PLATEN: KLASSIEK

Bartók, strijkkwartetten. Takács Kwartet. Decca 455297 (2 cd's)...

Gepijnigd plikplok

en feeërieke effecten

van Takács kwartet

Over de volksmuziekinvloeden in het oeuvre van Béla Bartók valt veel op te merken, maar de grootste vergissing die je Bartók kunt aandoen, is zijn originaliteit te herleiden tot de voorbeelden die hij optekende in de dorpen die hij afreisde, als verzamelaar van liederen en dansmuziek. Bij Bartók is meer aan de hand dan een Roemeense melodie zus of een Bulgaars ritme zo. Even groot zou de vergissing zijn, de kracht van die invloeden te onderschatten.

Bartók zelf stak ze in elk geval niet onder stoelen of banken. Hij bracht zijn eigen volwassenwording in verband met de 'boerenmuziek' die hem rond 1905 de oren opende voor andere ritmen en toonschalen. Zo begon Bartók de nummering van zijn strijkkwartetten pas bij het opus 7 dat hij in 1909 voltooide, en dat 'nr 1' zou worden van een monumentale reeks van zes kwartetten, geschreven in een periode van dertig jaar. Kwartetwerk van vroegere datum, zoals een romantisch getint kwartet in F, liet Bartók buiten die canon.

Toch zou het mooi zijn, als een kwartetgezelschap eens de gelegenheid kreeg ook dat vroege stuk onder de hoede te nemen, als er weer een 'complete' opname van Bartóks strijkkwartetten aan de orde is. Bij het Takács Kwartet, een ensemble uit Boedapest dat onderdak heeft bij Decca, heeft dat niet zo mogen zijn.

Het betekent, in termen van plaatproductie, dat ook het Takács Kwartet zonder bonus moet concurreren met het Tokyo Kwartet, het Emerson Kwartet en het Alban Berg Kwartet. Net als het Nieuw Boedapest Kwartet en het Bartók Kwartet - om de oudere, op cd circulerende opnamen van het Novak Kwartet en het Lindsay Kwartet ook maar niet uit te vlakken. Allemaal ensembles die een integrale opname van de zes Bartóks op hun naam schreven.

Het Takács Kwartet, opgericht in 1975, hoort tot de eredivisie van de kamermuziek. Het heeft zijn opname opgedragen aan de nagedachtenis van zijn voormalige altist Gábor Ormai, en dat is een waardige geste. De uitvoeringen zijn respectabel, vaak enthousiasmerend, in technisch opzicht soms ronduit briljant.

Maar het concurreren zal niet van een leien dakje gaan, als er vergeleken gaat worden met het Tokyo Kwartet, de Emersons of de oude Novaks. Het Bartókspel is het Takács Kwartet dermate vertrouwd dat alles vanzelf lijkt te gaan. Mocht er iets hinderen aan deze uitvoeringen, dan is het juist het terloopse ervan.

Bartók bracht ritmen en thematiek van ruige plattelandsherkomst onder een noemer met hoge vormen van contrapunt en motivische verwerkingskunst. In zijn harmonie is rauwe dissonantie de tegenpool van verzoenende kwinten en tertsen. Het kan een ware zegen zijn, te horen hoe de eerste violist Edward Dusinberre en zijn medestrijkers deze tegenstellingen mixen en pureren tot iets volkomen vanzelfsprekends. Maar wat meer vuur kan ook geen kwaad.

Waar Bartók in de opening van zijn eerste kwartet inhaakt op dat wat Beethoven in de kaalslag van zijn kwartet opus 131 niet meer opschreef, blinkt het Takács Kwartet uit in raak getroffen intervalsprongen en subliem samenspel - om elders een woeste uithaal af te doen alsof men een stofje van de mouw blaast. In de heftiger episoden van de kwartetten 3, 4 en 5 worden de hoofdlijnen soms zo onderkoeld gepresenteerd, dat het er vanouds op lijkt of Bartók vier strijkers maar tegen elkaar in laat krakelen, wat juist de bedoeling niet was.

Maar waar het aankomt op feeërieke effecten en zachte mysteriën, doet het Takács Kwartet fraai werk, zoals in het voortijlende slot-unisono van het tweede kwartet, en het fantastische koraal uit het tweede deel van nummer vijf. Het perpetuum mobile van nummer vier is een huzarenstukje; het pijnigende plikplók van het pizzicato alla Bartók klinkt bijna weldadig, als een harp bij het Zwanenmeer.

Liederen van Brahms, Schumann en Schubert, door Waltraud Meier en pianist Gerhard Oppitz. BMG/RCA Victor 9026 68759.

Waltraud Meier (41), een mezzosopraan die bekend is van de opera, en dan vooral van Wagner, in het bijzonder Wagners Parsifal, met name in de rol van Kundry, en dat bij uitstek in Bayreuth - deze grote Darstellerin schroefde een paar jaar geleden de stem op, pompte er nog meer adem onder dan er al zat, en zong in Bayreuth de sopraanrol van Isolde. Even verbazend als het feit dat dat lukte, is het feit dat haar vocale constitutie er kennelijk niet onder heeft geleden. In haar jongste experiment - Zigeunerlieder van Brahms, Schumanns Frauenliebe und -leben en acht liederen van Schubert - is Meier het tegendeel van een overbelaste stoomfluit die ook eens het kleinere werk wil.

Meiers afkomst verraadt zich in gunstige zin, in een rijkdom aan vocale kleuren, in superieure dicties en in een bescheiden uitbuiting van het theatrale moment. De tonen mogen een royale welving hebben, ze zijn ook soepel en onbedorven, en gezegend met een vibrato van geringe amplitude. Wil Brahms de hater van het geforceerde gezelligheidslied al een kleine stap tegemoet komen dankzij Meier; in Schuberts Kennst du das Land, Der Tod und das Mädchen en Die junge Nonne kent de weemoed geen grenzen. Dit mede dankzij Gerhard Oppitz, die een 'orkestraal' pianospel voor ogen heeft, maar ook zijn plaats kent.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden