Pionier van de fotoserie legt het ongeposeerde leven vast

Fotografie..

Rotterdam Soms komt een kunstenaar nooit meer los van een meesterwerk. Zo overschaduwt die ene foto van Che Guevara de ongelooflijk rijk geschakeerde rest van het oeuvre van de Zwitserse Magnum-fotograaf René Burri (1933). Nee, niet dat heiligenportret met de vastberaden blik, die andere iconische foto: Che met de sigaar.

De status van dat portret is eigenlijk wezensvreemd aan het werk van Burri. Hij is juist een wegbereider van de foto-serie, van samenhangende beelden als in een film, van omgeving en gebeurtenissen. Hij koos met opzet een andere weg dan de dominante foto-estheticus uit zijn jeugdjaren Henri Cartier-Bresson, die vond dat de perfecte foto ‘het beslissende moment’ moest hebben gevangen voor de eeuwigheid. Het moest de kijker het gevoel geven: dit is het! Burri deed het precies andersom, op zijn foto’s zie je bijna wat er aan het klikken van de sluiter vooraf ging en ook wat er daarna zal gebeuren.

Dat verschil tussen Burri en zijn mentor Cartier-Bresson is de rode draad van de overzichtstentoonstelling van zijn oeuvre die nu de Kunsthal in Rotterdam is te zien; zo staat het op de begeleidende teksten op de muur. Het is een goede hulp bij het kijken, het doet begrijpen waarom die foto’s van Burri zo levendig overkomen.

Iconisch beeld
Die foto van Che is er een uit een reeks. Op de tentoonstelling hangt een velletje met contactafdrukken, dat opeens alles onthult van de werkwijze van de Zwitserse fotograaf. Hij is erbij, maar dringt zich niet op, probeert eerder onopvallend aanwezig te zijn. Hij fotografeert momenten en houdingen uit het dagelijkse, ongeposeerde, ondramatische leven. Stuk voor stuk zijn die Che-fotootjes de moeite waard; een paar nog meer dan andere en die heeft Burri met een stift omlijnd. Zo komt dat iconische beeld op deze tentoonstelling opeens in beweging, in gezelschap van die andere foto’s uit de serie.

Dat klinkt allemaal nogal voor de hand liggend misschien; de fotoreportage wordt beoefend door duizenden fotografen. Dat is zo en dat tekent het belang van Burri, een pionier van dit genre.

De enige keer dat Burri op een beslissend moment klikte, was bij het bezoek van Winston Churchill aan Zwitserland. Hij maakte slechts één foto: Churchill staat rechtop voor de achterbank van een open auto, voor hem zitten een chauffeur met militaire pet en een ernstig kijkende man met een slappe hoed; doordat de auto rijdt, zijn de mannen net niet scherp, het publiek langs de weg en de bomen zijn helemaal onscherp, dat geeft het beeld dynamiek, de compositie is volmaakt: Churchill op weg naar een historische toespraak rijdt net rechts het beeld in. René Burri was 13 jaar oud toen hij deze foto nam met het Kodak-cameraatje van zijn vader.

Misschien was het toeval, maar het wijst toch ook wel op een natuurtalent, schrijft Hans-Michael Koetzle in de inleiding van het overzichtsboek René Burri Photographs uit 2004, die dient als catalogus bij deze reizende tentoonstelling, waarvoor Burri en Koetzle de eerste selectie maakten.

Alledaagse beelden, maar dan perfect van compositie. Daarin verschilde Burri dan weer van een andere vriend en trendsetter: Robert Frank, die juist ongestileerde, rauwe foto’s maakte over gewone Amerikanen in The Americans, dat een toonaangevende serie werd. Ook die aanwijzing wordt in de begeleidende tekst op de expositie gegeven, bij Burri’s serie De Duitsers, uit de jaren vijftig. Burri legde de verwoestingen van na de oorlog vast en de wederopbouw. Het zijn indringende beelden van chaos, maar in een strakke vlakverdeling. Inderdaad, à la Picasso, zijn grote held.

Held Burri fotografeerde Picasso in zijn gewone doen en laten; in een hotelkamer op bed maakt hij een lolletje met een andere man; met zijn kinderen aan tafel; bij het stierenvechten. Burri heeft er foto’s omheen gemaakt (ook de stier en de vechter), hij vertelt verhaaltjes. Zo fotografeerde hij een hele reeks beroemde kunstenaars, de meeste door hem bewonderd, in hun leef- en werkomgeving.

Giacometti
Van architect Le Corbusier schoot hij bekende platen van hemzelf en zijn gebouwen. Van beeldhouwer Giacometti maakte hij wellicht het bekendste portret, naast een van die magere beelden van hem, in gepeins verzonken. Die foto krijgt op de expositie extra reliëf door een andere: Giacometti boetseert met de ogen dicht aan een kleimodel.

Nog intiemer zijn Burri’s beelden van zijn bevriende fotografen. Cartier-Bresson hangt uit een raam in Manhattan om de straat beneden te fotograferen, op een volgend beeld kijkt hij Burri aan. Robert Frank zit in 1959 met een verwilderde haardos en neergeslagen ogen in zijn armoeiige New Yorkse appartement onder een hanglamp met franje.

Burri werkte zijn werkzame leven lang voor bladen en kranten. Hoeveel reizen hij wel niet heeft gemaakt, laat hij op de expositie zien in twee vitrines: een met vliegtickets en een met visa en plaatselijke perskaarten. Het moet vreselijk lastig zijn geweest een keuze te maken. De fotoseries uit China horen tot zijn beste. Die uit Brazilië zijn beroemd geworden, bovenal het beeld uit Sao Paulo met de vier wandelende mannen op het platte dak van een flat in het licht van de ondergaande zon, en links op de foto – diep beneden hen – de drukke straat, ook nog in het licht tussen de gebouwen in schaduwdonkerte.

Ook in die tijdschriften uit vele landen springt zijn fotografie meestal van de pagina’s. Op de tentoonstelling zijn daar voorbeelden van opgehangen. Soms wringt het met de teksten, zoals in het Duitse Bunte, dat bij een serie van een nogal knullig ogende training van Algerijnse strijders in Egypte (1958) een angstaanjagende toon aansloeg: ‘Kampf bis aufs Messer’. Het magazine van The Sunday Times publiceerde op de cover Burri’s portret van de Egyptische president Sadat, met spiegelende zonnebrilglazen, waarop de fotografen zijn te zien. In kleur.

Voor bladen heeft Burri steeds in kleur gefotografeerd, maar hij bleef altijd een diepe voorkeur voor zwart-wit. In het boek koos hij ook alleen zwart-wit. Op de tentoonstelling zijn enkele grote kleurenafdrukken van hem te zien: donkere, desolate taferelen. Ze zijn heel goed, maar onderscheiden zich lang niet zo van andere in dit veel beoefende genre als zijn zwart-wit fotografie. De opmars van de kleurenfotografie eind jaren tachtig was een van de redenen waarom Burri stopte met professioneel fotograferen, volgens Koetzler. En ook de drukte onder fotografen. Burri vertelde Koetzler hoe hij tijdens een van zijn laatste opdrachten – de topontmoeting van Reagan en Gorbatsjov – tussen de opeengepakte massa collega’s uitkneep over de afzetting heen, maar onmiddellijk in zijn kraag werd gevat en teruggezet. Het was genoeg geweest.

Zodoende heeft Burri een afgerond oeuvre. Dit overzicht is een monument van het tijdperk van de zwart-wit-fotografie. De Kunsthal kan veel laten zien. Het is een goed teken dat ondanks dat het gevoel blijft hangen dat het nog veel te weinig is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.