Platen: Jazz

Naar recept van lekkere B-genres uit de sixties..

Nog niet zo heel lang geleden was het nieuws als een Europese muzikant naar de Verenigde Staten vloog om daar met de muzikant van zijn dromen een plaat te maken. Maar de jazzwereld wordt kleiner, en menige Nederlandse improvisator weet intussen hoe een New Yorkse studio er van binnen uitziet. Dat altsaxofonist Benjamin Herman nu met zijn eerste 'Amerikaanse' cd toch enige deining veroorzaakt, zegt dan ook allereerst iets over de kwaliteit van zijn muziek.

Voor Get In, dit voorjaar opgenomen in New Jersey, kon Herman een beroep doen op drummer Idris Muhammad, de grote man van talloze souljazzplaten uit de jaren zestig en zeventig, begeleider van soulzangers als Sam Cooke (dan nog onder zijn eigen naam Leo Morris), en onderhand een van de meest gesampelde drummers in de dance en hiphop. Muhammads onverstoorbare grooves zijn ook een inspiratiebron geweest voor Hermans eigen New Cool Collective, een stevig ensemble dat twee succesvolle cd's vulde met een dansmix van souljazz, latinfunk, tv-muziek en andere smakelijke B-genres uit de sixties.

Hetzelfde recept wordt op Get In opgedist in de kleinere, maar klassieke bezetting van Hammondorgel-plus-sax. Het kwartet met orgelspecialist Larry Goldings en gitarist Jesse van Ruller speelt eigen stukken van de leider (plus het oude tv-thema Hawai Five-O) en doet dat met ontspannen, speels gemak. De 59-jarige Muhammad is natuurlijk de ster van de sessie: zijn vinnige, prominent in de mix geplaatste drums voeren elk stuk bekwaam naar een hoogtepunt en demonstreren ondertussen ook hoe je een groove opzet waarin werkelijk niets kan foutgaan.

Met Get In maakte Herman zijn aanstekelijkste cd - een vingerknippende trip naar die mooie tijd waarin jammerende Hammonds en smeuïge r & b-saxofoons nog niet retro, maar gewóón hip waren.

Jazz Orchestra of the Concertgebouw: Festival 1999, Part 1. Via Jazz.

New York heeft zijn Lincoln Centre Jazz Orchestra (en zijn naaste rivaal, The Carnegie Hall Jazz Band), Amsterdam kan sinds januari van dit jaar trots zijn op zijn eigen Jazz Orchestra of the Concertgebouw (JOC). De New Concert Band, zoals het door Henk Meutgeert geleide orkest bij de oprichting in 1996 heette, mag pronken met de naam van de concertzaal aan de Van Baerlestraat als was het koninklijk goedgekeurd, maar de thuisbasis blijft het Bimhuis aan de Oude Schans.

Daar werd in mei het tweede festival rond het JOC gehouden, dat nog eens de ondogmatische werkwijze van de leider/arrangeur onderstreepte: prominente gastsolisten uit alle stijlen en stromingen nemen geliefde eigen stukken mee, die door Meutgeert worden toegesneden op de eigenaardigheden van zijn orkest en ook na vertrek van de gast op het repertoire blijven.

Net als de eerste live-cd Festival uit 1998 biedt deze tweede live-registratie een combinatie van namen die je zelden samen op één podium ziet. Misha Mengelberg is vertegenwoordigd met drie vrolijke, geraffineerd in elkaar stekende stukjes: Rumbone (met tenorsolo van Ferdinand Povel), Gare Guillemans (met Westcoast-altist Bud Shank) en Whose Bridge (met gitarist Martijn van Iterson). Het JOC speelt ze gaver en 'gedisciplineerder' dan Mengelbergs eigen ICP zou doen, wat hun klassieke lijnen op een grappige manier benadrukt.

Andere gasten zijn Dick Oatts, The Houdini's, Jarmo Hoogendijk, Toon Roos en Sean Bergin. Met Festival 1999 heeft het JOC zijn speelruimte weer wat verder opgerekt, ook in dynamiek: het beschikt over een power-trompetsectie die elke concurrent knockout slaat, maar kan ook teder zuchten in halftinten waarvan je het bestaan niet vermoedde.

Tony Overwater: Up Close. Turtle Records (distributie: Edison).

Sommige muzikanten zijn net gewone luisteraars: of een stuk briljant of misschien wat groezelig is opgenomen interesseert ze niet, zolang de muziek zelf maar de moeite waard is. Bassist Tony Overwater hoort duidelijk tot een andere categorie. Zijn nieuwe cd verschijnt op een label dat juist extreme zorg aan de geluidskwaliteit besteedt, en wie het resultaat hoort, zal moeten toegeven dat audio-freaks toch ook hun nut hebben.

Overwater is een bassist met een forse greep en sterke vingers, en zijn contrabas klinkt hier heel groot en dichtbij, met talrijke naturel klankdetails (van de snaren glijdende vingers, krakend hout - tot en met het grapje van een plotseling beierende kerkklok in het slotstuk).

Het zou allemaal tot daar aan toe zijn, als Up Close niet zulke sterke muziek bevatte: drie stukken voor solo-contrabas, die boeien als een strak vertelde short story, en acht duetten met respectievelijk Yuri Honing en Maarten Ornstein op saxofoon en basklarinet. Die duo's variëren van eigen werk tot drastisch bewerkte standards en één als 'nieuwe' standard opgevat popliedje: Alanis Morisettes Ironic. Een misleidende titel overigens, want als iets Overwaters muziek typeert, dan is het juist het ontbreken van ironie. Zo verandert It was a very good year niet in een 'commentaar' op de crooner Frank Sinatra, maar accentueren Overwater en Ornstein juist het statige, voorname karakter van de melodie, zodat de luisteraar Sinatra glad vergeet en er weer nieuwe associaties mogelijk worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.