SCHRIJVERS IN HUN WERKKAMERPaul Scheffer

Paul Scheffer: ‘Eigenlijk ben ik al een halve eeuw aan het hamsteren voor deze apocalyptische tijd’

Paul Scheffer in zijn huis tijdens de coronacrisis.Beeld Ivo van der Bent

Het is een oude les uit de scheepvaart: wie grote oceaanstomers bouwt moet ervoor zorgen dat de laadruimte opgedeeld is in compartimenten, anders is één lek genoeg om het hele schip te laten kapseizen. Dat is wat we nu meemaken. Een lokale crisis kan in mum van tijd muteren tot een wereldwijde crisis, schrijft Paul Scheffer, die ons vandaag meeneemt op de Reis door zijn kamer.

Ik heb de buitenwereld nooit helemaal vertrouwd, vandaar dat mijn leven zich goeddeels afspeelt in een binnenwereld. Al een halve eeuw oefen ik sociale onthouding – met mate, we moeten niet overdrijven. Dat is de keuze van iemand die vooral schrijvend de kost bij elkaar scharrelt. Het is heerlijk om je terug te trekken tussen de boeken.

Hoe meer je een huis weet te bezielen hoe minder je bent overgeleverd aan het straatrumoer. Een hoofd vol herinneringen helpt daarbij. Ik nestel me regelmatig in een stoel en laat voorvallen uit het verleden voorbijkomen. Het geheugen is een circulaire economie: de herinneringen raken nooit uitgeput, sterker nog, ze zijn zelfvoorzienend.

Zonder aarzeling kan ik zeggen: ik ben al heel lang onderweg in mijn kamer. Nooit een grenscontrole, geen wachttijden en ander ongemak. De restauratie is altijd open - zelfbediening, dat wel. Hier staat de hele wereld op de planken, hangt aan de muur of wacht erop de ruimte te vullen. Een paar verdiepingen vol boeken, schilderijen en muziek.

‘Hier danken wij de dingen’ staat geschreven op de muur van een recyclebedrijf langs het spoor in de buurt van Antwerpen. Dat doe ik ook. Mijn binnenwereld is bevolkt door voorwerpen die geschiedenis ademen - vooral familiegeschiedenis. En het fijne van de dingen is: ze doen geduldig hun werk, nooit humeurig, altijd betrouwbaar. Vaak dank ik de dingen in stilte.

Het lange bureaublad – een kopie van een tafel die is ontworpen door Frank Lloyd Wright, de held van mijn vader – staat vol met beeldjes. Naast een gordeldier uit Brazilië en een kameel uit China staat een klein beeld van Goethe, de held van mijn grootvader. Alles keurig op zijn plek: de lichte autist die ik ben kan niet zonder regelmaat. Al zou het geheel wel eens afgestoft mogen worden.

Boven de eettafel hangt het portret van een voorouder, geschilderd door zijn vader. Een ernstig kijkende jongeman, golvend naar achteren gekamd haar dat over een schillerkraag valt: Louis Suson Pedro Meijboom, een hervormingsgezinde predikant in Amsterdam. Mijn grootvader en mijn zus zijn naar hem vernoemd.

Meijboom was in de ogen van velen te liberaal. Bij zijn benoeming in 1853 kwam het tot protesten. Een jaar later hield hij zijn intreerede in de Nieuwe Kerk. Er moest politiebewaking bij zijn woning worden neergezet. Ook toen al hield menigeen niet van vrijzinnige geesten. Multatuli schreef op zijn beurt nogal spottend over de nieuwlichterij van Meijboom: ‘Men maakt geen nieuw kleed uit oude vodden.’

Er valt tussen deze muren zoveel moois te beleven. Eigenlijk ben ik al een halve eeuw aan het hamsteren voor deze apocalyptische tijd: kunstboeken, historische atlassen, biografieën, romans van over de hele wereld. Waar moet ik beginnen om dit eindeloze landschap te verkennen? Hoeveel tijd kom ik niet tekort, zelfs nu de buitenwereld is stilgevallen.

En toch voelt alles anders. De onthouding wordt immers ingegeven door de dwang van de omstandigheden. Mijn geliefde woont aan de rand van Brussel – dat komt er ook nog eens bij. Daar nemen ze de beperking van de bewegingsvrijheid nog een tikje serieuzer dan bij ons. Liefde in tijden van corona: zo leer je elke dag over de betekenis van grenzen.

Ik loop langs de kast met boeken over wereldgeschiedenis, over ontdekkingsreizen en globalisering. De huidige crisis laat zien hoe afhankelijk we van elkaar zijn geworden. Mede door de onderdrukking van dissidente stemmen in China – denk aan de artsen die werden geïntimideerd - zijn we misschien in een veel heviger crisis beland dan nodig was geweest.

Het is een oude les uit de scheepvaart: wie grote oceaanstomers bouwt moet ervoor zorgen dat de laadruimte opgedeeld is in compartimenten, anders is één lek genoeg om het hele schip te laten kapseizen. Dat is wat we nu meemaken: door de ontgrenzing van de wereld zijn we kwetsbaar geworden. Een lokale crisis kan in mum van tijd muteren tot een wereldwijde crisis.

Dit zijn dagen waarin we de chaostheorie grondig moeten bestuderen. Het idee is dat de vleugelopslag van een vlinder in China een orkaan kan veroorzaken in Texas. En inderdaad: een verdomde vleermuis uit Wuhan kan de hele wereld platleggen en duizenden doden met zich meebrengen. Kleine oorzaken kunnen grote gevolgen hebben. Onze moraal wil iets anders: oorzaak en gevolg moeten op gelijke hoogte staan.

De wereld is niet geruststellend, is eigenlijk nooit geruststellend. Ik laat dan ook alles wat kapot is restaureren. Dat is een kleine buiging naar mijn ouders en grootouders: de versleten Thonet-stoelen uit de jaren dertig gun ik een tweede leven. De houten tafel met stoelen van de Finse architect Alvar Aalto, waar we thuis met zijn vijven aan aten, heb ik van de ondergang gered.

Terwijl ik dit schrijf kijkt het borstbeeld van mijn grootvader over mijn schouder mee. Het stemt gelukkig om rond te waren in een huis met al die verwijzingen naar vroeger. Ik wist al heel vroeg: zo wil ik leven, zo wil ik wonen. Hoge plafonds met oude lijsten, liefst een bovenhuis met veel licht. Binnen blijven: het nieuwe normaal is mijn oude normaal.

Die hang naar afzondering leeft van betrokkenheid – dat realiseer ik me deze dagen maar al te goed. Door de sociale onthouding komt het skelet van de samenleving bloot te liggen. Ik zag de lijst met vitale beroepen: de ordehandhavers, de onderwijzers, de verplegers, de vuilophalers, de winkelbediendes. Dat zijn zo’n beetje de slechtst betaalde beroepen van ons land.

Alle modieuze kritiek op de maakbare samenleving ten spijt, blijkt in tijden van corona ineens hoe afhankelijk we van de overheid zijn. Politiek is een onderschat ambacht: hoe kun je op basis van halve inzichten hele besluiten nemen die raken aan leven en dood? Zullen we ons Bruno Bruins nog herinneren als we weer overgaan tot de orde van de dag? Ik voorspel dat de ondernemers die nu om steun vragen straks weer klagen over de regelzucht van de overheid.

Soms realiseer ik me tegen het einde van de middag dat ik nog niet buiten ben geweest. Dan maak ik een ommetje. Het is raar om deze dagen door zonnige straten te lopen waar alles lijkt op wat het altijd was. Kinderen lachen op de speelplaats, toeristen blowen op een bankje, bejaarden schuifelen arm in arm. Het is weldadig, maar ik hou afstand en voel een onrust die zich niet laat verjagen.

Ik herinner me nog goed dat mijn ouders aan het hamsteren sloegen. Dat was tijdens de Cubacrisis in 1962. Ineens stond de kelderkast vol ingeblikte groente en pakken zout. Ze waren vooral bezig met de vorige oorlog: alles waar ze in de hongerwinter tekort aan hadden moesten ze nu binnen handbereik hebben. Deze keer zouden ze zich niet in hun slaap laten overvallen.

Op mijn schoorsteen staan twee urnen met de as van mijn vader en moeder. Die wachten al lang op hun laatste bestemming. De bijzetting moet er dit jaar van komen. Dat zal zijn in Westerveld, een begraafplaats aan de rand van de duinen, nabij IJmuiden. Daar liggen mijn grootvader en grootmoeder van moederskant ook. Maar iets zegt me dat ze zich hier thuis voelen. Ik hou ze nog even bij me.

Als iemand weet hoe het is om de hele dag thuis te zitten, zijn het schrijvers wel. In deze serie nemen ze ons mee op hun (geestelijke) omzwervingen door de werkkamer, zoals Xavier de Maistre dat deed 1794 in zijn Reis door mijn kamer. Nicolien Mizee (‘U ziet het, er staat een bed in mijn kamer, een tafel en een kast’) en Lieke Marsman (‘Het is een gek licht, dit licht in onze woonkamers’) ging Paul Scheffer voor, boekenchef Wilma de Rek gaf uitleg: ‘Ons lijf kunnen ze opsluiten, onze geest niet.’

Paul Scheffer (1954) is publicist en hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Tilburg. In 2013 verscheen Alles doet mee aan de werkelijkheid, een portret van zijn grootvader, de filosoof en letterkundige Herman Wolf. In 2000 schreef hij in NRC over de ‘mislukte’ integratie van nieuwkomers in Nederland. In 2016 publiceerde hij zijn essay De vrijheid van de grens (Lemniscaat), naar aanleiding van de Europese vluchtelingencrisis, en in 2018 De vorm van vrijheid (De Bezige Bij). 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden