Poppy en Eddie

Even stupide als briljante liefdesroman met slapstickelementen

Zijn schrijverschap is een aandoening, een soort Gilles de la Tourette. Niet de schuimbekkende versie, maar een literaire die zich uit in even zoveel fijne zinnen en goeie vondsten als in beledigingen, platvloers- en krankzinnigheden. Herman Brusselmans (1957) is een dwangmatig schrijver. Hij schreef zoveel, dat zijn uitgever de lijst van zestig titels niet langer opneemt in een nieuwe roman.

In Poppy en Eddie noemt de auteur zichzelf de schrijver van het terugkerende riedeltje. 'Mocht ik geen schrijver zijn maar een blokfluitspeler, ik zou dertig jaar op dezelfde blokfluit spelen.' We zijn gewaarschuwd.

Vanaf de eerste bladzijde gaat het los. De schrijver bevindt zich in Waarschoot, een dorp ten zuiden van een rivier. Hij verblijft daar met zijn nieuwe minnares, 'een zwarte negerin met een bruin gat. Haar naam was Para, afkorting van Paraplubak.' Bongo Bongo luidt haar achternaam. Ze lijkt haar waterloo te vinden wanneer zij met haar brommer in een donker bos tegen een boom rijdt.

Volgen tal van ontwikkelingen die eigenlijk geen ontwikkelingen zijn maar eerder ontmoetingen met personages die in de ene alinea opkomen en in een volgende alweer afgaan. Slapstick is het. Een strip zonder plaatjes. Pas na vele bladzijden vol (on)gein en woordgespuis lijken we ergens naar toe te lezen: de borstkanker van Poppy. Brusselmans modelleerde haar naar zijn ex-vrouw, Tania, die hem een aantal jaren geleden verliet. Het paar heeft geen kinderen, wel een hondje, Eddie, dat vrolijk aanwezig is in de roman. Veel wijzer over Poppy's ziekte worden we overigens niet. We lezen dat ze kaal en moe is van de chemo, desondanks ziet ze er volgens de schrijver goed uit. Als dat geen liefde is. De twee zien elkaar nu en dan, drinken soms een borrel en roken een sigaret wat Brusselmans tot de mijmering brengt dat Poppy nog altijd zijn meisje is, zijn meisje van 49. Een constante in het oeuvre van de Vlaamse schrijver; die hondse trouw aan zijn muze.

Een andere vaste beslommering is het schrijverschap. Vele opmerkingen daarover zijn dwaas, maar even zovele zijn onverbiddelijk: 'Ik grossier in levenden en doden, en fantasieën en realiteiten, en onuitwisbare woorden en uitgegomde woorden. Net daardoor dat ik een auteur ben.'

In de categorie idioterieën lezen we dat Brusselmans aan een reeks nieuwe romans werkt, waaronder De moord op de poetsvrouw van Hugo Claus en Klompdemissie. Hij vermoedt dat die laatste tot mislukken is gedoemd omdat het hoofdpersonage al sterft in de eerste zin, die luidt: 'Verdomme, ik ben dood.'

Een van de meligste grappen: 'We kwamen aan in de hal. 'Hier is de hal', zei Maya.

'Wat een hal', zei ik. 'Hij is ontworpen door twee architecten', zei Maya. 'Dat weet ik', zei ik, 'door Hal en Oates.''

Brusselmans' humor is van elastiek zo rekbaar dat een grap makkelijk in z'n tegendeel kan omslaan. Dat maakt het lastig het werk te classificeren; het is briljant en stupide tegelijkertijd. Dat zou neerkomen op 1 ster én 4 sterren. Maakt samen 5, gedeeld door 2, ronden we af naar boven, wordt 3. Daarmee doe je Brusselmans zowel tekort als dat je hem te ruim bedeeld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden