Interview Pierre Audi

Pierre Audi neemt afscheid van De Nationale Opera: ‘Ik ging voor slow cooking, niet voor the flash of the moment’

Pierre Audi (60) neemt na 30 jaar ­afscheid van De Nationale Opera. Onder zijn leiding werd het operagezelschap ­uitgeroepen tot het beste ter wereld. Met dank aan de ­Hollandse ­soberheid, zegt hij.

Beeld Judith Jockel

Operaregisseur Pierre Audi (60) wacht op zijn beurt tussen de coulissen van de Beierse Staatsopera in München. Na de première van Wagners opera Parsifal klapt en joelt het publiek. De dure sterzangers krijgen bravo’s om de oren. Jonas Kaufmann, Nina Stemme, Christian Gerhaher, bij zulke namen roept een beetje operafan al bij voorbaat: bingo!

Pierre Audi pakt de hand van de kale man die naast hem staat. Hij heet Georg Baselitz en is niet minder beroemd. Beeldend kunstenaar, Duitser, 80 jaar. Uit zijn brein komen de scènebeelden van deze Parsifal, zoals een naargeestig naaldbos en een kindertekeningkasteel. Ze worden bevolkt door graalridders en bloemenmeisjes in een naaktkostuum van kwab- en rimpellijven.

Hand in hand met Baselitz stapt Pierre Audi het toneel op. Hij had het voorspeld: Duitsers hebben moeite met zijn intuïtieve, lastig in doorwrochte essays te vangen regiestijl. Hij merkt hoe de turbulentie in de zaal omslaat. Pierre Audi loopt recht in een boe-storm.

Hij trekt een glimlach en laat zijn ogen dwalen. Ergens staat de zetel waarop een halve eeuw geleden zijn operavuur is ontbrand. Thuis in Beiroet had hij zijn vader maanden aan de kop gezeurd: papa, je móét me meenemen naar Europa! Concertzalen, opera, ik wil erheen! En zo werd op 21 juli 1969, de dag van de eerste maanlanding, een 11-jarige Libanese knaap betoverd door Wagners liefdesdrama Tristan und Isolde.

Het doek zakt, Pierre Audi wandelt terug naar het zijtoneel. Opstellen voor de tweede ronde. Dit keer krijgt de dirigent loeiende bijval. Kirill Petrenko, hij is de Rus die volgend jaar ’s werelds sterkste orkestmerk in handen krijgt, de Berliner Philharmoniker. De jubel is terecht. Petrenko heeft Wagner vanavond niet laten brullen en schetteren, maar plezierig laten zingen, neuriën en fluisteren.

Opnieuw stapt Pierre Audi met Baselitz het toneel op. De hoon komt nog venijniger. Terwijl de regisseur toch meende dat hij met deze Parsifal, meer dan in Amsterdam, thema’s had uitgediept als compassie, liefde en zelfkennis. Toen, in 2012, speelde zijn regie zich af rond een magische reuzenspiegel van de Brits-Indiase beeldend kunstenaar Anish Kapoor. Nu doolde Parsifal, de ‘reine dwaas’ die als bij toverslag tot zelfinzicht komt, door een zuigend zwarte wereld.

Hem, Pierre Audi, hebben ze ook een reine dwaas genoemd. Dat was in 1988, toen hij als 31-jarige operadirecteur werd voorgesteld in Amsterdam. De pers dacht dat hij een onbeschreven blad was. Pas later ontdekte men dat hij in Londen een experimenteel theater uit de grond had gestampt. Hij had er avant-gardecomponisten heen gelokt als John Cage, Steve Reich en György Kurtág, regisseurs als Peter Greenaway en Robert Wilson.

De ochtend na de premièreborrel in München leest Pierre Audi de eerste kritieken. Ai, pijnlijke kop: ‘Regisseur Audi verknoeit Parsifal in blockbusterbezetting.’ De Duitse critici maken front, ze vinden dat hij zijn oren heeft laten hangen naar Georg Baselitz, de kunstenaar die denkt in statische beelden en niet in spannende handeling. Alleen de Britse krant Telegraph steekt hem een hart onder de riem. ‘Negeer het geboe, deze Parsifal is de operaervaring van je leven.’

Spoelen we twee weken terug. De verhuisdozen in Audi’s Amsterdamse kantoor zijn gepakt. In september wordt hij directeur van het prestigieuze operafestival van Aix-en-Provence. Sinds 2015 is hij al artistiek leider van het New Yorkse kunstcentrum Park Avenue Armory.

Op de kop af dertig jaar geleden werd de Libanese bankierszoon gevraagd leiding te geven aan de De Nationale Opera, toen nog De Nederlandse Opera. Audi kwam als grote onbekende. Nu, bij zijn vertrek, laat hij een operahuis aan de Amstel achter met een internationale reputatie. Die bouwde hij op met eigen regies, maar ook als samensteller van spraakmakende teams van regisseurs, componisten en librettisten. Twee jaar geleden werd De Nationale Opera uitgeroepen tot ’s werelds beste operagezelschap. 

‘Een waardering voor de consistentie van wat ik hier heb gedaan’, zegt Audi. ‘Ik ging voor slow cooking, niet voor the flash of the moment.’ Zijn Nederlands is doorspekt met Engelse woorden, in een tongval die zijn Franstalige opvoeding verraadt.

In 1988 verhuisde Audi van de bruisende metropool Londen naar de grachtenstad Amsterdam. ‘Ik was eenzaam in die beginjaren’, bekent hij, ‘ik moest wennen aan Nederland. Mijn priveléven was niet zo vrolijk – ik was altijd bezig met mijn werk.’

Niettemin bleef hij drie decennia, een zeldzaam record voor een operadirecteur. Dat hij het zo lang volhield was mede dankzij zakelijk directeur Truze Lodder, met wie hij een hechte twee-eenheid vormde totdat Lodder vijf jaar geleden met pensioen ging.

Hoe stond de Nederlandse operacultuur ervoor toen u werd benoemd?

‘Ik had snel door dat de Nederlandse cultuur toen draaide om een kleine elite van kunstenaars en opiniemakers. Dat is nu nog zo, maar het is minder dominant. Het mooie is dat ik indertijd nooit één seconde druk heb ervaren van die elite. De opera was net voor mijn komst verhuisd naar het nieuwe Muziektheater en mijn voorganger Jan van Vlijmen had de ambitie om werk van zeer hoge kwaliteit te brengen. Hij keek vooral naar Brussel, waar intendant Gerard Mortier bijzondere dingen deed. Mijn eerste vijf jaar waren essentieel. Uit Londen bracht ik mijn eigen adressenboek mee en met twee, drie ideeën heb ik de boel op z’n kop gezet. In 1992 hadden we de wereldpremière van Alfred Schnittkes opera Life with an Idiot, de wereldpers kwam kijken. Ik bracht componist Louis Andriessen en cineast Peter Greenaway bij elkaar. En in 1990, min of meer noodgedwongen na een afzegging, debuteerde ik zelf als regisseur, met Il ritorno d’Ulisse in patria van Monteverdi. Ik wilde laten zien dat er een alternatief was voor het heersende expressionistische, Duitse regietheater van regisseurs als Harry Kupfer. Schreeuwen, heftige gestiek, maatschappijkritiek: volgens mij moest het ook anders kunnen.’

De operahuizen in Brussel en Duitsland stonden in de jaren negentig internationaal hoger aangeschreven dan Amsterdam. In 2016 werd De Nationale Opera uitgeroepen tot Opera Company of the Year, internationaal het beste operahuis. Wat hebt u gedaan om dat te bewerkstelligen?

‘Ik heb geen recepten gebruikt uit het kookboek van Brussel en Duitsland. Ik heb op mijn instinct gewerkt, de internationale context gepeild, het repertoire, de kunstenaars die hier werkten, de dirigenten. Ik tast altijd af wat anderen kunnen bijdragen, ook jongeren, ik kan van iedereen leren. 

'Toen ik hier kwam waren er geen Nederlandse operaregisseurs – echt een drama. De eerste tien jaar heb ik een lange lijst met grote meesters naar Nederland gehaald. Dirigenten als Nikolaus Harnoncourt en Mstislav Rostropovitsj, regisseurs als Klaus Michael Grüber en Boris Prokovski, de componist Alfred Schnittke. De programmeur in mij dacht: dit is een open land, de cultuur bloeit, er is een elite die kwaliteit apprecieert, er zijn fantastische orkesten: deze mensen moeten hier komen. Het was hier niet bepaald de Parijse Opéra of de Wiener Staatsoper – ik heb ze naar Amsterdam weten te krijgen door een hechte band met ze op te bouwen. De huidige generatie programmeurs doet dat nauwelijks nog.’

Wat doet de nieuwe generatie anders?

‘Er is niet veel respect meer voor het métier. De jonge generatie is meer bezig met: wat is nieuw? Ze denken: dit hebben we al eens gezien, dus dit is niet meer van belang. Het doorgeven van traditie is een fijne bijkomstigheid geworden en staat niet meer centraal. In 1988 zag ik hoe grote regisseurs als Grüber en Kupfer te werk gingen, later hoe een dirigent als Pierre Boulez het aanpakte. Ik werkte intensief met hen samen. Tegenwoordig is er een soort haast. De samenwerking tussen regisseurs, dirigenten en componisten is oppervlakkiger geworden. Er zijn gelukkig ook jonge mensen die niet alleen op snel effect uit zijn, maar de nieuwe generatie is minder bezig om te groeien binnen de kunst zelf. Dertig jaar geleden was dat anders. Ik kijk met nostalgie terug op mijn beginperiode. De jonge Pierre Audi had respect voor meesters en hun werk. Als ik eerlijk ben: om die reden ben ik blij dat ik in het laatste deel zit van mijn loopbaan.’

Zoals in München hebt u vaker gewerkt, met wereldberoemde beeldend kunstenaars zoals Karel Appel, Jannis Kounellis en Anish Kapoor. Die maken geen decor maar een autonoom kunstwerk. Moest u daarvoor als regisseur een stapje terug doen, dus als het ware om hun werk heen regisseren?

‘Honderden stappen terug. De meeste beeldend kunstenaars denken na over één beeld, niet over de activiteiten eromheen. Anish Kapoor maakte in 2012 een spiegel van zeven meter doorsnee voor Parsifal. Zo’n spiegel moet je regisseren als een personage. Niet meteen het mysterie weggeven, maar zo’n object langzaam tot leven brengen en een rol laten spelen in het drama. Nu doe ik Parsifal in München met Baselitz. Het is uniek dat ik dezelfde opera kan maken met twee belangrijke kunstenaars die elk een eigen totaal verschillende spiritualiteit hebben.

‘Muzikaal gezien is mijn blessing dat ik heel snel een partituur begrijp. Toen ik in 2010 de wereldpremière van Wolfgang Rihms Dionysos regisseerde in Salzburg, arriveerde de partituur pas op de eerste dag van de repetitie. Ik heb de vaardigheid om snel een vorm te vinden. Dat kan ik ook met beeldend kunstenaars. Ik kijk naar hun voorstel en weet heel snel wat ik níet moet doen. Dat is mijn startpunt.’

Uw kinderen zijn 1 en 5. Wat voor soort operavoorstellingen zien zij over 25 jaar?

‘Op dit moment is deconstructie in de mode. (Het ontleden en weer in elkaar zetten van een opera naar inzicht van de regisseur en soms de dirigent, eventueel met weglating van bepaalde delen of toevoegingen uit andere werken, red.) Een aanhanger is de Pool Krzysztof Warlikowski, die hier de opera Wozzeck van Alban Berg heeft geregisseerd. Hij ontwerpt zijn eigen speeltuin en creëert met zangers-acteurs een muziekdrama op zijn eigen voorwaarden, dat toch Wozzeck blijft. Maar als je me vraagt om in de toekomst te kijken: het is me een raadsel wat na het deconstructivisme komt.’

Maar u hebt het jaarlijkse Opera Forward Festival opgezet om nieuwe tendensen en nieuwe talenten een kans te geven. Dan moet u toch iets kunnen zeggen over de toekomst?

‘Persoonlijk zie ik veel potentie in de aanpak van de Engelse toneelregisseur Simon McBurney. Ik ben lang bezig geweest hem te interesseren voor opera. Dat is gelukt. Hij is enorm muzikaal en kan klank meteen vertalen in actie, in een theatrale attitude van de zangers. Hij wil dat alles beweegt en zal zich nooit vastzetten in een decor. Hij bouwt iets dat net zo beweeglijk is als de muziek. Geniaal. Er zijn niet veel regisseurs die de bravoure hebben om dat te doen.’

Hoe gerust bent u dat er over twintig jaar hier nog een bloeiend operabedrijf is? Met andere woorden: hoe zeker kunnen we ervan zijn dat de Nederlandse overheid de opera blijft steunen?

Tricky. Ik maak me daar zorgen over. Ik heb veel lof voor de manier waarop de Nederlandse overheid cultuur respecteert. In andere landen zijn kunstinstituten vaak veel afhankelijker van privégeld. Maar kunst is economisch kwetsbaar: als het niet meer gesteund wordt, stort het in. De opkomst van het populisme: je kunt iets bloeiends in één dag kapotmaken. Wat ook meespeelt is dat het Nederlandse publiek niet meer bereid is in groten getale naar de opera te komen. Opera blijft hier een luxe, een curiositeit. In Duitsland staat cultuur veel meer centraal in educatie. Daar is het een tweede natuur geworden om naar de opera of een concert te gaan.’

U hebt altijd artistieke veldslagen geleverd, nooit politieke. U bent bijvoorbeeld nooit op tv geweest om uit te leggen wat het belang is van opera.

‘Zo zit ik niet in elkaar. In Aix-en-Provence zal ik dat meer moeten doen. In Frankrijk is alles politiek. Daar geldt nog de politiek van Louis XIV; je moet altijd de hand van de markies kussen. Dat is niets voor Pierre Audi, maar ik zal dat toch moeten doen.’

U hebt moeten wennen aan het Hollandse karakter. Hoe zou u dat willen omschrijven?

‘Nederlanders kunnen warmte herkennen en waarderen, maar ze stralen het niet van nature uit. Ik voel affiniteit met een mate van calvinisme: soberheid en humanisme. Die twee dingen zitten ook in mijn regies. Er staan echte mensen op het toneel. Tot mijn eigen verbazing begreep ik dat sobere aspect van de Nederlandse cultuur heel goed. Het bleek een inspiratie om mooie dingen te doen.’

U begon als eenzame ziel in Amsterdam. Dertig jaar later, bij uw professionele vertrek, wordt u officieel Nederlander.

‘Dat is het plan, ja, mede vanwege mijn kinderen die hier opgroeien. Ik voel me al jaren thuis tussen de Nederlanders en het is een plezier om hier te wonen. Ik zal veel in Frankrijk en New York zijn, maar juist daarom wil ik me sterker binden aan Nederland.’

Richard Wagner: Parsifal. München, Nationaltheater, 28/6. Stream via staatsoper.tv (8/7 en 9/7). NPO Radio 4, 14/7.

47 titels

In dertig jaar heeft Pierre Audi bij De Nationale Opera 47 titels geregisseerd. Hij begon in 1990 met Monteverdi’s Il ritorno d’Ulisse in patria en eindigde in maart 2018 met La morte d’Orfeo van Stefano Landi. Tot de 11 wereldpremières behoren Rêves d’un Marco Polo van Claude Vivier en Wagner Dream van Jonathan Harvey. Ook Nederlandse componisten kwamen aan bod, van Guus Janssen (Noach, 1994) tot Louis Andriessen (Theatre of the World, 2016).

‘Als regisseur heb ik drie stijlen’, zegt Pierre Audi. ‘Ik kan heel sober werken, wat geconcentreerd drama oplevert. Of ik vertel juist visueel complexe verhalen, vaak in samenwerking met beeldend kunstenaars. Mijn derde passie is de deconstructie van de toneelruimte.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden