Peter Middendorp kroop in het hoofd van de moordenaar van Marianne Vaatstra: ‘Alles was zo verdomd gewoon’

Voor zijn nieuwe roman kroop Peter Middendorp in het hoofd van de moordenaar van Marianne Vaatstra. Een griezelig normale man, ontdekte hij.

Peter Middendorp: Jij bent van mij. Prometheus; 304 pagina’s; € 19,99.

Foto Aurélie Geurts

Toen Peter Middendorp op een van de eerste dagen van mei 1999 in de krant las wat Marianne Vaatstra was overkomen – een 16-jarig meisje was op de weg van Kollum naar haar ouderlijk huis in Zwaagwesteinde van haar fiets getrokken, verkracht, vermoord en achtergelaten in het weiland – schrok hij zich rot. ‘De leefwereld van Marianne was gelijk aan die van een vriendin met wie ik ooit verkering had. Een lief meisje uit Friesland met sproetjes. Ik kende de weilanden, de dorpen, de straten. En de Ringo, het café waar Marianne de laatste avond van haar leven was geweest. Dat had mijn vriendin kunnen zijn, die daar was vermoord.’

Middendorp had zijn vriendin destijds in Groningen leren kennen. Aan het einde van zijn opstandige jeugd in Emmen, waar hij twee keer van school werd geschopt – andere middelbare scholen in Emmen wilden hem toen niet meer hebben – had hij ontdekt dat hij niet zo dom was als hij zich geregeld had gedragen. Dus maakte Peter zijn school af in de avonduren, ging studeren in Groningen en ontdekte de schrijver in zichzelf.

‘Na het nieuws van de moord op Marianne Vaatstra was ik net aan mijn allereerste opdracht toe’, zegt Middendorp. ‘Voor HP/De Tijd mocht ik een reportage schrijven over de moord bij Zwaagwesteinde. Ik kan me mijn eerste stappen in dat dorp nog goed herinneren. Er kwam een man op me af met één oog. Die vertrouwde het niet, wist gelijk dat ik niet van daar was. Hij eiste dat ik mijn tas zou openmaken, want hij dacht dat er een verborgen camera in zat. Maar er zat niets in mijn tas dan een oude krant en een broodje kaas. De man zei: ‘Eet je dat nog op?’ ‘Nee’, zei ik. Hij pakte het broodje en at het op.’

Alles was achterdocht in dat gebied. ‘Toen ik de trein uitstapte, kon ik de pijn voelen. Er bekroop me een onbehaaglijk gevoel. Ik was jong, had nog een heel romantisch idee van journalistiek: je gaat op pad om iets te zien en mee te maken en dat zo mooi of spannend mogelijk op te schrijven. Dat is ook wel een beetje zo, maar de journalistiek kan ook ranzig zijn. Ik voelde me een voyeur, zoals ik daar liep te spieden in dat schuldige landschap.’

Middendorp zag de Friese wouden als een mysterieus tussengebied. ‘Weggetjes tussen de coulissen in het landschap. Terreinen waar je je kunt verstoppen, schuilplaatsen waar je nooit gevonden wordt. Daar houden zich de schimmige types op. Daarom had die man die me aansprak in Zwaagwesteinde ook maar één oog’, lacht hij. ‘Het schijnen daar allemaal messentrekkers te zijn.’

Hij schreef zijn stuk, maar de moord liet hem niet los.

In 2002 publiceerde Middendorp zijn eerste roman, Noordeloos, die zich op het terrein van zijn jeugd afspeelde. Hij werd als schrijver beschouwd als een natuurtalent – al kon hij het van dat stempel Spaans benauwd krijgen. En een jaar of tien geleden trok hij naar Den Haag om zonder vaste opdrachtgever het politieke bedrijf te gaan beschouwen. Dat bleef niet onopgemerkt, vanwege de onorthodoxe wijze waarop hij te werk ging. Hij toonde zich geen journalist die het politieke spel meespeelde en het Haagse jargon incorporeerde.

Integendeel. Middendorp keek als een etholoog naar het gedrag van de apen – en deed daarvan in onverbloemde en ongezouten stijl verslag. Hij zag er ook niet tegenop om keihard op de man te spelen. Zijn eerste en belangrijkste slachtoffer was Ferry Mingelen, topaap onder de Haagse verslaggevers, met wie Middendorp een afspraak probeerde te maken voor ‘een oriënterend kopje koffie’. Maar Mingelen bleek niet van zins om de nieuwkomer op het Binnenhof veel duidelijk te maken. ‘Ik ga je ook niet vertellen wie ik een lul vind’, zei Mingelen tegen hem. Middendorp schreef het op in ‘De totale Ferry’, een stuk dat hem veel vijanden zou opleveren (vrienden van Mingelen openden de Peter Middendorp-hondenuitlaatstrook, zodat hij eens ‘flink werd ondergescheten’), maar ook veel bewonderaars.

Pieter van Os vergeleek Middendorp in Wij begrijpen elkaar uitstekend, een boek over de permanente wurggreep van pers en politiek, met Frans Netscher, een man die het naturalisme wilde introduceren in Nederland in het fin de siècle van de 19de eeuw, een rol die Van Deyssel al voor zichzelf had bedacht, waarna Netscher afdroop en naturalistische schetsen over het bestaan op het Binnenhof ging schrijven.

‘Eerlijk gezegd had ik nog nooit van Netscher gehoord’, zegt Middendorp, ‘pas toen ik zelf al enige jaren bezig was. Ik vond het leuk getroffen, en ook wel grappig dat iemand een eeuw geleden hetzelfde deed, je om de zaken zelf niet te veel te bekommeren – je moet ook zorgen dat je nergens verstand van krijgt, wat in de praktijk nog een hoop gedoe is – maar de boel heel nauwkeurig proberen te beschrijven, zodat er hopelijk een beetje een waardevol beeld oprijst. De vergelijking tilde m’n werk daar voor mijn gevoel ook uit het schandaalhoekje en herplaatste me op een plek waar ik me beter thuis voelde.’

Hij wil wel graag erbij zeggen dat zijn werk pas met dat van Netscher werd vergeleken nadat Rutger Castricum het Binnenhof had betreden. ‘Toen werd pas zichtbaar dat het niet schandalig was wat ik deed, maar literatuur. In Den Haag maakte ik een ontwikkeling door als observator. Ik ben meer naar de menselijke conditie gaan kijken.’ Hij lacht. ‘Ik zie de gekte in iedereen, ook in mezelf.’

Die stelling wordt bewezen in de roman Vertrouwd voordelig, verschenen in 2014, waarin hij het verrotte leven van de puberzoon van de Emmense filiaalhouder van Blokker beschreef. Een schrijnende en hilarische roman over een schijnbaar uitzichtloze provinciale jeugd tussen goedkope afdruiprekjes en citruspersen. Opnieuw waren de reacties verdeeld. De literaire critici waren juichend – het regende sterren – maar in Emmen en Drenthe waren er nogal wat mensen boos.

‘Dat kwam helemaal onverwacht’, zegt Middendorp. ‘Ik schreef een roman over Drenthe, waar ik vandaan kom. Daar had ik heel erg m’n best op gedaan. Dat was echt liefdewerk. Natuurlijk háát die jongen alles wat er om hem heen gebeurt. Maar dat doen jongens. Mensen van buiten Emmen zagen dat scherper dan mijn oude buurtgenoten. Het is in wezen in elk dorp, in elke stad, in elk gezin hetzelfde.’

In Vertrouwd voordelig wordt Drenthe getypeerd als ‘het enige stukje grond in de geschiedenis waar nog nooit om is gevochten’. Middendorp schudt meewarig het hoofd. ‘Daar kon men in Drenthe helemaal niet om lachen. In de gemeente Aa en Hunze werd onmiddellijk de vergadering van B en W over de mogelijke plaatsing van windmolens uitgesteld. De burgemeester was boos en een van de wethouders, een amateurhistoricus, ging heel precies opschrijven dat er in twaalfhonderdzoveel Drentse boeren hadden meegevochten in de slag bij Ane.’ Hij grinnikt. ‘Die slag was alleen nét in Overijssel.’

Bij de presentatie van zijn roman in de boekhandel in Emmen – recht tegenover de Blokker-vestiging die vroeger door zijn vader werd bestierd – moest Middendorp worden beveiligd. ‘Wat waren de mensen boos! Vooral voor mijn ouders was het moeilijk. Die waren aanvankelijk ook geschrokken van mijn boek. Pas toen mijn vader het onderscheid tussen non-fictie en fictie begreep, vond hij het prachtig. Mijn vader genoot ook van het succes van het boek. Bovendien mocht hij mee op televisie, naar de talkshow van Eva Jinek. Op straat in Emmen roepen ze nog steeds weleens: ‘Hé, bekende Nederlander!’ Hij heeft er vooraf pijn van gehad, maar achteraf veel plezier.’

Voorin zijn nieuwe roman staat: Jij bent van mij is fictie. ‘Die nadrukkelijke waarschuwing komt direct voort uit de problemen die ik kreeg na de ontvangst van Vertrouwd voordelig’, zegt Middendorp. ‘Maar die is ook bedoeld om te laten zien dat het mij niet te doen is om de werkelijkheid, maar juist om de verbeelding. Natuurlijk heb ik me gebaseerd op de moord op Marianne Vaatstra. Maar mijn roman is geen biografie van Jasper S. of een exacte reconstructie van de gebeurtenissen. Het is een poging om te begrijpen wat zich afspeelt in het hoofd van een moordenaar die dertien jaar zwijgt. Hoe kan de dader leven met zijn daad? Die vraag wilde ik van binnenuit beantwoorden – en dat kan alleen in een roman.’

Op een zaterdagmiddag in het voorjaar van 2006, zeven jaar na de moord op Marianne, was Middendorp erbij toen het Tweede Kamerlid Hilbrand Nawijn zich met de zaak ging bemoeien. Een oud-rechercheur had een rapport geschreven waarin stond dat dit soort misdrijven bijna altijd ‘omgevingsgebonden’ zijn. De rechercheur vond het een gemiste kans dat er geen uitgebreid dna-onderzoek was gedaan. Dat vond ook de vader van het slachtoffer, Bauke Vaatstra. Nawijn pleitte daarop bij minister Donner van Justitie voor een grootscheeps onderzoek.

‘Nawijn’, zegt Middendorp, ‘is met zijn hoofd tussen het leed en de camera gaan zitten, zo zie ik dat. Maar misschien heeft hij door zich ertegenaan te bemoeien de zaak wel vooruitgeholpen. Enfin, ik ben toen in een opwelling naar die bijeenkomst gegaan, hoewel ik er niet over hoefde te schrijven. Wat me vooral trof was hoe de vader van Marianne eruitzag. Die verliet halverwege de voordracht van Hilbrand de zaal. Daar komt dat zinnetje in mijn roman vandaan: ‘Ik zag hoe verdriet een gezicht vervormde.’’

Middendorp had zich daar, net als de aanwezige journalisten, bekend moeten maken. Hij had Bauke Vaatstra een hand gegeven. ‘Later heeft hij mij ook weleens gebeld. Dat kwam heel diep bij mij binnen. Ik dacht: ik kan niks doen voor die man. Ik voelde me in vertrouwen genomen door vader Vaatstra. Inmiddels weet ik dat hij jarenlang fanatiek alle contacten bij de pers afbelde waarop hij de hand kon leggen. Hij streed met niet-aflatende energie voor het oplossen van de zaak. Ik bewonderde dat in hem: probeer maar eens heel te blijven als je dochter wordt vermoord en van de dader geen spoor is.’

Toen brak de dag aan dat de moordenaar werd gepakt. Nadat in 2008 een wetswijziging was doorgevoerd die meer mogelijkheden gaf voor verwantschapsonderzoek, verrichtte een nieuw rechercheteam op 29 september 2012 dna-onderzoek onder achtduizend mannen in een straal van 5 kilometer rondom de plaats delict. Verwantschapsonderzoek leverde een match op. Jasper S., een boer die op nog geen 2,5 kilometer woonde van de plek waar Marianne was gevonden, vader van twee jonge kinderen, een onopvallend lid van de gemeenschap, werd op 18 november van hetzelfde jaar gearresteerd. S. bleek zich vrijwillig te hebben gemeld voor de dna-test.

‘Hij was op zondagavond opgepakt’, zegt Middendorp. ‘Ik las dat op maandag in de krant en ben er dinsdagochtend naartoe gereden. Het terrein rond de boerderij was met linten afgezet. Er stond een aantal keten van de recherche. Ik moest ingewikkelde toeren uithalen om nog iets te kunnen zien. Een gevel van rode baksteen. Een schuur, een stal. Het hekwerk zat in de verf. Voor de ramen hingen zelfgehaakte siergordijntjes. Er was zelfs aandacht besteed aan dat huis. Zelfs, zeg ik… waarom niet? Waarom zou er géén aandacht besteed zijn aan dat huis? Daar was een intensief boerenbedrijf gevoerd. Daar had zich in die dertien jaar een gezinsleven afgespeeld. Alles was zo verdomd gewoon.’

Middendorp was nog volop bezig met Vertrouwd voordelig. ‘Maar toen ik naar huis reed, wist ik: hier ga ik een roman over schrijven. Ik voelde dat. Een overweldigende, fysieke ervaring.’ Wat hem fascineerde, was dat er sprake was van een dader én een vader. ‘Mijn eigen dochter, Lotje, was toen 1. Ik stond daar op die verschrikkelijke plek als een verliefde vader, verliefd op zijn dochter.’

Tille Storkema heeft een bedrijf en een gezin. ‘Hij heeft twee kinderen die op hun knie vallen en getroost moeten worden. Dat is juist wat wij altijd denken: iemand doet iets geks, dus is hij een gek. Maar misschien is dat helemaal niet waar. Het is heel comfortabel te denken dat hij een psychopaat is. Dat hij gewetenloos is. Maar dat is schijnveiligheid. Het is eigenlijk veel gruwelijker: de moordenaar kan in iedereen huizen.’

De ander heeft het gedaan, dat denken veel dorpelingen in Jij bent van mij. Tilles vader en zijn vrouw Ada verdenken asielzoekers van de moord, ook omdat het meisje de keel is doorgesneden.

‘De daders zijn allang weg. Ali en Hassan, of hoe heten ze. Die jongens. Die zijn direct al vertrokken, meteen de volgende ochtend.’

‘Welke Ali en Hassan?’ vroeg Ada, alsof ze er meerdere kende.

‘Die jongens van die snijbewegingen.’

‘Dat mechanisme ken ik nog uit mijn eigen jeugd’, zegt Middendorp. ‘Ik had als jongen iets kapotgemaakt in het winkelcentrum. De volgende dag stond in de Emmer Courant dat jongens uit andere wijken ’s nachts naar het centrum waren gekomen om de boel kapot te maken. Dat ben ik nooit vergeten. Vlak bij de plek van de moord op Marianne was een azc. Al die jaren werd in het dorp gefluisterd, en ook erbuiten: de asielzoekers hebben het gedaan. Toen bleek dat het een onopvallende vader van twee kinderen was, een lid van de gemeenschap, een van hen – dat was de grote schok.’

‘Mijn Tille’, zegt Middendorp, ‘heeft zich al die dertien jaren niet gemeld uit verantwoordelijkheidsgevoel. Wat zou er gebeuren met zijn kinderen als hij dat deed? Hij zit gekluisterd aan zijn angst voor ontmaskering. De werktitel voor mijn roman luidde: Er kan maar één leven het belangrijkst zijn. En dat is het leven van zijn dochter. Dat maakt hij zichzelf wijs.’ De titel Jij bent van mij slaat in de roman op Tilles dochter Suzanne. Als ze net is geboren, wiegt Tille haar, legt zijn neus op haar hoofdje en fluistert: ‘Nu ben je bij mij, nu ben je bij mij.’ Die woorden worden wreed weerspiegeld in wat Jasper S. voor de rechtbank verklaarde. Toen hij Marianne ’s nachts alleen zag komen aanfietsen, dacht hij: ‘Jij bent van mij.’

Vanaf het bezoek aan de boerderij van Jasper S. begon Middendorp zich te verdiepen in de profielen van lustmoordenaars. Hij las psychologische studies en ging bij wetenschappers te rade. Met de Groningse psycholoog Douwe Draaisma sprak Middendorp over de werking van het geheugen. ‘Om erachter te komen of Tille in staat zou zijn geweest zijn daad te verdringen. Als ik Draaisma goed heb begrepen kan dat nooit helemaal – al kan herinnering wel van vorm veranderen.’

In Jij bent van mij staat: ‘Sommige dingen gaan onderweg verloren, andere worden er later bij bedacht, al was het maar om de gaten te dichten die door de tijd onherroepelijk in verhalen worden geslagen. We kunnen niet tegen gaten, onze hersenen beschouwen ze als pijnlijke stiltes. De boel wordt haastig opgevuld, toegestopt, uit plaatsvervangende schaamte en pijn.’

In de roman komen Tilles herinneringen aan de moord opborrelen als giftige bellen in een moeras. Tussen de scènes met de kinderen, gesprekken met de ouders over de overname van de boerderij, het insemineren van een koe – pats, daar zijn ze: ‘Ik draaide me van haar weg, de benen licht gebogen, de hemel boven mij als de binnenkant van een eierschaal. De maan begon te schijnen. De volle maan. Alles baadde in een schitterend licht: het weiland, de bomen, de gladde, sneeuwwitte huid.’

‘Daar stond ik ook niet bij stil’, zegt Middendorp. ‘Ook voor de dader is de daad een traumatische ervaring. Ik zeg niet dat je dat erg moet vinden of medelijden met hem moet hebben, maar dat is wel het geval. Dat trauma bepaalt iemands gedrag.’

Uiteindelijk vroeg Middendorp belet bij Jasper S. in zijn cel. ‘Maar plichtmatig, jaren te laat. En ik was nummertje zoveel. Zijn advocaat zei al meteen: hij houdt alles af. Eigenlijk was ik opgelucht. Dan had ik me misschien verplicht gevoeld om met zijn werkelijkheid rekening te houden.’

Middendorp wist van meet af aan dat het perspectief bij de moordenaar moest liggen. Het werd een ik-roman. Hij experimenteerde wel met ‘hij’, maar dat werkte niet. Het moest dichtbij zijn. Dicht op de huid. Dat had als consequentie dat Middendorp zich tijdens het schrijven moest inleven in een moordenaar. ‘Eigenlijk heb ik me pas achteraf gerealiseerd dat het zwaar was. Nadat ik het boek af had, was ik ineens een paar kilo lichter.’

Hij zwijgt even. ‘Toch moet je dat ook niet overdrijven. Het is een kwestie van ambacht. Je houdt je in de praktijk bezig met technische aspecten, de vorm en de stijl van je boek. Wat vertel ik wel en niet? Dat heb ik me steeds afgevraagd. Hoe kijkt Tille naar het landschap om zich heen? Wat valt hem op in de wereld? Ik heb ontzettend veel geëxperimenteerd. Uiteindelijk heb ik heel veel weggelaten. Ik zie wel wat in de theorie van Hemingway: je laat als schrijver alleen het topje van de ijsberg zien. De rest van het verhaal bevindt zich onzichtbaar onder het ijskoude water.’

Foto rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.