeg?
‘Museumdirecteuren moeten maximaal zeven jaar op een plek zitten. Dan komt er een soort verzadiging. Het museum is klaar. Technisch is het in orde. Financieel klopt het. We krijgen 8,5 miljoen euro subsidie van de gemeente, 30 procent van de omzet genereren we zelf. De schwung zit erin. Mijn opvolger kan zich helemaal inhoudelijk met het museum bezig houden.’

U wilt nog één aankoop doen, begrepen we.
‘Een vliegtuig van Panamarenko, ja. We hebben het al in bruikleen. De vraagprijs was 500 duizend euro, we kunnen het voor 380 duizend aankopen. De aanvragen voor een bijdrage zijn de deur uit. Wat mij er zo aan fascineert?... Zo’n vliegtuig waarvan je niet zeker weet of het loskomt van de wereld... Maar stop. Hier laat ik het bij. Toen ik hier begon heb ik een expositie gemaakt, Pleidooi voor intuïtie. Ik wil er niet aan mee doen, aan dat beredeneerd praten over de kunst. Prietpraat, ja. Instandhouding van de groep. Ik hoef daar echt niet bij te horen.’

Wim van Krimpen (Joost van den Broek / de Volkskrant) Beeld
Wim van Krimpen (Joost van den Broek / de Volkskrant)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden