Poëzie gevist uit een vuilgoedzak PIERRE H. DUBOIS WIJST OP SCHADUW GEWORDEN SCHRIJVERS

SCHRIJVERS DIE over schrijvers schrijven, schrijven altijd ook over zichzelf. Soms zelfs in hoofdzaak. Dit is, verre van een aantijging of het signaleren van een tekortkoming, enkel bedoeld als waardevrije vaststelling....

Vorig jaar publiceerde Atte Jongstra een essaybundel over uiteenlopende inspiratiebronnen, zoals Willem Brakman, Multatuli, Laurence Sterne, Montaigne en Gogol. De titel van dat vrolijke boek is Familieportret. Kriskras lezend door de eeuwen heen, plukt Jongstra wat van zijn gading is. Bont en grillig als zijn eigen toon en werkwijze is de familie die hij om zich heen formeert. Zonder poeha verduidelijkt hij, via zijn oprechte interesse voor de genoemden, zijn eigen schrijverschap.

De Haagse letterkundige Pierre H. Dubois (1917) heeft in de loop der decennia een omvangrijk oeuvre aan poëzie en romans geschreven. Toch berust zijn faam voornamelijk op zijn essays en memoires. Net als bij J. Greshoff, met wie hij lange tijd bevriend is geweest, schuilt het belang van Dubois eerst en vooral in zijn rol als stimulator van andere schrijvers, en voorts in het beschrijven van hun persoonlijkheden en werken. Anders dan bij Jongstra, is het belang van de memoires die Dubois schrijft niet zozeer dat ze over de band van die anderen inzicht in zijn eigen scheppende arbeid verschaffen. Zijn oeuvre is daar, ofschoon respectabel, niet belangrijk genoeg voor. Wel verklaren zijn stukken over bevriende en bewonderde schrijvers veel over de persoon van de essayist.

Het familieportret dat Dubois samenstelde in Over de grens van de tijd werpt licht op een man die is doordesemd van de mentaliteit die het tijdschrift Forum (1932-1936) kenmerkte. Net als Ter Braak en Du Perron, wier felle individualisme grote indruk maakte op de jongere Dubois, wijst hij er steeds op dat een schrijver eerst dan interessant is, wanneer die de eigen persoon in zijn literaire werk meebrengt. Voor de Forum-voormannen was die houding mede een protestactie tegen de vigerende weekheid en verzuiling van hun tijdsgewricht.

Nu Dubois anno 1997 nog altijd de Forum-gedachte blijkt toegedaan, kan men ook scherp zien wat de beperkingen van deze beoordelingsmethode zijn. De meer hermetische taalkunstenaars kunnen het gevoeglijk schudden te mogen rekenen op de sympathie van deze essayist. Zijn subjectivisme leunt op de vooronderstelling dat een auteur die al zijn kaarten op tafel legt, eerlijker en daarom beter is dan het terughoudender type, dat er nu juist op uit is in zijn werk te ontkomen aan het hoogstpersoonlijke.

Het inmiddels ietwat verouderde persoonlijkheidscriterium verleidt Dubois soms tot beknorringen aangaande de moderne tijd, waarin zijns inziens het individu steeds meer ondersneeuwt door de terreur van het collectief en de media. Kwalijker is dat hij ook af en toe betwistbare oordelen ventileert. Zo acht hij de poëzie van J.C. Bloem weergaloos, omdat woorden en ritme werkelijke gevoelens uitdrukken, die zijn gedichten een universele geldigheid geven. Daar kan tegen ingebracht worden dat Bloems verzen niet prijzenswaard zijn omdat de gevoelens werkelijk zijn, ongeacht of ze dat zijn (en bewijs dat maar eens). Het unieke van Bloem is wellicht veeleer dat zijn poëzie de indruk wekt dat het leven zó en niet anders in elkaar steekt. Hoe komt het dat zoveel lezers denken: ja, hier staat het voor eens en altijd gebeiteld. En, daaruit voortvloeiend: hoe kan het dat minder getalenteerde poëten die beschikken over even algemeen geldige en werkelijke gevoelens er niettemin minder van bakken? Dubois verkleint het raadsel, en dat is een nadeel voor de waarde van zijn essay.

Deze kanttekening laat onverlet dat hij in veel van zijn stukken vonken kan laten overspringen. Als beminnelijke letterenbaas zul je hem geen ponjaard zien drijven in het hart van zijn vijanden. Een begeesterde driftkikker als Du Perron is hij niet. Liever wijst Dubois op schaduw geworden schrijvers, of op aspecten van hen die nog wel een naam hebben, maar die feitelijk nauwelijks nog worden gelezen.

Geen hond die nog wel eens bladert in de doodkist van zeven delen Verzameld Werk van de criticus en dichter P.N. van Eyck (1887-1954). Maar lees de beschouwing van Dubois, die niet verzwijgt dat 's mans bloedserieuze werk van een hoge abstractiegraad is, en je krijgt toch de behoefte deze stom geworden stem uit de vaderlandse letterkunde weer te horen. Eerbiedig prikt Dubois door het pantser heen, en toont aan dat Van Eyck in zijn werk stilaan een evenwicht bereikte tussen gevoel en intellect.

Nog nieuwsgieriger word je van het hoofdstuk over Albert Besnard (1887-1966), een avonturier wiens eerste gedichten door Dubois en andere vrienden uit een vuilgoedzak werden opgediept, gestreken en vervolgens uitgegeven. In de jaren vijftig schreef Besnard, halsstarrig tegen de mode in, lange gedichten in alexandrijnen. Al zou zijn poëzie tegenwoordig niet meer meekunnen, een biografische schets (met toepasselijke verzen doorschoten) van deze eigenzinnige schrijver zou welkom zijn. En dat geldt eens temeer voor Jan van Nijlen (1884-1965), die niet wist waarin mens en mandril verschilden, welke pessimistische levensvisie hem niet belette in het Brusselse café Au Vieux Spijtigen Duivel menig bierdeel achter de das te leggen. De enkeling die de Verzamelde gedichten van deze joliger collega van Bloem kent, zal genieten van de herinneringen die Dubois ophaalt, en instemmend knikken bij zijn vraag om hernieuwde aandacht voor deze Vlaamse schrijver.

Willem Elsschot was geen koele kikker maar bedwong zijn overgevoeligheid door zijn schijnbaar koude stijl. Dat beweert Dubois, die ten bewijze hiervan een beroep moet doen op de correspondentie van de Vlaamse maestro. Een Du Perroneske manier van argumenteren, om de (niet voor publicatie bestemde) egodocumenten als hard materiaal aan te voeren bij een stelling over iemands fictie. En alweer: zo het al waar is, van die overgevoeligheid, dan is dat nog niet de reden waarom het proza van Elsschot uitblinkt in ironische soberheid. Het zit hem in de stijl. Het zij toegegeven: dat is een saaier verhaal dan Dubois vertelt, maar het benadert het geheim van een schrijverschap dichter. Het essay in Over de grens van de tijd is daarmee nog niet zinloos geworden, want ook de tegenspraak die Dubois uitlokt, leidt de lezer zonder dralen terug naar het werk van de besproken auteur.

Dat is de grote verdienste: dat we ze weer willen gaan lezen: Allard Pierson, Maurice Gilliams, Cola Debrot en Herman Teirlinck (1879-1967). Aan de laatste wijdde Atte Jongstra in zijn Familieportret toevallig ook al een hoofdstuk. Daar ging het om de roman Het gevecht met de engel, terwijl Dubois een lans breekt voor de laatste roman Zelfportret of het galgemaal, vanzelfsprekend omdat daarin de persoon van de schrijver zo evident door de vertelling steekt. Beide essayisten leveren bloedstollende citaten van een schitterend stilist. Het zou van een grove ondankbaarheid getuigen indien de nobele drang van de essayist Dubois om niet, of weinig, of verkeerd gelezen schrijvers te rehabiliteren, met onverschilligheid zou worden bejegend. 't Is waar: zo'n handreiker tref je in deze tijden niet veel meer aan.

Arjan Peters

Pierre H. Dubois: Over de grens van de tijd.

Nijgh & Van Ditmar; 360 pagina's; ¿ 49,90.

ISBN 90 388 1387 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden