Podiumbeest met Satchmo-gegrom

Tong uit de mond, kreunend, ogen uit de kassen puilend - dat was Lionel Hampton. De vibrafonist, die afgelopen zaterdag overleed op 94-jarige leeftijd.

HET is hem helaas niet gegeven in het harnas te sterven, op het toneel; de laatste jaren was hij te veel verzwakt om op te treden. Lionel Hampton, vibrafonist, drummer, pianist, zanger, podiumbeest en een van de meest geliefde entertainers uit de jazzgeschiedenis, overleed zaterdag in een New Yorks ziekenhuis aan een hartstilstand, 94 jaar oud.

Hampton, een ster van het swingtijdperk en met zijn opwindende big band een van de wegbereiders van de rock 'n' roll, werd geboren in 1908 in Louisville, Kentucky, en leerde drummen van een Dominicaanse non op een katholieke school in Kenosha, Wisconsin.

Zijn voornaamste bijdrage aan de jazzgeschiedenis begon volgens de overlevering in 1930, toen hij bij een platensessie Louis Armstrong begeleidde, als drummer van het Les Hite Orchestra. In de hoek van de studio stond een vibrafoon, en Armstrong vroeg Hampton of hij daarop kon spelen. Lionel had in zijn jeugd wel eens xylofoon gespeeld, en wilde dit ook best proberen; na drie kwartier oefenen achtte hij zich goed genoeg voor de opname van Memories Of You.

Hij groeide al snel uit tot de eerste meestersolist op dat instrument in de jazz, met een even percussieve als zangerige stijl die alle generaties na hem beïnvloed heeft. Hij kon fel tekeergaan, de ritmische spanning steeds verder opvoerend, maar ook lyrisch en harmonisch doorwrocht een melodie variëren, zoals in zijn klassieke versie van Stardust uit 1947. Veel van zijn beste improvisaties speelde hij in de jaren dertig in het beroemde kwartet van klarinettist Benny Goodman, de eerste groep die de rassenscheiding op de Amerikaanse podia doorbrak.

Toen Hampton ermee begon was de vibrafoon nog een rariteit in jazzorkesten, dus begon hij in 1936 maar zijn eigen band, om zijn vernieuwende spel flink aan bod te laten komen. De leider had een goede neus voor jong talent; latere grootheden als Clifford Brown, Quincy Jones, Charles Mingus, Dexter Gordon, Betty Carter en Dinah Washington kregen bij hem hun eerste bekendheid.

Hij drilde ze keihard tot ze in zijn geoliede swingmachine pasten, maar 'they all got a living and a chance, and I didn't hold 'em back'. Hij nam zelfs een van Mingus' vroegste composities op, Mingus Fingers, in 1947.

De zaal platspelen had altijd de hoogste prioriteit voor de Hampton-bands. Dat lukte hem tot op hoge leeftijd, dankzij zwaar op de rhythm en blues en de backbeat leunende meezingers als Hey! Ba-Ba-Rebop en meedogenloze stampers als Flying Home, zijn bekendste stuk, dat oorspronkelijk werd opgeluisterd door een legendarische, loeiende en grommende solo van tenorsaxofonist Illinois Jacquet.

Ook toen hij steeds meer op die oude successen ging teren, bleef hij een goede en geloofwaardige show weggeven. De baas bewerkte de drums, speelde tweevingerig piano, zong met een Satch mo-achtig gegrom, en leefde zich vooral uit op de 'vibes' - tong uit de mond, kreunend, ogen uit de kassen puilend met de blik gericht op een andere, euforische we-reld.

Vaak leidde dat tot wat de Nederlandse pers in 1953, na een optreden in het Concertgebouw, 'angstaanjagende hysterie' noemde. Het jaar daarop werd het nog erger: het uitzinnige publiek in de Amsterdamse Apollohal zakte door de vloer.

Als hij eenmaal bezig was, viel Hampton niet van het podium te branden; in 1956, opnieuw in het Amsterdamse Concertgebouw, werd hij er door twee politieagenten afgesleurd en in een kleedkamer opgesloten: 'En nou even afkoelen, vader.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden