Pilgenot en pilpaniek

Hoe het ook zij, de uitvinding van de pil was een revolutie. Voor miljoenen vrouwen betekende de pil een beter voorbehoedmiddel dan condoom, pessarium of periodieke onthouding. Ze konden nu seks hebben zonder angst om zwanger te raken, zonder gedoe met condooms of zaaddodende pasta’s. En het belangrijkste: ze konden zelf bepalen wanneer ze zwanger zouden worden.

In De pil in Nederland beschrijft historica Eva Rensman aan de hand van geschreven bronnen de geschiedenis van het voorbehoedmiddel van 1962 tot nu, met af en toe relevante uitstapjes naar een eerdere periode. Rensman verweeft de maatschappelijke geschiedenis van de pil kunstig met de medische. De ontdekking van de anticonceptiepil is gebaseerd op het werk van de Oostenrijkse fysioloog Haberlandt, die vlak na de Eerste Wereldoorlog de eierstokken van een zwanger konijn implanteerde in een ander konijn. De geïmplanteerde eierstokken maakten dat het konijn enkele maanden onvruchtbaar bleef, zonder dat het werkelijk zwanger was. Haberlandt concludeerde dat het vrouwelijk hormoon progesteron ervoor zorgde dat er geen nieuwe eicellen meer tot rijping kwamen. Toch zou het nog meer dan veertig jaar duren voordat de eerste anticonceptiepil, Enovid, in Amerika beschikbaar was.

Vóór de komst van de pil in Nederland waren voorbehoedmiddelen, net als homoseksualiteit, seks buiten het huwelijk en abortus, voor katholieken en gereformeerden taboe, maar langzamerhand werd de houding ten opzichte van seksualiteit toleranter. Hoewel de orthodox-protestantse kerken en de katholieke kerk voorbehoedmiddelen beslist afwezen, trokken steeds minder gelovigen zich daar in de praktijk iets van aan. In dat klimaat landde de anticonceptiepil in 1962. Nederland was er klaar voor, concludeert Rensman.

Vanaf het begin van de jaren zestig veranderde de opinie over voorbehoedmiddelen razendsnel. Uit een enquête van het vrouwenblad Margriet in 1965 bleek dat meer dan de helft van de ondervraagden geen enkel bezwaar had tegen anticonceptie. Drie jaar later was dat percentage opgelopen tot 95. Op het hoogtepunt van de seksuele revolutie waren de principiële tegenstanders van voorbehoedmiddelen vrijwel verdwenen.

Ook al verliep de opmars van de pil in Nederland voorspoedig, hij werd niet overal enthousiast omarmd. Bij een onderzoek van pilproducent Organon in 1966 zei een op de drie vrouwen dat ze de pil nooit zou gebruiken omdat ze vreesde dat hij gevaarlijk was. De bezwaren werden nog versterkt toen er berichten in de pers verschenen over trombose als mogelijke bijwerking. Maar de paniek sloeg pas echt toe toen de Leidse hoogleraar Defares in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde stelde dat de pil vrouwen in een kunstmatige menopauze bracht en tot vroegtijdige veroudering leidde.

De vrouwenbladen Margriet en Libelle deden er nog een schepje bovenop en publiceerden artikelen waarin de veiligheid van de pil in twijfel werd getrokken. Veel vrouwen hielden meteen op met slikken, en een deel werd ongepland zwanger.

Van paniek was in de jaren zeventig en tachtig geen sprake meer, wel kwam er verzet uit feministische hoek. Door de pil waren vrouwen altijd beschikbaar en was het moeilijk om seks te weigeren, vonden ze. Bovendien waren de risico’s ook voor hun rekening. Waar bleef de pil voor mannen?

Maar ondanks de feministische bezwaren en een tweede golfje pilpaniek, opnieuw veroorzaakt door een onderzoek over de relatie tussen trombose en pilgebruik, bleven vrouwen de pil slikken en steeg het aantal pil slikkende vrouwen gedurende de jaren tachtig.

De populariteit nam halverwege de jaren negentig af. De belangrijkste reden daarvoor, zo formuleerden gebruiksters het zelf, was pilmoeheid. Vrijwel zonder uitzondering vonden vrouwen de pil onnatuurlijk en schreven ze er allerlei klachten – bijvoorbeeld dat ze geen zin hadden in seks of gedeprimeerd waren – aan toe. Toch bleef de pil, zeker vergeleken met het buitenland, een veelgebruikt voorbehoedmiddel. Eind jaren negentig gebruikte ruim veertig procent van de Nederlandse vrouwen tussen de zestien en 49 de pil.

In de geschiedenis van de pil is een opvallende constante te zien, schrijft Rensman. ‘Vrouwen hebben zich altijd zorgen gemaakt over bijwerkingen. Al vrij snel werd echter duidelijk dat de risico’s van de pil minimaal waren. Inmiddels is zelfs overvloedig bewezen dat de pil niet gevaarlijk is. Maar die wetenschap heeft er niet voor gezorgd dat de angst voor de pil verdween. Er is een grote kloof tussen het beeld dat artsen en farmaceuten van de pil hebben – een betrouwbaar en veilig voorbehoedmiddel – en het beeld dat bij veel vrouwen bestaat – een voorbehoedmiddel dat weliswaar betrouwbaar is, maar ook riskant. Het is in veertig jaar niet gelukt deze kloof te dichten.’

Hoewel Rensman de veiligheid van de pil benadrukt, schrijft ze in haar slotwoord dat er de laatste tijd sterkere aanwijzingen zijn ‘dat de pil wel degelijk bepaalde negatieve effecten kan hebben’, een bewering die ze niet onderbouwt. Dat is jammer, want De pil in Nederland is overigens een nauwgezet en degelijk historisch verslag, met veel aandacht voor feiten, jaartallen, standpunten en onderzoeken.

Die exactheid en de chronologie, de methode van de historica, geven de mentaliteitsgeschiedenis een afstandelijk karakter. Pas in het laatste hoofdstuk gaat ze boven de feiten staan en analyseert ze vrijmoediger de onderliggende maatschappelijke en psychologische thema’s: de keuzevrijheid van de jongere generatie en de voortdurende angst van vrouwen voor de pil.

Een angst die paradoxaal genoeg geworteld is in de geringe aandacht van artsen voor de bijwerkingen.

Eva Rensman: De pil in Nederland – Een mentaliteitsgeschiedenis. Athenaeum-Polak & Van Gennep; 207 pagina’s; € 14,95ISBN 90 253 4686 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.