ANALYSE

Pleidooi voor de feelbadfilm

Zeker, op zijn tijd is een feelgoodmovie heerlijk. Maar wie doordenkt, begrijpt dat je beter naar een feelbadmovie kunt kijken.

A Clockwork Orange

'Ik moet nog naar Son of Saul, maar ik krijg niemand mee.' Deze verzuchting, een tijdje terug opgevangen, staat niet op zichzelf. Vijfsterrenrecensies en een regen aan prijzen, waaronder een kersverse Golden Globe, maakten van het Hongaarse Holocaustdrama geen doorslaand bioscoopsucces. Zo'n 50.000 Nederlanders overwonnen in 2015 hun weerstand (ook gehoord: 'Ik zie er zo tegenop') om de film te gaan zien. Ter vergelijking: de rond dezelfde tijd uitgebrachte romkom Ja, ik wil!, waarvoor nou niet bepaald een Oscar in het verschiet ligt, trok ruim zeven keer zoveel bezoekers.

Zo'n kloof tussen waardering door critici en bezoekcijfers is natuurlijk niet nieuw. Toch lijkt sprake van een trend, als het gaat om sombere films over zware onderwerpen: de drempel om voor dat type film een bioscoopkaartje aan te schaffen, lijkt hoger te liggen dan ooit. Juist in een topjaar voor de bioscoopbranche zou Son of Saul, in talloze lijstjes genoemd als beste film van 2015, het toch beter hebben moeten doen.

Goed, een film over de Holocaust belooft geen pretje te zijn, maar dat is slechts een deel van de verklaring. Films als Schindler's List en La vita è bella waren publiekssuccessen ondanks de concentratiekampscènes. Het verschil met Son of Saul: zowel Steven Spielbergs zwart-witdrama als Roberto Benigni's komedie gaven - op meer of minder smaakvolle wijze, daar valt over te twisten - een positieve draai aan de geschiedenis. Regisseur László Nemes weigerde dat te doen. Son of Saul benadrukt niet de kans op overleving, maar het genadeloze proces van vernietiging.

Das Weisse Band
Dogville
The Hole

Tegenpool feelgoodfilm

Son of Saul is daarmee een echte feelbadfilm: de tegenpool van de immer populaire feelgoodfilm, waarin verliefden elkaar krijgen, de wereld gered wordt, de vijand tot inkeer komt of gewoon tot moes wordt geslagen en het publiek, kortom, na afloop met een blij gevoel de zaal uitloopt. Feelbadfilms zijn dwarse films die juist niet dat goede gevoel nastreven. De filmwetenschapper Nikolaj Lübecker schreef er een boek over, The Feel-Bad Film, waarin hij het genre analyseert. De verhouding tussen maker en kijker is bij de feelbadfilm wezenlijk anders, zegt Lübecker.

Dat heeft niet alleen met de inhoud te maken. Een thriller over een sadistische seriemoordenaar is niet per definitie een feelbadfilm, net zomin als een romantisch drama altijd in de feelgood-categorie valt. Alles valt of staat bij de manier waarop het publiek wordt bespeeld. Al sinds het begin van de cinema weten filmmakers dat ze het bont kunnen maken, zolang ze maar toegeven aan onze hang naar verlossing en genoegdoening. Spanning moet opgelost, losse eindjes vastgeknoopt, orde hersteld.

Feelbadfilms bieden geen verlossing. Ze tonen het kwaad in de mens zonder er een medicijn voor te ontdekken, ze leggen vergeten zwarte bladzijden uit de geschiedenis bloot, ze laten zien dat het leven soms een onredelijke worsteling kan zijn. Ze bieden geen antwoorden, maar roepen lastige vragen op. Ze hoeven niet inktzwart te zijn; in veel feelbadfilms valt best te lachen. Maar ze leveren niet de garantie dat alles goedkomt.

Zonder happy end is het tobben in de bioscoop. De feelbadfilm, die eind vorige eeuw nog een solide reputatie had, raakt meer en meer uit de mode. Begrijpelijk misschien, want wie de tijd, het geld en een oppas heeft gevonden om een avondje naar de film te kunnen, kiest liever voor garanties. Depressief worden is niet wat de meeste mensen verlangen van een avondje uit. Juist daarin schuilt een misverstand: feelbadfilms hebben heus niet altijd een deprimerend effect. Ze hebben vaak heel wat meer te bieden dan de gemiddelde feelgoodfilm en het is hoog tijd dat ze de aandacht krijgen die ze verdienen.

Daarom: drie redenen om toch naar films te kijken waar je niet meteen blij van wordt.

Gegarandeerd triest: verplichte feelbad-kost

Songs from the Second Floor (Roy Andersson, 2000)
In zijn drie laatste films onderzocht Roy Andersson 'de staat van de mens'. De uitkomst is treurig; gemene, deerniswekkende stumperds zijn we. Het levert wel briljante, komische films op, waarvan de eerste het verrassendst was.

Dogville (Lars von Trier, 2003)
Nieuwkomer Grace (Nicole Kidman) arriveert in een Amerikaans dorp en wordt niet bepaald met open armen ontvangen. Op fantastische wijze bespeelt Von Trier, in een van zijn helderste films, de emoties van het publiek, terwijl hij ook nog alle filmregels aan zijn laars lapt.

Das Weisse Band (Michael Haneke, 2009)
Vrijwel elke film van Haneke, de koning van de feelbadfilm, past in dit rijtje. Hoewel Das Weisse Band een stuk makkelijker wegkijkt dan bijvoorbeeld Funny Games, maakt het kille, alarmerende verhaal over Duitse dorpskinderen aan het begin van de twintigste eeuw des te meer indruk.

A Clockwork Orange (Stanley Kubrick, 1971)
Kubrick moest zich regelmatig verdedigen tegen beschuldigingen van sadisme en mensenhaat. Zelf vond hij zijn sombere kijk uiterst realistisch - de mens is tenslotte nietig en sterfelijk. Zijn verfilming van Anthony Burgess' cultroman is nog altijd even akelig en fantastisch.

The Hole (Tsai Ming-liang, 1998)
Een wonderlijke ziekte treft de inwoners van Taipei, vlak voor de eeuwwisseling. The Hole gaat, onder meer, over de eenzaamheid van het moderne grotestadsleven en het onvermogen tot communicatie van de mens. De uiterst knap getroffen, naargeestige sfeer wordt doorbroken met vrolijke liedjes.

The Missing Picture (Rithy Panh, 2013)
Er valt weinig hoop te ontdekken in dit hartverscheurende, waargebeurde verhaal over de jeugd van de filmmaker, die tijdens het genadeloze Rode Khmer-bewind in Cambodja talloze familieleden verloor. Toch is de film prachtig.

Feelgood is een sleetse formule

Hollywood lijdt hevig aan het feelgoodsyndroom. De grote filmstudio's eisen dat filmscenario's lichtpuntjes bieden, zelfs als ze over waargebeurde ellende gaan. 'Life-affirming' heet dat in Hollywoodtermen: films moeten het leven bevestigen, wat zoveel inhoudt als de dood ontkennen. Er mogen doden vallen, dat wel. Hele planeten mogen verwoest worden, zolang het de kijker maar niet nodeloos confronteert met zijn eigen sterfelijkheid.

Die drang naar positivisme leidt in de praktijk tot een hele reeks beperkende voorschriften. Personages mogen niet al te onsympathiek zijn, rampspoed lokt altijd heldendom uit en vergelding is een gegeven, net als een goede afloop. Binnen dat strakke keurslijf is het verdraaid lastig om origineel te zijn. Niet voor niets lijken veel feelgoodfilms op elkaar.

Wie zich wil laten verrassen, gaat naar een feelbadfilm. Daar wordt geëxperimenteerd, daar wordt de filmtaal vernieuwd. Dat de uitkomst van een verhaal niet bij voorbaat vaststaat, betekent een enorme verrijking van de mogelijkheden van de scenarioschrijver. Waar Hollywood de wereld graag overzichtelijk houdt en in goed en kwaad opdeelt, openen feelbadfilms het zicht op het grote gebied daartussen, waar zoveel meer te ontdekken valt.

Ook camerawerk en montage profiteren als het publiek niet voortdurend op zijn gemak hoeft te worden gesteld. Logisch dus dat feelbadfilms relatief vaak in de prijzen vallen. Recente Gouden Palm-winnaars of Oscargenomineerde films als 12 Years a Slave, The Missing Picture, Jagten en Winter Sleep hebben een ding gemeen: ze zijn verontrustend, maar ook bijzonder knap gemaakt.

Eastern Boys

Feelbad graaft dieper

Natuurlijk is het fijn af en toe je verstand op nul te zetten in de bioscoop, maar het zou treurig zijn als het daar altijd bij bleef. Wie film puur als entertainment ziet, doet het medium tekort. De eis dat we ons na afloop prettig moeten voelen, gaat in tegen de drang van filmmakers om zich te verhouden tot de maatschappij, met al haar minder leuke kanten. De beste feelbadfilms snijden akelige onderwerpen aan. Dat is nodig.

Sprookjes zijn mooi, maar met de bittere werkelijkheid moeten we ook omgaan, al was het maar om te blijven zoeken naar echte oplossingen in plaats van Hollywoodeindes. Daarom is het ook van belang de zaken niet te versimpelen. Hoe fijn het ook kan zijn om naar Intouchables te kijken, voor een dieper inzicht in immigratie- en integratieproblemen zijn lastige, weerbarstige films als Eastern Boys of Play waardevoller, juist omdat de makers zich niks aantrekken van ingesleten filmwetten en ruimte laten voor twijfel. Het onprettige gevoel dat die twijfel oproept, is te verdrijven als we accepteren dat niet elke film gemaakt is voor ons -kortdurende - genot.

In het midden

De allereerste bioscoopuitbaters hadden het al door: wanneer het publiek niet vrolijk naar huis gaat, komt het niet terug. Filmprogramma's, die aan het begin van de twintigste eeuw uit meerdere korte films bestonden, eindigden dan ook altijd met een opgewekte komedie. Zwaardere kost werd in het midden verstopt. De tolerantie voor sombere films fluctueert met de jaren, maar nog altijd hebben woorden als 'grimmig' en 'naar' in filmrecensies een negatief effect op de bezoekcijfers. Waarom het publiek wegblijft, is de vraag. Het zou kunnen dat filmkijkers vooral in tijden van economische crisis en schokkend wereldnieuws liever naar feelgoodfilms gaan, maar of escapisme echt een rol speelt, is niet zeker.

Hoe somberder de film, hoe beter je je voelt (uiteindelijk)

Een feelbadfilm is geen groentesmoothie; moeilijk weg te krijgen, maar goed voor je. Je wordt er waarschijnlijk geen beter mens van, al betoogt Lübecker in The Feel-Bad Film dat regisseurs als Michael Haneke en Lars von Trier hun publiek in ethisch opzicht proberen op te voeden. Het zou zelfs kunnen dat ze daarin slagen. Als het lezen van gelaagde, niet-voorspelbare literatuur het empathisch vermogen en het zelfinzicht kan bevorderen, zoals Amerikaanse onderzoekers beweren, geldt dat misschien ook voor het kijken naar gelaagde films.

Maar dat is niet het belangrijkste effect. Feelbadfilms, zegt Lübecker, spelen vooral een rol in het aanvaarden van ellende. Altijd maar plezier nastreven is niet gezond, je kop in het zand steken ook niet. Een feelgoodfilm biedt hooguit een schijnoplossing voor echt bestaand leed. Hoe sterk onze wil ook is om nare dingen te verzachten, te ordenen en te vergeten, schrijft Lübecker, het is beter om gewapend te zijn tegen de waarheid.

Dat maakt het kijken naar feelbadfilms op de lange termijn lonend. Van kunstenaars mogen we geen pasklare oplossingen verwachten, wel een brede blik op de wereld - en een stok achter de deur om pijn en problemen onder ogen te durven zien. Dat kan ook een vorm van troost zijn.

Nikolaj Lübecker: The Feel-Bad Film. Edinburgh University Press, 26,99 euro. Son of Saul is nog in 19 filmzalen te zien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden