Poëzie schrijven is bijna een gewoonte geworden. Maar is het ook een behoefte?

Column Remco Campert

Ik heb zojuist de drukproeven van mijn nieuwe poëziebundel nagekeken en zit nu een beetje te mijmeren. Zal ik hierna weer poëzie schrijven? Het zal haast wel, want het is nooit anders geweest. Het is bijna een gewoonte geworden. Maar is het ook een behoefte? Zou ik zonder kunnen? Kan ik iets beters verzinnen dan het schrijven van poëzie? Iets gevaarlijkers, iets avontuuurlijkers.

Wat ik bijvoorbeeld nauwelijks meer doe is reizen. Een ritje met de tram, veel verder kom ik niet. Ik reis alleen nog in mijn hoofd. Mijn hoofd omvat veel landen. Mijn herinneringen vervagen. Was het Frankrijk, Amerika, Spanje? Zal ik ooit nog mijn koffers pakken?

In Anna Enquists bundel Klaarlichte dag (Arbeiderspers, 1996) vind ik het gedicht 'Reizen':

Een schoorvoetende reiziger
van het bed naar de tafel
die mijn zware armen steunt.
Het papier drinkt de inkt.
De woorden willen wel weg,
ze verheugen zich op roomwitte
geribbelde stranden, op de lichtflits
van een omzwiepende bladzijde.

Wie zullen ze zoenen in het donker,
wie zal hen zien. Reislustig
zijn ze, de woorden, ze verdringen
zich voor de uitgang.
Van het bed naar de keuken
maak ik de kleine rondreis
naar de tuin naar de tafel.

Ja, dat herken ik. Vergezeld van mijn woorden maak ook ik de dagelijkse rondreis van bed naar keuken, van tuin naar tafel. Het is allemaal klein en benauwend geworden. Zal ooit iets mij nog naar buiten lokken?

'De weerklank van de lokroep' is de titel van een gedicht in de bundel Wasdom van Hagar Peeters (Bezige Bij, 2011):

Ik geef gehoor aan een niet geuite lokroep
die geheel en al buiten mij om gaat,
mijn aanwezigheid slaakt zonder mij daarin te kennen,
aantrekking die ondanks mijzelf van mij uitgaat.

Met beide handen uitgestrekt als een slaapwandelaarster
meander ik langs meubels, de afgronden van de kamer
nader waar mijn radars mij brengen
daar waar gestrekte armen
zich in de armen van een ander bergen.
Ik doe me te goed, loop te hoop op botten,
spieren of bloed, stuit tegen muren,
kets af op gepantserde harten
want niemand riep me op zich toe,
niets verzocht me te komen
dan de roep die ik in mijzelf hoorde.

Meer over