Petrarca

'Ik denk dat er op aarde nauwelijks een plekje te vinden is dat zo mooi gelegen is als dit.' Francesco Petrarca, misschien de invloed..

rijkste dichter van de westerse literatuur, woonde jarenlang in Fontaine-de-Vaucluse. Hij schreef er enkele van zijn grote werken en ook veel van zijn gedichten. Er is nu een klein Petrarca-museum, vier kamers groot, maar volmaakt. Het is er groen, stil en er ruist water, van de rivier de Sorgue, die in de zomer een matig leven leidt, want alleen gevoed wordt door kleine beekjes. In het voorjaar is hij heftiger; zijn ontelbare bronnen verenigen zich iets verder onder de bergen, uit een diepe grot wordt het water naar boven gestuwd en dondert naar buiten: de schepping van de rivier is een haast gewelddadige.

Fontaine-de-Vaucluse heet het plaatsje. De stroom toeristen, allen op weg naar de rots waaruit het water wordt geslagen (in de zomer is het een gat waarin in de diepte inktdonker water stilstaat), maakt meer geruis dan het water. Maar naast het negentiende-eeuwse huis dat op de plaats van de stulp van Francesco Petrarca staat, is het groen, stil en landelijk.

De dichter heeft er met tussenpozen vele jaren gewoond, in een eenvoud die hij in zichzelf bewonderde, zoals een brief uit 1352 - hij bezat het huisje met twee tuintjes toen al vijftien jaar, maar binnenkort zal hij voorgoed naar Italië terugkeren - kan bewijzen. Hij beschrijft de simpelheid van zijn dagelijks leven, naar de zinnen, naar de kleding, eten en drinken. En naar zijn wonen. Dit is de mooiste passage uit de brief, want zijn kleine wereld bestaat nog na zeshonderdvijftig jaar:

'Ik heb hier twee tuintjes gekocht die perfect aan mijn neigingen en bedoelingen beantwoorden. Als ik ze nu ging beschrijven, was ik voorlopig nog niet uitgepraat. Om het in een paar woorden te zeggen: ik denk dat er op aarde nauwelijks een plekje te vinden is dat zo mooi gelegen is als dit. (. . .). Ik noem dit plekje altijd mijn Transalpijnse Helicon. Want het ene tuintje, dat door zijn schaduw alleen maar geschikt is voor studie en gewijd is aan Apollo, bevindt zich boven de bron van de Sorgue en daarachter zijn alleen maar rotsen en woonplaatsen van vogels of wilde dieren. Het andere dat vlak bij mijn huis ligt, ziet er verzorgder uit en is dierbaar aan Bacchus. Het ligt (je houdt het bijna niet voor mogelijk!) midden in de zeer mooie snelstromende rivier.'

Ook daar studeert hij, gezeten in de schaduw van een rotswand. De Vaucluse is Petrarca's plaats van afzondering, van afkeer van de grote drukke wereld (waarvan hij de bekoringen heel goed kent). Op het grasveld naast het huis staan een paar stoelen en een tafeltje. Men zit in een van zijn tuintjes. Mijn gedachten willen niet de hoge vlucht nemen die die van Petrarca daar bereikten. Ze dwalen, zoals hij zelf, naar eigen zeggen, daar vaak rondzwierf. Maar hij moet de meeste tijd toch in zijn huisje hebben doorgebracht. Want hier schreef hij enkele van zijn grote Latijnse werken en ook heel veel van zijn gedichten, die soms een directe verwijzing naar zijn klein Arcadië tonen, als in sonnet 114:

Hier in deze eenzaamheid, waar bloem en gras heerlijke geuren door mijn verzen mengen, praat ik met Liefde en denk ik aan wat was om me in dit triest verwjlen troost te brengen.

Hij was een van de grootste en misschien wel de invloedrijkste dichter van de westerse literatuur, in elk geval de grootste liefdesdichter, die zijn Laura onsterfelijk heeft gemaakt. In het bovendeel van het huis - op de begane grond wordt de dichter René Char, die uit deze streek komt, herdacht - is een klein Petrarca-museum. Vier kamers groot, maar volmaakt. Iedereen gaat naar het water dat er niet is; wij zijn de enige bezoekers. Laura is in vele geïdealiseerde afbeeldingen haast alomtegenwoordig en de dichter zelf laat zich ook zien en voor de goede luisteraar misschien wel horen in de stille kamers.

Leven en naleven en de Vaucluse zelf zijn schitterend verbeeld in vele schilderijen en gravures. Maar er liggen ook vroege drukken van zijn verzameld werk en - in reproductie - de door Simone Martini gemaakte titelpagina van Petrarca's Vergilius-editie. De Vaucluse was het model voor het idyllische landschap erop. De achttiende eeuw (wanneer men gaat reizen) en de romantiek van de negentiende blijken Laura en haar minnaar en de pastorale omgeving van zijn eenzaamheid heel erg te hebben geboeid: er ontstaat in de poëzie en in de beeldende kunst een zo sterk idealiserend Petrarkisme, dat Laura, Francesco en de Vaucluse tot symbolen uitgroeien.

De Vaucluse was voor Petrarca al een beeld: dat van zijn rust en eenzaamheid zoekende ziel, een van de twee die in hem huisden. De andere zocht de verlokkingen van de wereld, de roem, de drukte van het bestaan. In het begin van het eerste boek van zijn De vita solitaria, 'Over het eenzame leven', stelt hij twee figuren in hun dagelijks leven tegenover elkaar: de rustende beschouwende geest, die bijna een monnik is, en een drukbezette man in een stad. Het is zijn eigen dubbelportret. Maar ook het beeld van zijn twee werelden, en die krijgen symbolisch gestalte in Vaucluse en Avignon. Zij zijn de twee grote tegenpolen van zijn wereld, maar ook zijn eigen tegenkrachten, zijn mondaine en zijn geestelijke kant.

Zijn Avignon was dat van de pausen, die daar van 1309 tot 1377 leefden of beter hof hielden in de rijkste ballingschap uit de geschiedenis. Petrarca heeft het bemind en gehaat en de vurigheid van de haat kan alleen uit zijn grote liefde voor de weelderigheid van het hofleven verklaard worden. Hij heeft zichzelf - en zijn broer Gherardo - opgeroepen in hun bijna dandy-achtige leven daar. Zijn grootste beschermheer, die hij gevleid heeft en gediend, de kardinaal Giovanni Colonna, woonde er; hij was lid van de curie.

Maar hij had er ook op de goede vrijdag 6 april 1327 in de kerk van de heilige Clara het meisje Laura in de ogen gekeken. Zij werd zijn symbool van licht, liefde en zuiverheid, zijn poëzie als men wil. Zij zal, evenals de kardinaal, in 1348 aan de pest sterven. En de klacht om haar onbereikbaarheid tijdens haar leven wordt die om haar onbereikbaarheid in de dood. 'Van nu af wil ik leven door jouw sterven.'

Avignon, hij heeft het het zo uitgescholden, dat er een zelfvervloeking in hoorbaar is, in proza, maar ook in zijn gedichten. Het genoemde sonnet 114 begint met de strofe:

Onzalig Babylon, waar 't mensenras zijn eer in 't vuur der zonde pleegt te zengen, kiemplaats van ketterij, in zak en as ben ik je ontvlucht om 't leven te verlengen.

Het mausoleum dat het pausenpaleis in Avigon nu lijkt geworden, zou hem door de leegheid met geluk hebben vervuld. Het staat er nog altijd als een burcht - op een rots gebouwd, gelukkig toeval, want op de rots werd de kerk gevestigd. Van binnen zijn de grote en kleine zalen voornamelijk kaal: in twee voorname kleine kapellen en in de werkkamer van de paus zijn nog prachtige muurschilderingen te zien, in de kapellen geschilderd door Matteo Giovannetti. De overdaad laat zich nog slechts raden, misschien nog het meest aan de afmetingen: de kapel is haast even groot als de banketzaal.

De pausen waren nog niet het slechtst - de laatste, Urbanus V, die weer naar Rome terugkeerde, is zelfs zalig verklaard - het Babylon werd gemaakt door de kardinalen en de ontelbare curiedienaren: de meest celibaitaire stad, Petrarca vertelt er ook in zijn brieven over, walmde van de zinnelijkheid en onkuisheid. Het grote paleis, met het innerlijk gebrek aan samenhang van een gebouw dat nogal eens uitgebreid werd, staat nu zo leeg dat het gemakkelijk weer een symbool wordt: van een gat in de kerkgeschiedenis (die misschien alleen uit gaten bestaat).

Er is een tweede symbool: de Pont St.-Bénézet, die al eeuwen lang de andere oever van de Rhone niet meer haalt. Daar ligt de kerk van de Pontifex Maximus, de grootste bruggenbouwer, die de paus is.

Aan de overzijde van de Rhone ligt het lieflijke Villeneuve-lès-Avignon, waar veel kardinalen woonden. Paus Innocentius VI liet er het grootste kartuizerklooster van de eeuw bouwen: als anderen bidden hoef je zelf niet te boeten. Het staat er nog voor een groot deel in zijn indrukwekkende soberheid, die niet de kaalheid van het vergaan is, maar die van de ascese verraadt. In een uithoek van de kerk ligt onder een een rijk gebeeldhouwd gotisch grafbaldakijn de pauselijke stichter, totaal verlaten, bijna buiten de geschiedenis geplaatst. Alles is hier dood.

Petrarca heeft het klooster zien bouwen. Hij hield van de kartuizerorde, zeker sinds 1343, toen zijn broer Gherardo in het klooster van Montrieux intrad en zo de radicale keuze maakte waarvoor Petrarca altijd is teruggedeinsd.

Het teken van verschil was al vroeg gegeven. In 1330 of misschien later beklom Petrarca samen met zijn broer de Mont Ventoux. In een brief aan een de Augustijn die hem eens de Belijdenissen van Augustinus cadeau deed - die werd Petrarca's misschien meest vereerde auteur en voorbeeld - beschreef hij de tocht. Het verslag ervan is dubbelzinnig: achter de beschrijving van de beklimming gaat een ander verhaal schuil: de beklimming van een berg als de levensweg naar God. Gherardo beklimt de berg snel en rechtstreeks. Hij is als eerste boven. Petrarca stijgt en daalt weer, hij zet niet door en komt veel later boven.

De daad van de beklimming was revolutionair. Misschien was de top toen al even kaal als hij nu is. Ik kreeg boven op die gele steenberg, die een woestijn lijkt, niet de hoge gedachte die Petrarca op de top uit de Belijdenissen citeerde. Maar hij was daar met zijn broer en twee bedienden als enige. Het moet heel stil zijn geweest. En dan is de hemel al gauw dichterbij.

Zijn dag was een heldere, hij keek om zich heen en wist in de verte zijn vaderland Italië. Maar misschien heeft hij in het zuidwesten Avignon zien liggen. Daar voelde hij zich toen nog thuis en daar leefde Laura. Iets meer naar het oosten lag Fontaine-de-Vaucluse. Hij moest het nog ontdekken. En daarmee het geluk van de eenzaamheid, dat zijn broer volkomen zal bereiken. Voor hem en zijn medekluizenaars schreef hij het schitterende werk De Otio Religioso, dat onder de titel Godgwijde ledlighei in het Nederlands is vertaald. Voor die ledigheid heeft hij teveel gewerkt en te veel bemind.

De mevrouw van het Petrarca-museum schonk ons op het grasveld achter het huis thee. 'Gelukkig dat hier niemand komt', riep ze uit. Ze kent de man tot wiens leven zij toegang geeft. Ik kijk naar de bergwand. Ik begrijp zijn verlangen naar schaduw. Daar in het halflicht kreeg hij de helderste gedachten. Denk ik.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden