PLATEN: JAZZ

Bill Evans in container van onbewerkt staal..

The Complete Bill Evans On Verve. Verve 314 527 953-2 (18 cd's, ¿ 479,95)

Van pianist Bill Evans (1929-1980) zijn zo veel verzamelboxen verschenen dat je er een aardig muurtje mee kunt bouwen. Het fundament daarvan moet bestaan uit The Complete Riverside Recordings, het onmisbare vroege werk waarin hij het moderne pianotrio uitvond. Daarnaast zijn er een verzameleditie van Fantasy, en twee dozen met live-opnamen uit de Village Vanguard. En dan is er nu The Complete Bill Evans On Verve, maar liefst achttien cd's in een container van onbewerkt staal, zelf een 'uniek verzamelobject dat van kleur, textuur en uiterlijk zal veranderen, en zal roesten'.

Is de ontwerpafdeling dus een beetje door het dolle heen geraakt, de inhoud is misschien wel de meest 'draaibare' van de diverse verzamelingen. De luisteraar wordt meestal niet doodgegooid met alternatieve versies en valse starts, en de muziek die Evans tussen 1962 en 1970 voor het grote label vastlegde is bijzonder afwisselend. Dit heeft vooral te maken met het beleid van Verve om hun artiesten zoveel mogelijk in situaties te plaatsen die van hun normale praktijk afwijken. Ook Evans kreeg zijn 'with strings'-plaat, en werd geconfronteerd met 'speciale gasten', zoals gitarist Jim Hall, fluitist Jeremy Steig en tenorist Stan Getz.

Evans had niet zoveel moeite met de agressief commerciële instelling van producer Creed Taylor: de met suikerwater aangelengde muziek kon nieuwe luisteraars aantrekken voor het echte werk. Blijkens een paneldiscussie in het (dikke, interessante) boekje waren zijn begeleiders wat minder laconiek: bassist Gary Peacock herinnert zich zijn razernij toen Taylor hem opdroeg gewoon de maat aan te geven, en ongevraagd een trommel van Paul Motians drumstel afhaalde.

Er ontsproten tevens een paar afwijkende sessies uit het brein van de pianist zelf, zoals die waarop hij drie, respectievelijk twee pianopartijen in elkaar vervlocht, een artistiek geslaagd experiment dat uitstijgt boven de imposante gimmick.

De Verve-jaren leverden ook amusante curiosa op, zoals de lp met de Zweedse zangeres Monica Zetterlund, die Evans' beroemde Waltz For Debby in haar moedertaal uitvoert. Kleine grapjes her en der in de verzameling nuanceren het beeld van Bill als in zichzelf gekeerde piekeraar: we horen hem zelfs lacherig Santa Claus Is Coming To Town zingen.

Ook de 'serieuze' muziek is vaak reden tot vrolijkheid, vooral op de drie propvolle cd's met de opzwepende Philly Joe Jones op drums. Het merendeel van de nummers begint in balladtempo, om dan over te schakelen op de onweerstaanbaar swingende medium bounce waar Philly Joe zo sterk in was. Een andere aangename verrassing is de samenwerking met de ten onrechte vergeten arrangeur Gary McFarland, die kunstige sfeerstukken opleverde à la Gil Evans, maar met een geheel eigen toon.

Natuurlijk zijn er weer vele bezonken ballads te horen, zoals het requiem voor Evans' vader dat de oerversie van Turn Out The Stars bevat. De kern van het Verve-materiaal, de trio-sessies, is misschien niet het beste wat de man ooit opnam, maar maakt nog steeds vele honderden pogingen van andere pianotrio's overbodig.

Frank van Herk

Jazzduivel Coltrane

vier dagen lang

op het kookpunt

John Coltrane: The Complete 1961 Village Vanguard Recordings. Impulse! (4 cd's).

Bijna zo lang als er cd's bestaan, is de jazzfans een verzamelbox beloofd met alle opnamen die John Coltrane maakte tijdens vier dagen in november 1961, in de beroemde New-Yorkse nachtclub de Village Vanguard. Deze praktische, compacte box verzamelt alle negentien stukken, voorheen verspreid over vijf uitgaven, plus drie niet eerder uitgebrachte versies.

Er zijn echter geen nieuwe titels bij - vanaf het begin wisten Coltrane en zijn producer precies welke nummers uit zijn repertoire ze wilden vastleggen.

1961 was een cruciaal jaar voor Coltrane, waarin hij overschakelde van in bebop geworteld naar meer modaal materiaal, dat mede de weg bereidde voor turbulente free jazz. Wanneer je de vier cd's als één geheel beluistert, kun je je echt verplaatsen in de tijd dat Coltrane door sommigen werd vereerd als een religieuze figuur - een impressie die versterkt wordt door langzame rubato thema's als Spiritual, met een losse maar statige beweging die doet denken aan een koor op zondagochtend - en door anderen werd verworpen als een jazzduivel. In de eerste Down Beat die uitkwam nadat deze muziek was gemaakt, noemde criticus John Tynan wat Coltrane en incidentele gast Eric Dolphy maakten 'anti-jazz'.

Coltrane was duidelijk ergens naar op zoek, één aanwijzing daarvoor waren de uitgebreide bezettingen die hij gebruikte in de Vanguard, en elders in dat seizoen. (Zijn vaste groep was een kwartet.) Eerder dan andere musici in de jaren '60 was hij gefascineerd door Indiase musiek, die hij vrij bewerkte voor zijn compositie India (in vier versies). Ahmed Abdul-Malik imiteert de drone van een tamboera met een Arabische oud, een vreemd instrument voor een jazzopname uit de vroege jaren '60; Garvin Bushells hobo klinkt als een verre echo van de shenai. Hier en elders gebruikt Coltrane beide beschikbare bassisten, Reggie Workman en Jimmy Garrison.

Het vriendelijkste wat John Tynan over de groep schreef, was dat er een goede ritmesectie werd verspild. Coltrane en Dolphy spelen voortreffelijk, vooral als je bedenkt hoe weinig harmonische beweging er is onder hun spel. (Voor deze generatie musici is druk spel over statische harmonie het punt waar modale jazz en Zuid-Indiase muziek samenkomen). Als een snelle themaloze blues - Chasin' The Trane, in drie versies - het beste en meest explosieve voertuig is voor hen beiden, dan komt dat mede door het wiegen van de wisselende, onderliggende akkoorden.

36 jaar later is het de ritmesectie die volledig overeind blijft, vanwege de elegante manier waarop ze het essentiële probleem oplost: omdat Coltrane en/of Dolphy op elk moment alle mogelijke noten konden spelen, in welke metrische onderverdeling dan ook, moesten de begeleiders een manier van voortstuwen vinden zonder in de weg te lopen.

Garrison werd al snel Coltranes vaste bassist, ten dele omdat zijn eigen tamboera-achtige drones de achtergrond invullen zonder de keuzemogelijkheden voor de saxofoon te beperken. McCoy Tyner kan met beide handen verschillende akkoorden spelen, dus bijna elke lijn van Coltrane kan op een of andere manier harmonisch onderbouwd worden. Tyners open of dubbelzinnige akkoorden in deinend ritme werkten zo goed dat honderden of zelfs duizenden pianisten hem sindsdien geimiteerd hebben; geen enkele moderne jazzmuzikant, ook Coltrane niet, is zo vaak nagevolgd.

Drummer Elvin Jones schittert het meest. Er is veel ophef gemaakt over zijn polyritmiek in onafhankelijke ledematen - die flink wat losser wordt uitgevoerd dan zo'n beknopte beschrijving suggereert. Maar die losheid draagt alleen maar bij aan zijn verbijsterend ontspannen gevoel van swing, zelfs als de muziek het kookpunt nadert.

Het merkwaardigste stuk in de Vanguard is een nieuwe benadering van Coltranes ballad Naima (twee versies). Als je het origineel kent, komt de nieuwe melodie tegelijk bekend en desoriënterend over - bijna alsof het origineel op zijn kop is gezet. Alles bij elkaar tonen deze opnamen alle tegenstrijdigheden van Coltrane, niet het minst zijn vermogen te verwijzen naar Indiase muziek, gospel en de blues, zelfs terwijl hij de muziek opnieuw lijkt uit te vinden.

Kevin Whitehead

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden