Pieter Stastok heeft écht een theedoek-das

Onlangs verscheen de honderdderde druk van de Camera Obscura. Nog geen aanleiding om de vlag uit te steken, ware het niet dat het bekende boek dat Nicolaas Beets onder het pseudoniem Hildebrand op zijn 25ste publiceerde, voor het eerst in een wetenschappelijke editie is uitgegeven....

Van onze medewerker

Arjan Peters

DEN HAAG

Met deze gewichtige uitgave, de eerste in de nieuwe Delta-reeks van Atheneum-Polak & Van Gennep met klassieke teksten uit de vaderlandse letterkunde, is de Camera Obscura bijgezet in het pantheon. En begraven, voegde Hugo Brandt Corstius daar aan toe in zijn depreciërende bespreking in NRC Handelsblad van 19 juni. Hij gaf een kras antwoord op het zogenaamde probleem-Beets, zoals in 1950 door K. Heeroma geformuleerd. Hoe kan het dat de jolige student die de burgerlijkheid van zijn tijd aanpakte in zijn Camera, later een kneuterige dominee met dito verzen en opstellen werd? Dat kan, aldus Brandt Corstius, doordat bij nadere beschouwing ook dat jeugdwerk dodelijk vermoeiend en oubollig is.

Zelfspot is Hildebrand vreemd, de standen waren voor hem heilig. Hij mag dan met zijn romantisch-realistische proza aan de wieg hebben gestaan van het columnistendom, een lichtend voorbeeld kan hij bezwaarlijk meer worden genoemd.

Wie leest de Camera Obscura nog, het werk dat de moderne Nederlandse letterkunde inluidt? Er zijn er in de loop van ruim anderhalve eeuw meer dan een miljoen van gedrukt. Zou de Delta-editie een markeerpunt betekenen, van volksvermaak naar studie-object voor neerlandici en historici? Het Letterkundig Museum zou deze zomer een enquête kunnen houden onder de bezoekers van de tentoonstelling Genoegens smaken: de Camera Obscura in beeld. Komt u hier omdat u zo hebt genoten van de verhalen over de families Kegge en Stastok, over Teun de jager en Keesje het diakenhuismannetje, of omdat u door uw letterendocent hier met een zweep bent heen gejaagd?

Op de bescheiden expositie liggen allerhande edities, vanaf de eerste (1150 exemplaren, prijs * 2,80) tot en met de ovenverse. De nadruk ligt op de illustraties, die vanaf 1857 werden toegevoegd door de Haarlemse uitgever Erven F. Bohn, een strategie om nieuwe lezers te lokken. De tekenaars F. Carl Sierig, Karel Frederik Bombled, Jo Spier, Louis Raemaekers en Karel Thole stonden niet voor een onmogelijke opgave, daar Hildebrand zijn personages nauwkeurig en bewust als typen heeft neergezet.

We zien dus een overdaad aan rokken, boorden en hoge hoeden. Neef Pieter Stastok, de Utrechtse rechtenstudent die bij een boottochtje zo onfortuinlijk te water raakte, heeft dus ook op de prenten een bleke kleur, stalen bril, theedoekige das, sluitjas met dubbele borst, horlogesleutel, niet nauwe en niet wijde pantalon, verschoende laarzen, floretten handschoenen, en zwarte kapelaansrotting met twee nuffige kwastjes. Hij wordt iets meer naar deze tijd getrokken door de - speciaal voor de tentoonstelling gemaakte - tekeningen van Peter van Straaten en Jeroen Henneman, welke laatste het hilarische hoogtepunt uitbeeldt door middel van een brilmontuur (met oogjes) boven een paar kabbelende lijntjes. De moderne tijd reduceert de poespas van Hildebrand tot, nu ja, tenminste de suggestie van leut.

In het motto berichtte een Anonymus, achter wiens zelfgenoegzame bewoordingen Beets zelf wel zal schuilen, dat men wellicht lust zou gevoelen de geschetsten na te tekenen. In Den Haag is vast te stellen dat Hildebrands kopijeerlust des dagelijkschen levens inderdaad nieuwe kopieerlust opwekte, al dan niet onder aansporing van uitgevers. Anton Pieck maakte voor 1940 een gezellige Camera-kalender, die in menig huiskamer zal hebben gehangen toen de oorlog uitbrak.

Mijn leven is in mijn Camera, dichtte de dominee , mijn hart in mijn gedichten./ Mijns levens richtsnoer, troost, en kracht/ In boek en blad waardoor ik tracht/ Te leeren en te stichten. Die lering en stichting, daar moeten wij thans niets meer van hebben. Uit de vijf dikke delen met de verzamelde gedichten plukte Gerrit Komrij er elf voor zijn bloemlezing. Ze drukken vooral uit dat Beets dichten móest, al stonden de snaren niet altijd gespannen.

Of hij het heeft gewild of niet, Beets haalt in elk geval de 21ste eeuw met zijn Camera Obscura, waarin we tussen de genoeglijkheid en sentimentaliteit ook nog steeds het onaangename mens uit de Haarlemmerhout vinden: Robertus Nurks, de beroepszeikerd die de ijdelheid van zijn gehele omgeving op de korrel neemt. Neef Nurks liggen de woorden lelijk, dom, onbeduidend en mal voor in de mond, hij lacht opzettelijk niet om de gebbetjes van Hildebrand en zijn Leidse makker Boerhave, en als hij het dagje Haarlemmerhout grondig heeft verpest, stapt hij in de diligence. Nog even steekt hij zijn hoofd uit het portier om 'Niet veel zaaks' te roepen, daarmee zijn reisgezelschap ook nog even bruuskerend.

Op een spotprent uit de nederlandsche Spectator van 1887 is hij vijftig jaar ouder, maar zijn oordeel is even karig en krachtig. Als Beets deze klassieke galbak niet had opgevoerd, ja dan zou de Camera Obscura misschien voorgoed verouderd zijn.

Genoegens smaken: de Camera Obscura in beeld, t/m 20 september in het Letterkundig Museum, Den Haag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.