Popliterair Payola teert op nostalgie

Bij Jimi Hendrix en The Who ontwaakte je, tegen de tijd dat Roxy Music en Little Feat langskwamen stond je helemaal op scherp, de punkgolf kwam met enige vertraging pas met Rocket to Russia goed door, en van de meeste new wave-groepen miste je de eerste lp....

Sindsdien is de achterstand alleen maar toegenomen, zodat je nu vanuit de verte naar house, jungle en drums 'n' bass tuurt, in de vaste overtuiging dat van alles wat zich nu in de frontlinie roert, je het wezen helaas nooit zult doorgronden.

Het is de tragiek van de popliefhebber dat hij een muziek heeft omarmd die steeds door een nieuwe generatie wordt voortgejaagd, terwijl jij je leven lang tot dezelfde generatie bent veroordeeld. Een generatie die er naarmate de jaren verstrijken steeds minder toe doet. In arren moede kom je dan bijna vanzelf terecht bij muziek uit een tijd voordat je zelf een bewuste voorkeur ontwikkelde.

Tegen de tijd dat je enigszins in staat bent je opvattingen coherent en overtuigend onder woorden te brengen, zijn je voorkeuren achterhaald. Dat proces heeft iets treurigs, maar je hebt de woorden ter beschikking om dat te maskeren en zo je waardigheid te behouden.

Het nieuwe tijdschrift Payola (redactie: Roel Bentz van den Berg, Martin Bril, Pieter Steinz en Joost Zwagerman) lijkt gemaakt om dat proces te illustreren. Popliterair tijdschrift, luidt de wat nare ondertitel van dit blad, dat 'literair' geschreven stukken over een massa-fenomeen wil brengen. Zoals Hard Gras nu al een paar jaar met succes iets toevoegt aan wat kranten en weekbladen over voetbal schrijven, zo wil Payola de popmuziek tegemoettreden.

Een goedgeschreven, serieus Nederlandstalig blad over popmuziek zou in een lacune voorzien. Maar dat is niet de plaats die Payola zichzelf toedenkt. Dan zou de actualiteit een leidraad zijn, dan zou er geschreven worden over de muziek die op dit moment betekenis heeft. Terwijl de Payola-schrijvers het alleen willen hebben over de muziek die er voor hen toe doet, die ze koesteren en zo te lezen vaak al een leven lang met zich meedragen.

Het gaat de mannen van Payola (nergens een vrouw te bekennen: niet als auteur, ook niet als popmuzikant) eigenlijk niet eens zozeer om de muziek. De lezer hoeft ook niet van popmuziek te houden, schrijft Joost Zwagerman in zijn redactionele Vooraf. Het gaat hier vooral om het bedrijven van literatuur. 'Slechte smaak is niet verboden, slecht schrijven wel.'

Daarmee neem je als redactie een verplichting op je. Bijvoorbeeld om zo'n plichtmatig Vooraf niet te plaatsen. En om alle nepliteratuur te weren. Zoals het verhaal van Roel Bentz van den Berg over de dood van Del Shannon, dat gebukt gaat onder van Duitse Kapitalen voorziene Dikdoenerij.

Dan moet je 'nee' zeggen tegen Ronald Giphart & Bert Natter, die zich in hun stuk over XTC te buiten gaan aan kletspraat waar je heel kregel van kunt worden. Dan stuur je het Teutoonse stuk van Serge van Duijnhoven over een avondje house bij wijze van open sollicitatie door naar weer een heel ander muziekblad. Tegen Nanne Tepper - die met de Eeuwige jachtvelden toch zo'n prachtig romandebuut op zijn naam heeft staan - zeg je dat hij z'n bijdrage over gangsta rap nog eens goed moet nalezen, want dat het geen pas geeft om de lezer met zoveel in kromme zinnen gevatte naïveteit lastig te vallen en dat ook nog eens essay te noemen.

Dan stel je vervolgens tot je verbazing vast dat er maar een paar aardige stukken overblijven. Martin Bril maakte fictie van een pelgrimage naar het Duitse dorpje Bad Neuheim, waar ooit Elvis Presley gelegerd was. Hij gebruikt daarbij globaal hetzelfde materiaal als Rob van Scheers in zijn onlangs verschenen boek Elvis in Nederland. Maar Bril heeft z'n reis adequaat verliteratuurd. Al word je moe van al die zinnetjes die tot staan komen lang voordat de eerste komma in zicht is. Ook de teksten van Huub van der Lubbe over De Dijk in Moskou vallen op, juist omdat ze prettig rechtvooruit geschreven zijn.

Het enige stuk dat het echt verdient in een tijdschrift te worden bewaard is dat van P.F Thomése. Ogenschijnlijk gaat het over een concert van de niet zo heel erg beroemde soulzanger Solomon Burke in Paradiso. In werkelijkheid weet de schrijver virtuoos te voorkomen dat de lezer voor het einde doorkrijgt dat er eigenlijk hoegenaamd niets aan de hand is.

Solomon Burke, The Four Tops, XTC, Elvis Presley, The Beatles, Del Shannon en zomaar een lofzang op de steelguitar - alsof Hard Gras alleen over Bennie Wijnstekers, Faas Wilkes en de voor- en nadelen van de stopperspil zou schrijven.

Op zeker moment bereik je vast en zeker de leeftijd dat je gaat denken dat vroeger alles beter was. Dat deze muziekliefhebbers moeite doen om je daarvan te overtuigen, heeft iets ontroerends. Maar het stemt toch ook wel treurig.

Jan Donkers relativeert die nostalgie als hij terugblikt op de recensie die hij in het blad Aloha (waarin goed schrijven en actualiteit trouwens samengingen) over After the Goldrush van Neil Young schreef: 'Laat ik er geen twijfel over (laten) bestaan dat ik degene die 27 jaar geleden deze recensie schreef een aanstellerig, om aandacht bedelend en uiteindelijk nogal verachtelijk persoon vind.'

Ariejan Korteweg

Payola, literair tijdschrift over popmuziek. 1 - 1. Podium, ¿ 17,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden