Pier en Oceaan

De schaarse bevlogen passages redden het boek niet, de taal doet denken aan Swiebertje

Terug naar de Wijde Ee in Friesland. Zeilen in de stilte, tussen de waterlelies en lisdodden, begeleid door de brul van een kikker. Edo Mesch deed het, de hoofdpersoon in Opwaaiende zomerjurken (1979), de beroemde roman van Oek de Jong (1952) over een jongen met een scheel oog die zichzelf in de weg zit en die ernaar snakt om ergens in op te gaan - in het nu, in de natuur, in een vrouw. 'Ik wil. Ik wil. Ik. Wil.' Wat Mesch wilde, loskomen, lukte De Jong in het schrijven, door de toepassing van de dynamische monologue intérieur.

Meer dan dertig jaar later doet Abel Roorda, de schele hoofdpersoon uit Oek de Jongs grote tweedelige roman Pier en oceaan hetzelfde: zeilen op de Wijde Ee, in het natuurgebied van zijn Friese voorvaderen. En er zijn meer overeenkomsten: de opwaaiende zomerjurk van moeder, bij wie Edo Mesch achter op de fiets zat, is in Pier en oceaan de rok van een begeerde vrouw: 'Het wond hem op, dat zwoegende trappen en haar benen in een strakke rok, het vooroverleunen van haar bovenlichaam op het fietsstuur.'

En zelfs van de wilsuiting waar Opwaaiende zomerjurken mee eindigt (een verwijzing naar het slot van Joyce's Ulysses), klinkt een echo in het nieuwe boek: 'Hij stond te wateren in het fluitenkruid en zei tegen zichzelf: 'Ik ben hier, hier, in dit gras, onder deze bomen en nooit zal het meer zijn als nu. (...) Ik ben hier, hier ben ik, hier'.' Zeggen dat De Jong zijn succes dunnetjes overdoet, zou onjuist geformuleerd zijn, want Pier en oceaan telt ruim achthonderd pagina's. Des te wonderlijker is de vaststelling dat hij geen steek verder komt.

Sterker nog, de traagheid van het nieuwe boek, dat de eerste negentien levensjaren van Roorda beschrijft tussen 1952 en 1971, en waarin de grootste beweging de verhuizing is van Friesland naar Zeeland, waar vervolgens de basaltblokken, het wier en de paalhoofden worden bezongen, maakt de lectuur van Pier en oceaan (genoemd naar het schilderij van Mondriaan) tot een bezoeking. Waarom wordt alles uitentreuren herhaald? 'Ze had zich de vlek in haar trouwjurk herinnerd' (pagina 17), 'Tijdens de receptie ontdekte ze op haar bruidsjurk, ter hoogte van haar linkerborst, een donkere vlek' (pag. 18), 'een ogenblik later zag ze de vlek op de glanzend witte zijde bij haar borst' (pag. 19). Zit-ie er nou nóg, ga je dan denken, terwijl de moeder in kwestie de vlek drie keer achter elkaar voor het eerst ziet.

Waarom doet Oek de Jong dit? De eenzelvige protestantse jongen die zo graag zou losbreken, die zijn hele jeugd zit te wachten op een verandering, heeft zijn geremdheid niet van een vreemde. Misschien is dát de drijfveer van de auteur geweest, om die bedrukkende jaren vóór de volwassenheid oeverloos door te nemen: nu laten zien wie die ouders waren, een moeder Dina die haar lesbische gevoelens verstopte en vol frustraties zat, en een vader Lieuwe die een rector was en een onuitstaanbare opschepper die op het strand de memoires van Churchill ging liggen lezen.

Het zou kunnen dat De Jong als een naturalist wil aantonen dat je als eenzaam protestantje in de jaren vijftig en zestig écht opgesloten zat in de provincie, met als enige lichtpunt het overvloedig aanwezige en nog niet druk bevaren water, lekker om meditatief over uit te kijken, in te zwemmen of op te zeilen.

Gebleven is het luie navelstaren. Abel is uitsluitend met zichzelf bezig, meisjes worden begeerd als middel om zich te verliezen, hun fysiek wordt beschreven van kuit tot 'malse uiers', maar op interesse in de ander valt de hoofdpersoon niet te betrappen. Daarmee wil ik niet zeggen dat hij de veronachtzaming van anderen of hun pesterijen heeft verdiend, maar wél ontsnapte mij een kreet toen ik, met de tong op de schoenen, pagina 786 had bereikt en daar de zin las: 'Een volkomen nieuwe gewaarwording deed zich voor: hij wilde aan het werk.' Dat werd verdomme tijd.

Het is trouwens nog wennen, dat zie je, die gewaarwording die zich als een natuurfe

nomeen 'voordeed', maar de lezer voelt al aan zijn water dat wij van zijn eventuele activiteiten zelve niets meer gaan merken. Dat valt buiten het bestek van dit boek.

Halverwege leek het er even op dat Abel iets ging maken, toen hij aan een verhaal begon over een jongen die in zijn eentje op een paalhoofd zit, maar verder dan een schets kwam hij niet. 'Het was of het schrijven hem iets had onthuld wat hij liever verborgen hield.'

Dat kan een effect van schrijven zijn, een onthulling. Oek de Jong schreef in 1997 een essay over de ideale roman, die zou eindigen met 'een echtheid die ontroert en bevrijdt'. Abel durft daar nog niet aan, de 60-jarige Oek doet dat voor hem in deze roman. Alleen kénden we dit verhaal al. De schaarse bevlogen passages redden het boek niet, de stoffige taal doet denken aan Swiebertje (een pak slaag 'dat hem zou heugen', 'gekheid maken'), en soms is de humorloze De Jong per ongeluk grappig: 'Ze kreeg zijn gezwollen penis in haar hand gedrukt'. Pak aan, meid.

Dit boek is aangekondigd als het 'magnum opus'. Dat is holle uitgeverstaal voor: een veel dikker boek dan u had verwacht. Men is gewaarschuwd. In Pier en oceaan gaat het achthonderdtweeëndertig pagina's lang van kabbel, zaag, gaap en oeke-tjoek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden