Plath en Hughes: de zelfmoord die moord werd

Ging Plath aan haar eigen gekte ten onder of dreef haar man haar de dood in? Hoe het lot van het beroemde de fans verdeeld in twee kampen.

Hans Bouman
null Beeld CSU Archives/Everett Collection
Beeld CSU Archives/Everett Collection

Het is niet meer zo erg als in de jaren zeventig, toen bewonderaars van Sylvia Plath enerzijds en Ted Hughes anderzijds elkaar met groot enthousiasme verbaal de hersens insloegen. Maar nog altijd bestaan er, als het over dit sterk gemythologiseerde literaire echtpaar gaat, twee kampen. Voor het ene kamp is Plath (1932-1963) een heldin, een martelares van het feminisme en Hughes (1930-1989) een wreedaardige booswicht die haar de dood indreef. Het andere kamp houdt het erop dat Hughes nauwelijks blaam treft en dat Plath, zo gek als een deur, aan zichzelf ten onder is gegaan.

De twee leerden elkaar in 1956 kennen toen Plath, begaafd Amerikaans studente en aankomend dichteres, een jaar in Cambrigde studeerde. Hughes had als dichter al een zekere faam verworven (hij zou in 1957 debuteren met de bundel The Hawk in the Rain) en beiden waren onmiddellijk van elkaar onder de indruk. Het volgende jaar trouwden ze, woonden en werkten enige tijd in de Verenigde Staten en verhuisden in 1959 naar Engeland. Daar publiceerde Plath haar eerste dichtbundel, Colossus, en werden in 1960 en 1962 hun kinderen Frieda en Nicholas geboren.

Recensie
Connie Palmen schrijft het haar nieuwe boek 'Jij zegt het' over dit dichtersstel. Lees de recensie hier.

Depressiviteit

Medio 1962 ontdekte Plath dat Hughes er een buitenechtelijke relatie op na hield met ene Assia Wevill. Ze nam met de kinderen haar intrek in een Londens appartement. In de koudste winter sinds honderd jaar, gebukt onder depressies en de zorg voor haar kinderen, pleegde Plath op de vroege ochtend van 11 februari 1963 zelfmoord door haar hoofd in de gasoven te steken. Ze had de kieren van de keuken afgedicht met natte handdoeken en kledingstukken en brood en melk klaargezet voor de kinderen. Twee weken eerder was haar roman The Bell Jar gepubliceerd, onder het pseudoniem Victoria Lucas.

Voor wat zou uitgroeien tot het 'kamp Plath' was het duidelijk dat de egocentrische, wrede Hughes zijn vrouw tot zelfmoord had gedreven. 'Kamp Hughes' wees erop dat Plath een lange geschiedenis van depressiviteit had, reeds in 1953 een zelfmoordpoging had gedaan, elektroshocktherapie had ondergaan en ook in 1963 onder behandeling stond van een arts. Toen in 1969 ook de regelmatig door Hughes bedrogen Assia Wevill zelfmoord pleegde, op exact dezelfde wijze als Plath (en daarbij hun 4-jarige dochtertje meenam), was dat voor 'kamp Plath' het definitieve bewijs van Hughes' monsterlijkheid.

Hypocriet

Jarenlang was het vooral Plaths stem die vooral via de sterk autobiografische gedichten in de postuum gepubliceerde bundel Ariel (1965) tot de wereld sprak. Zij noemde Hughes daarin haar gevangenenbewaker en deinsde er daarnaast niet voor terug de Holocaust te gebruiken als metafoor voor haar persoonlijke demonen. Plath werd een boegbeeld voor de vrouwenbeweging. Op haar graf in Yorkshire werd het laatste deel van haar naam, Sylvia Plath Hughes, door onbekenden weggehakt.

In 1989, vlak voor zijn dood, doorbrak Hughes zijn stilzwijgen en publiceerde de bundel Birthday Letters, waarin hij Plaths geestelijke strijd en aftakeling beschrijft, alsook zijn eigen wanhoop en machteloosheid. 'I was a fly outside on the window pane / Of my own domestic drama.' De bundel werd lovend ontvangen en een aantal critici herzag zijn mening aangaande Hughes. Anderen wezen de bundel af als hypocriet en ongeloofwaardig.

In 2009 ging Nicholas Hughes, zoon van het dichterspaar, de weg van zijn moeder. Hij hing zich op in zijn huis in Alaska. Voor de een het bewijs van Plaths aangeboren en genetisch overdraagbare bipolariteit. Voor de ander de bevestiging dat Hughes, door de 'moord' op Nicholas' biologische moeder en stiefmoeder, nu ook verantwoordelijk was voor de dood van zijn zoon.

De Machine

De duisternis knaagde aan je. En de angst
Verpulverd te worden. 'Een enorme donkere machine',
'De onverschillig malende
Molensteen van de omstandigheden'. Na
Het kijken naar de oranje zonsondergang, waren dit
De woorden die je op een bladzij zette. Zij waren
Naar je toe gekomen toen ik niet kwam. Toen je probeerde
Mij de trap op te wensen, arriveerde
in mijn plaats die paniek. Terwijl ik
Waarschijnlijk gewoon ergens zat,
Misschien wel bij Lucas, met niet meer voornemens
Dan mijn eigen hond
Die ik niet had. Een echte hond
Zou met de haren recht overeind
Naar niets zijn blijven staren
Terwijl het groteske masker van je. Mammie-Pappie
Half prooi, half ziekenhuis, helemaal
Moloch, volgepropt met je ongeschreven gedichten,
Onzichtbaar en zonder een rimpeling
Naar me knarste door de roerloze wilgen,
Door de muur van The Anchor,
Mijn Guinness in één teug leegdronk,
Mij zwart
Zijn bovenaardse interieur binnen gaapte
Waar ik een thuis zou vinden. Mijn kinderen. En mijn leven
Waarin ik eeuwig zou proberen de treden te beklimmen
Die nu van steen zijn, naar de deur die nu rood is
En die jij, in je eigen gelijkenis, zou opendoen
Met nog tijd om te praten.

uit: Verjaardagsbrieven, vertaald door
Peter Nijmeijer.
Meulenhoff, 1998.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden