Peter Buwalda

Interview Peter Buwalda

Peter Buwalda is eindelijk debutant af. Waarom duurde dat zo lang?

Peter Buwalda Beeld Daniel Cohen

Het móést lukken: in september 2018, ruim acht jaar na het succes van Bonita Avenue, zou schrijver Peter Buwalda (47) dan eindelijk zijn tweede roman publiceren. Die verschijnt pas vandaag. Leg dat maar eens uit, Peter.

Het was op een ochtend, begin september. Het tweede boek van schrijver Peter Buwalda zou op 25 september verschijnen. De bureauredactie, die normaal gesproken plaatsvindt op de uitgeverij, was al naar zijn huis verplaatst. Er was geen minuut meer te verliezen. ‘Die dame, Pascalle heet ze, kwam hier elke dag zitten’, vertelt Buwalda in zijn huis in Amsterdam-Noord. ‘Ze komt die ochtend binnen en ik zeg: Pascalle, ik ga het uitstellen.

‘Nee’, zegt ze.

‘Ja’, zeg ik.

‘Oei, dan ga ik even ergens anders heen.’

‘Ik ging bellen met de uitgever van De Bezige Bij en daar wilde ze niet bij zijn, dat vond ze te spannend. Het was ook heel spannend, want alles stond al in stelling. Het zou nog tweeënhalve week duren voordat mijn boek zou verschijnen. Er waren abri’s gemaakt, interviewafspraken gepland. Alles was geregeld.

‘Ik bel mijn uitgever Francien en zeg: het gaat niet gebeuren, ik krijg het niet af.

‘Je krijgt het wel af’, zegt ze.

‘Nee, ik krijg het niet af.’

‘Tuurlijk krijg je het af.’

‘Francien, ik krijg het niet af.’

‘Je krijgt het af, we komen er nu aan.’

‘Een half uur later komt er een taxi aanrijden. En hebben we hier een uur zitten praten. Achteraf hoorde ik dat ze al na vijf minuten had begrepen dat ik gelijk had.’

Hoe kwam het dat je je zo op de planning had verkeken?

‘Het probleem zat hem hierin.’ Hij wijst naar een enorme stapel printjes. ‘Dat is deel twee van de trilogie, De jaknikker, dat is al bijna af, ik ben voorbij pagina 1000. Voordat ik deel 1 ging herschrijven, was ik daar al twee jaar aan bezig geweest. Aan dat eerste deel had ik bijna een soort romantische vakantieherinnering, zo lang was het geleden. Maar toen ik het inleverde en er weer indook, zag ik ineens dat het niet klopte. Het was een puinhoop. Dus moest ik ineens extreem hard gaan werken om het voor de deadline af te krijgen. Maar dat was onhaalbaar.’

Hoe herinner je je het moment dat je moest vertellen dat je het niet ging halen?

‘Dat was echt dramatisch. Ik heb weleens geen column ingeleverd bij de Volkskrant, de eerste keer was ik het huilen nabij. Dat gevoel keer duizend.’

Wat maakte het zo spannend? Had dat vooral te maken met geld, dat die abri’s nu weg konden?

‘Het was echt zo’n campagne rondom een boek waarvan iets wordt verwacht. Er waren al heel veel mensen bij betrokken en er was al veel geld in geïnvesteerd. En ik ben dan degene die het verpest. Dat voelt niet fijn. Ik dacht dat het voor mij ook niet gunstig was om het uit te stellen. Ik verwachtte allerlei negatief commentaar, omdat mijn vorige boek al best lang geleden verscheen. Daarom heb ik tot het laatste moment tegenover mezelf volgehouden dat ik het zou redden. Ik weet nog goed dat ik hier zat met Jet (Steinz, Buwalda’s vriendin, red.) en dat was – nu ben ik wel heel eerlijk – al ergens in juni. Ik zei: ‘Volgens mij ga ik het niet halen.’ ‘Nee’, zei Jet, ‘natuurlijk ga je het niet halen.’ ‘Wát?!’ reageerde ik. ‘Hoho, sorry sorry’, zei Jet snel. ‘Tuurlijk ga ik het wel halen!’, riep ik. Ik leefde in een zeepbel die ik steeds verder aan het opblazen was. Zo van: het moet lukken, het moet lukken. De laatste week voordat ik het afbestelde, heb ik nog hele lappen tekst zitten schrijven. Dat is krankzinnig.’

Hoe wist Jet al wel dat je het niet ging redden?

‘Die zat er de hele tijd bij als ik zat te rekenen. En die zag hoeveel uren er in het schrijven gingen zitten en hoe elke planning net even uitliep. Zo van: dit hoofdstuk moet in vier dagen kunnen. Dat duurde dan vijf dagen. Het volgende hoofdstuk, dat is een pittige, dat duurt zeven dagen. Dat werden negen dagen. Maand in maand uit zag ze me steeds iets uitlopen. Als je dat allemaal bij elkaar optelt, moet er een wonder gebeuren, wil je het nog afkrijgen. En toen bleef dat wonder uit.’

Waarom heb je eerst zo veel aan deel 2 zitten schrijven voordat je het eerste deel inleverde?

‘Ik wilde er eerst één roman van maken. Maar op een gegeven moment werd het verhaal zo omvangrijk dat het me onverstandig leek het in één band te doen. Ik zou ook gek zijn geworden. Als ik die drie delen helemaal had moeten redigeren en op peil had moeten brengen, was ik nog jaren bezig geweest. En dan was mijn hoofd geëxplodeerd. Echt, dat was te ingewikkeld.’

Heeft ook het succes van Bonita Avenue ermee te maken dat je tweede boek zo lang op zich liet wachten? Otmars zonen telt 158.421 woorden, dat zijn er over 8,5 jaar gemiddeld 51 per dag. Iemand als Adri van der Heijden zit op zo’n tien pagina’s per dag.

‘Die berekening klopt niet helemaal, omdat ik ook al vijfhonderd pagina’s aan deel 2 heb geschreven en iets van driehonderd columns. Ik heb bovendien een aantal relaties gehad, met alle toestanden eromheen. En ik heb anderhalf jaar verloren aan optreden en buitenlanden bezoeken. Naar mijn idee heb ik het nog best snel gedaan.’

Ik ben ter voorbereiding te rade gegaan bij Adri van der Heijden, aangezien hij als geen ander weet hoe het is om een trilogie te schrijven. Zijn vraag aan jou was: ‘Is er bij jou een verband tussen hopeloos achteropraken en de neiging vervolgens megalomaan je hand te overspelen? Dat is voor mij altijd een vruchtbare methode.’

‘Haha, wat een grappig verband. Dat zodra je achteropraakt, je het nog groter wilt aanpakken...’ Hij denkt diep na. ‘Nee, dat herken ik toch niet. Ik heb altijd voortgang gemaakt bij dit boek. Alleen is er wel een aantal stoorzenders geweest. In het echte leven, in de liefde. Ik had een turbulente relatie met Annemiek, daarna heb ik een lange, veelbewogen relatie gehad met Suzanne en nu ben ik al een hele tijd met Jet. Die overgangen zijn niet de productiefste tijden geweest, kan ik je toevertrouwen. Van der Heijden is steeds bij Mirjam gebleven. Dat is een schrijftip van mij aan hem: blijf bij Mirjam.’

Je zei eerder dat je met je vorige boek een draak hebt gecreëerd die je met je tweede moest zien te vermoorden. Is dat je gelukt, denk je?

‘Dat weet ik nog niet. Dat hangt ook af van wat de rest ervan vindt. Als iedereen het een kloteboek vindt, dan niet. Jij hebt allebei mijn boeken gelezen, denk ik. Wat vind jij?’

Ik denk dat je de draak wel hebt verslagen.

‘Kijk, dat hoor ik graag. Mooi.’

Heb je zelf het idee dat het beter is geworden dan je vorige?

‘Ook daarvoor is het te vroeg. Ik zit er nog te dicht bovenop om er iets van te vinden. Maar ik ben tevreden. Anders had ik het niet ingeleverd.’

Peter Buwalda Beeld Daniel Cohen

Tijdens het schrijven van je vorige boek ging je op een bepaald moment al je hoofdstukken cijfers geven. Je schrok van de dikke onvoldoendes die ertussen zaten en bent die als een bezetene naar een 10 gaan schrijven. Verliep dat dit keer makkelijker?

‘Dat proces was ongeveer hetzelfde. De eerste keer dat je het leest, is het best aardig. Dan blijkt er toch van alles niet goed te zijn, dat moet ik herschrijven. Weer kut, wéér herschrijven, nog een keer en nog een keer. Ik herschrijf het een keer of zeven, voordat ik echt tevreden ben.’

Na het schrijven van je wekelijkse column voor de Volkskrant ben je een psychose nabij, zei je eens. Heb je dat bij je boek ook?

‘Voor Otmars zonen heb ik wel vaak om drie uur ’s nachts met mijn broer Mike aan de telefoon gezeten en dan was ik soms wel in een rare stemming. Dan kon ik iets wat nu gewoon in het boek staat, héél slecht vinden. Maar daar was ik dan echt héél, héél negatief over. In zeer vergaande bewoordingen. Het is kitsch! Het slaat nergens op. Dit kán niet! Zo kán iemand zich in een roman niet gedragen. Bonita Avenue is echt véél beter. Zo’n gesprek duurde een uur ofzo. En een dag later was het weer prima. Met wat kleine aanpassingen, dat wel.’

Belde je je broer dan nog wel even terug?

‘Ja. Hij is er sowieso heel nauw bij betrokken geweest als klankbord, doordat ik dacht eerder klaar te zijn en ik hem toen al had ingeschakeld. Dus hij heeft al mijn stemmingswisselingen meegemaakt. Ik heb mijn boek op een bepaald moment helemaal aan hem voorgelezen. Dat was in de fase waarin ik nog dacht het net op tijd af zou komen. Ik moest nog één herschrijfronde doen, dacht ik, en hoopte dat die sneller zou gaan als ik het voorlas.’

Hoelang heb je erover gedaan om die hele pil aan hem voor te lezen?

‘Hij dacht dat hij één nachtje bleef slapen, maar we merkten dat het langzamer ging dan gehoopt. Toen is hij een week gebleven. Een week lang heb ik hem fulltime voorgelezen. Tijdens het voorlezen kreeg ik soms een inzinking. Godverdómme man! Dit is zo kut, Mike. Ah, ik kán niet meer. Ik wil niet verder. Ik vind het walgelijk. En dan vloog mijn werk de hele kamer door. ‘Rustig Peet, rustig’, zei Mike dan. ‘Het valt wel mee. Zal ik anders een stukje voorlezen?’ Echt, een thriller was dat.’

Het idee voor je eerste boek kreeg je toen je in de trein zat en dacht aan jongeren en sociale media. Hoe was dat bij dit boek?

‘Ik heb ooit een verhaal gelezen over Colonel Parker, de manager van Elvis Presley. Een Nederlander die in de jaren dertig Breda verlaat en naar Amerika vertrekt. Hij verbreekt het contact met zijn ouders, die verliezen hem totaal uit het oog. Tot er op een dag in 1960 een Panorama bij ze op tafel belandt met een foto van Elvis die uit een trein stapt, met op de achtergrond zijn manager. ‘Dat is onze Dries!’, roepen ze. En het blijkt hem inderdaad te zijn. Het idee dat je je eigen kind onverwacht terugziet op een heel ander moment in een heel andere hoedanigheid: dat is de kiem voor dit boek geworden. De mannelijke hoofdpersoon Ludwig, die opgroeit bij zijn moeder en stiefvader, komt iemand tegen van wie hij denkt dat het zijn biologische vader is.’

Het is dezelfde thematiek als in Bonita Avenue: vaderliefde, van de biologische en de stiefvader.

‘Dat is waar, ja. Daar betrapte ik mezelf ook op. Maar iedereen maakt als-ie jong is dingen mee waaruit je onbewust put als je een boek, tv-serie of film maakt. Ik construeer een verhaal en dan komen er kennelijk dit soort verhoudingen in me op.’

Zelf heb je je biologische vader ook pas na meer dan 35 jaar leren kennen. In interviews heb je altijd geroepen: ‘Bloedband doet er niet toe, het gaat erom wie goed voor je is, daar hecht je je aan.’ Maar in dit boek trekt Ludwig wel erg naar zijn mogelijke biologische vader toe. Heeft een bloedband toch meer invloed dan je eerder vermoedde?

‘Voor mij niet, maar wel voor Ludwig. Ik heb niets met die jongen te maken. Wat ik interessant vind: vader en zoon kennen elkaar niet. Ze komen in elkaars buurt en blijken totaal anders te zijn, door een klein fysiologisch verschil. De een komt te snel klaar en de ander niet. Daardoor zijn ze heel verschillend, terwijl ze hetzelfde dna delen. Daar gaat het verhaal over. Als je een bazooka in je broek hebt zitten, word je iemand anders dan als er een waterpistooltje zit. Het hele complex van seksualiteit en hoe je daarmee kunt omgaan, vind ik interessant.’

Op een gegeven moment citeer je uit het boek Juliette van Markies de Sade een passage waarin een vader eerst wordt gedwongen zijn dochter anaal te verkrachten. Vervolgens moet hij samen met zijn vrouw toezien hoe de schurk hetzelfde doet bij zijn dochter, terwijl iemand anders met een scheermes het hoofd van de romp van het meisje scheidt. Als het meisje is onthoofd, verzucht de schurk: ‘Niets geeft zoveel wellust als dit. Je kunt je niet voorstellen hoe de anus zich samentrekt wanneer men langzaam de halswervels doorsnijdt, het is verrukkelijk.’ Het duurde bij mij wel even voordat ik van die scène was bijgekomen. Hoe kwam je daarbij?

‘Net als mijn vrouwelijke hoofdpersoon, Isabelle, vond ik dat boek van De Sade in de boekenkast van mijn opa. Het werd in 1974 vertaald en je kon het bestellen bij Boek en Plaat. Ik las het met afkeer, maar ook met fascinatie. Het gekke is dat De Sade eigenlijk een filosofische schrijver is, die veel heeft losgemaakt in intellectuele kringen. Ik heb die hele lijn met De Sade erin geschreven, omdat die zo duidelijk weergeeft dat wat voor de een de hemel is, voor de ander de hel is. Wat voor de dader genot oplevert, veroorzaakt bij de slachtoffers een enorm leed. Dat is wel vaker zo in het leven. Zo ervaar ik de wereld.’

Wanneer bijvoorbeeld?

‘Kijk naar overspel, daar heb je het in een notendop. Voor wie erachter komt, is het de hel. Voor wie het doet, is het de hemel.’

Hoe zit het bij jouw vak? De worsteling tijdens het schrijven klinkt als de hel, de hemel zou het succes kunnen zijn dat je ermee vergaart. Maar ik las dat je daar niet echt van geniet. Wanneer beleef je dan je geluksmoment?

‘Ehm, goede vraag... Als mensen zeggen dat ze dit boek beter vinden dan het vorige, ben ik wel blij. Ik zit niet voor Jan Lul zo hard mijn best te doen.’

Kon je je de afgelopen twee jaar wel ontspannen?

‘Nee, toen was het een en al kommer en kwel. Echt waar. Maar voor de rest ben ik heel normaal hoor. Vind ik zelf.’

Ben je te pruimen als je onder hoogspanning staat?

‘Volgens mij wel. Ik ben een heel aardig iemand, dat is echt zo.’

Maak je nog weleens wat mee als je hier in Amsterdam-Noord zit te schrijven?

‘Weinig. Als je nergens heen gaat, maak je ook niks mee. Behalve dat ik heel veel muziek draai. Dan maak ik wel een wondere reis. Dat vind ik al dingen meemaken, haha. Ik vind luisteren naar goede muziek of het lezen van een goed boek sowieso interessanter dan een lulverhaal van iemand aanhoren in de kroeg.’

De hoofdpersoon in het boek stoort zich aan zijn partner omdat zij ‘al haar denkkracht besteedt aan het piekeren over wie ze is’.

‘Haha, ja. Het is niet een-op-een hoe ik er zelf over denk, maar ik ben het er wel mee eens dat de gedachte dat je jezelf moet leren kennen nogal zonde van je tijd is. Je kunt beter Mozart leren kennen dan jezelf. Ik ken mezelf inmiddels wel een beetje. Vrij goed zelfs.’

Jij hebt geen last van zelfbedrog of blinde vlekken, zoals zovelen?

‘Jawel, maar ik vind mezelf minder interessant dan Mozart. Dus waarom zou ik bij mezelf blijven? Ik weet genoeg over mezelf. Laat ik het zo zeggen: ik heb mijn kostje wel gehad.’

Wat bedoel je daarmee?

‘Ik hoef niet de hele tijd over mezelf na te denken. Dat vind ik oprecht heel saai. Ik denk ook niet na over hoe mijn echte vader is, hoe die relatie had kunnen zijn. Daar ben ik totaal niet mee bezig. Ik heb wel wat anders te doen. Ik heb net in Polen een biografie over Napoleon gekocht. Daar ben ik wel nieuwsgierig naar. Ik interesseer me al mijn hele leven voor sterke mannen. Ik denk nog steeds elke dag na over Elvis. In mijn boek is de mogelijke biologische vader, Johan Tromp, ook een zeer sterk persoon. Daar kun je een Vatersuche achter zoeken, maar ik hou er helemaal niet van om ergens iets achter te zoeken. Je kunt het beter bij de voorgrond houden. Ik ben liever bezig met dat soort types dan dat ik nadenk over hoe het mij gaat.’

Kun je een boek schrijven dat de ziel van de lezer beroert, als je het psychologische bij jezelf ontkent, wegmaakt of niet wilt aanraken?

‘Er zit heel veel in dit boek dat mijn ziel raakt.’

Noem eens iets.

‘De band tussen Ludwig en zijn stiefvader Otmar raakt mij persoonlijk. In een omgeving zijn waar je bang bent dat je niet goed genoeg bent ten opzichte van de rest ook.’

Wanneer had jij dat?

‘Voor ik schrijver werd, heb ik wel perioden gehad waarin ik dacht: wat heb ik eigenlijk te vertellen? Dat gevoel dat je een van de velen bent.’

Verdween dat gevoel snel toen je debuteerde? Het lijkt alsof je vanaf het begin meteen de statuur had van een groot schrijver.

‘Dat verbaast mij ook weleens. Ik ben pas sinds vandaag geen debutant meer, maar het gekke is dat ik nooit ben uitgenodigd voor debutantendingen. Dat is wel raar. Ik weet ook niet waaraan dat ligt. Maar mijn gevoel voor eigenwaarde is er niet sterk door veranderd, gek genoeg. Er is wel een tijd van vóór Bonita Avenue en erna. Alles wat mijn leven nu uitmaakt, is gedefinieerd door Bonita Avenue. Het huis waarin ik woon, wat ik doe, hoe mensen me zien, waarvoor ik geld krijg. Alles. Dat is gek.’

Heb je het succes van dit tweede boek in financieel opzicht nodig? Is het geld van je eerste boek op?

‘Nee hoor. Ik geef ook bijna niets uit. Maar de boekenmarkt is sowieso veranderd. Het aantal exemplaren dat ik verkocht van Bonita Avenue (350 duizend, red.) kan ik op mijn buik schrijven. De totale boekverkoop is drastisch afgenomen.’

Wat betreft marketing wordt in ieder geval alles uit de kast getrokken. Toen je boek in september zou verschijnen, was er zelfs een auto beplakt met de titel van je boek, waarmee je door Nederland zou toeren.

‘Dat was niet mijn idee, daar was ik ook niet zo enthousiast over. Maar dat was al gedaan.’

Ga je dat alsnog doen?

‘Ik ben er zelf niet zo van. Zo veel poeha. Eerst maar eens kijken hoe erop gereageerd wordt. Dadelijk vindt de kritiek het helemaal niks. Dan rijd ik voorbij in die auto, terwijl de recensies slecht zijn. Recensenten zijn uitsmijters, hè. Bij een film met één ster kun je makkelijk controleren of de recensent gelijk heeft, maar bij zo’n dik boek als dat van mij neem je die moeite niet. Dat vind ik het vervelende ervan. Want ik weet zeker: het is wel meer waard dan één ster.’

Heb je naast het schrijverschap nog andere ambities, bijvoorbeeld om vader te worden?

‘Ehm, nee… Dat komt ook voort uit mijn levensstijl. Als ik een ander beroep had, zou ik er misschien anders tegenover staan. Maar het ligt ook wel aan degene met wie je bent. Als Jet heel graag kinderen wil, ga ik wel naar haar luisteren.’

Door het stiefvaderschap in je vorige relatie heb je er al wel een beetje van geproefd. Ineens stond je sinterklaasliedjes te zingen bij de intocht.

‘Ja. Daar heb ik echt van genoten. Er zaten heel leuke kanten aan, die ik niet had willen missen. En stel dat het dan ook nog je eigen kinderen zijn, dat maakt het nog bijzonderder. Anderzijds heb ik andere doelen in mijn leven, namelijk boeken schrijven. En dat is best moeilijk te combineren met kinderen. Het is al bijna niet te doen met familie en vrienden. Dus het is niet uit egoïsme of uit vrijheidsdrang dat ik niet voor het vaderschap heb gekozen, maar door de ball and chain van het schrijven. Ik zit hier de hele dag in de extra beveiligde gevangenis van Vught.’

Waarom zou je die gevangenis verkiezen boven het vaderschap?

‘Dat is voor mij een heel makkelijke keuze. Omdat ik schrijven veel belangrijker vind. Je moet mij de eerste baby laten zien die ik interessanter vind dan Amerikaanse pastorale van Philip Roth. Baby’s zijn er genoeg, goede boeken niet.’

PETER BUWALDA

30 december 1971 Geboren in Brussel.

1990 Eindexamen vwo in Venlo.

1991-1997 Studie Nederlands in Utrecht.

1997 Postdoctorale opleiding journalistiek in Rotterdam.

1998-2002 Redacteur UT Nieuws, Universiteit Twente.

2003-2004 Redacteur bij uitgeverij L.J. Veen.

2005-2006 Redacteur bij uitgeverij Nieuw Amsterdam.

2010 Debuutroman Bonita Avenue. Het boek werd genomineerd voor twaalf literaire prijzen en won er vijf. Er werden 350 duizend exemplaren verkocht. De roman wordt verfilmd en is vertaald in vijftien talen.

2014 Suzy vindt van niet, gebundelde columns uit de Volkskrant.

2015 Van mij valt niks te leren, gebundelde columns.

2016 Americana, bloemlezing uit het werk van Joost Zwagerman.

2016 Verse probz, gebundelde columns.

2017 De kleine voeten van Lowell George, gebundelde columns.

2019 Otmars zonen. Het verhaal: de jonge Shell-employé Ludwig Smit strandt na een bezoek aan de illustere Johan Tromp op het Siberische eiland Sakhalin in een sneeuwstorm. Juist nu, wanneer onderzoeksjournalist Isabelle Orthel hem het deksel van een beerput komt overhandigen, begint Tromps daverende carrière in de oliebusiness te wankelen. Tromp – hedonist, alfaman, kroonprins van Shell en in alles het tegenbeeld van Ludwig – schat zijn twee bezoekers volkomen verkeerd in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden