Poëtische escapisten, met neiging tot verslaving

Zo succesvol als het personage Ernst Quispel is, zo treurig is het verhaal van het personage Albert Egberts. Communicerende vaten zijn het.

Groepsportret. Beeld Peter van Straaten

Er zijn veel redenen om me op Kwaadschiks te verheugen, maar één ervan is dat Ernst Quispel er een hoofdrol in speelt, de strafpleiter die we kennen uit Advocaat van de hanen, het in 1990 verschenen deel 4 van de romancyclus De tandeloze tijd. Ik wil graag weten hoe het die arme man, die aan het eind van die schitterende roman álles kwijt was, zijn vrouw, zijn naam en het recht om zijn beroep uit te oefenen, is vergaan. Kennelijk mag hij als advocaat weer meedoen, want in Kwaadschiks verdedigt hij een reclameman die wraak wil nemen op zijn ex-vriendin. Aan het eind van deel 4 besloot hij zich dood te drinken. Dat is dus niet gelukt.

Ernst Quispel is op het eerste gezicht een enorme klootzak. Voormalig corpsbal, zoontje uit een Haarlems advocatengeslacht. Na een ruzie met zijn vader gaat hij in de jaren zeventig werken bij een sociaal advocatencollectief, maar in de jaren tachtig lokt toch het geld. Hij kiest mediagenieke zaken, zoals de zaak van Kiliaan Noppen, een kraker die dood in zijn politiecel is aangetroffen. Ook verdedigt hij met succes toneelschrijver Albert Egberts, die is aangeklaagd wegens majesteitsschennis. Quispel is getrouwd met de beeldschone Zwanet - ex-vriendinnetje van Albert Egberts - van wie hij niet echt houdt, en heeft met haar een dochtertje om wie hij zich nauwelijks bekommert.

Toch slaagt Van der Heijden erin sympathie voor deze kwast te wekken. Hij toont hem in zijn zwakte. Quispel lijdt aan dipsomanie, een dwangmatige neiging zich af en toe onder te dompelen in alcohol. Drie weken per jaar verzaakt Quispel al zijn plichten en struint hij de kroegen af. Hij is dan in een eufore stemming en stroomt over van liefde. Een afschuwelijke kater volgt. In zijn verliefdheid op de wereld maakt hij onherstelbare fouten, in zijn werk en in de liefde. Terwijl Ernst op Schiermonnikoog zuipend zijn 'wittebroodsweken' viert, verliest hij Zwanet aan zijn oude rivaal, Albert.

'Als het schrijven ophoudt, houdt alles op' (+)

De afgelopen jaren ontving A.F.Th. van der Heijden zelden iemand in zijn werkkamer. Nu spreekt hij er uitgebreid over zijn schrijversleven en zijn nieuwste roman, Kwaadschiks, waarin hij een psychopaat ontleedt. Lees hier het interview.

Over Albert weten we bij het uitkomen van deel 4 al veel, uit Slag om de Blauwbrug, Vallende ouders en De gevarendriehoek, maar niet alles: pas in de in 1996 verschenen delen 3 lezen we hoe Ernst, Albert en Zwanet elkaar kennen. Zo bevoorrecht en succesvol Quispel is, zo treurig is het levensverhaal van Egberts. Opgegroeid in Geldrop, als zoon van een alcoholische lakspuiter die als hij dronken is zijn vrouw en kinderen belaagt. Als eerste in zijn familie gaat Albert studeren - 'doctorandus, godsjongens nog aan toe' - filosofie en psychologie. De katholieke rijkeluiszoontjes in Nijmegen blijken nu in Marx te geloven. Van studeren komt niet veel. Albert heeft het druk met ouwehoeren in het café, met zijn vele vriendinnetjes en met de roman die hij wil schrijven. Na zijn kandidaats gaat hij naar Amsterdam. Maar daar komt hij volledig tot stilstand: hij raakt verslaafd aan heroïne en trekt gewapend met een schaar door de stad om auto's open te breken.

Laat het maar aan Van der Heijden over om de boel volkomen op zijn op kop te zetten: niet de junk Egberts is uiteindelijk de loser, maar de advocaat. Stond Albert op de dag van de kroning van de nieuwe koningin verdwaasd met een steen in zijn hand, op het punt die te gooien, enkele jaren later staat hij op het nazitje van een opera waarvoor hij het libretto heeft geschreven gezellig met diezelfde koningin te babbelen, en maakt zij met hem grapjes over majesteitsschennis.

Egberts en Quispel zijn communicerende vaten. Op een foto van het tafereel met de koningin die Quispel in de krant ziet, staat ook Zwanet, die bezorgd toekijkt. Dan weet Quispel dat hij haar kwijt is. Hij begrijpt ook waarom hij de laatste weken ineens verschrikkelijk verliefd is op zijn vrouw: de liefde van Albert heeft haar in bloei gezet.

Beide dertigers zijn typerend voor hun tijd, de jaren tachtig, de vastgelopen sociale klimmer en de mislukte advocaat. Ze lijken op elkaar, die twee. Beiden willen liever niet volwassen worden. Het speelkwartier van hun jeugd leek eindeloos te duren. Beiden zijn welbespraakte, poëtische escapisten, met neiging tot verslaving. Allebei hebben ze wat te verrekenen met hun vader. Ze willen een jongen blijven, de engelachtige zoon van hun moeder.

Zelfs hun gedeeltelijke impotentie hebben ze gemeen, die van hen een belangeloze minnaar maakt; ze houden meer van de belofte dan van de inlossing, meer van het 'leven in de breedte', het eindeloos verwijlen in het moment, dan van de meedogenloos doortikkende echte tijd. Ze willen, net als de schrijver, de tijd stilzetten, van zijn scherpe tanden ontdoen. Door beide personages kan A.F.Th. zijn eigen bloed laten stromen, zonder met een van hen samen te vallen. Aan het 'eindeloos uitvouwbaar leporelloboek' dat zijn romancyclus is, hoeft nooit een eind te komen.

Bij gebrek aan geld hebben we decennia lang waardeloze rommel opgepot, en ontvingen stof als rente. Elk prul dat verdiende weggesmeten te worden, vroor onmiddellijk aan je vingers vast, als een spijker bestemd voor het Behouden Huis op Nova Zembla.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden