PAUKENSLAG MET LATE ECHO

Max Horkheimer en Theodor W. Adorno schreven een boek over de dialectiek van de Verlichting dat ruim twintig jaar na dato gretig aftrek vond onder Duitse studenten in de jaren zestig....

Er zijn van die boeken die jarenlang in de magazijnen van uitgevers liggen te verstoffen. Ineens duiken ze op en spelen ze een brisante rol in het publieke debat. Dialectiek van de Verlichting van Max Horkheimer (1895-1973) en Theodor W. Adorno (1903-1969) is zo’n boek. Het werd begin jaren veertig geschreven, toen de auteurs (beiden van joodse afkomst) in ballingschap verbleven in de VS. In 1947 verscheen de eerste druk bij uitgeverij Querido in Amsterdam. Twintig jaar later dook de eerste roofdruk op, die al gauw gretig aftrek vond onder progressieve studenten in Duitsland – het boek had zijn adressanten bereikt. In 1969 gaven de auteurs na lang aarzelen hun toestemming voor een officiële tweede druk.

Grof gezegd bestaat het boek uit een geschiedfilosofisch en een empirisch deel. Het eerste, geschiedfilosofische stuk, getiteld ‘Het begrip verlichting’, beslaat precies de helft van het boek. De andere helft bestaat uit twee casestudy’s: een over de cultuurindustrie, met als veelzeggende ondertitel ‘Verlichting als massabedrog’, en een over het antisemitisme, met als raadselachtige ondertitel ‘Grenzen van de Verlichting’; het boek wordt afgesloten met een verzameling korte ‘aantekeningen en ontwerpen’.

Het eerste stuk begint met een onheilspellende paukenslag, die aanvankelijk nauwelijks werd gehoord maar waarvan de echo in de late jaren zestig des te harder begon na te dreunen. ‘Vanouds heeft Verlichting, in de meest omvattende zin van voortschrijdend denken, het doel nagestreefd bij de mensen de vrees weg te nemen en hen als heer en meester te laten optreden. Maar de verlichte aarde straalt in het teken van triomferend onheil.’ Hier wordt in één klap afgerekend met het al te naïeve Verlichtingsoptimisme. Dit behelsde dat als de mens zich maar volledig door zijn rede liet leiden, hij vrijer, gelukkiger en deugdzamer zou worden.

In de filosofie van Kant, waarin redelijkheid gelijk wordt gesteld aan vrijheid en deugdzaamheid, krijgt dit optimisme zijn theoretische onderbouwing. Dit blind vertrouwen in de zegeningen van de rede werd door de ontwikkelingen in de eerste vier decennia van de 20ste eeuw (het ‘triomferend onheil’) wreed verstoord.

Wat de these van de auteurs nu zo prikkelend en tegelijk zo angstaanjagend maakt, is dat ze dit onheil niet interpreteren als een onderbreking van het Verlichtingsproces maar als het noodzakelijke uitvloeisel van een radicaal en consequent doorgevoerde, eenzijdig technisch ingevulde Verlichting. Horkheimer en Adorno laten zien dat de Verlichting aan een dialectiek onderhevig is: van een wapen in handen van de onderdrukten tegen hun overheersers slaat ze om in een instrument waarmee de heersende klasse haar macht vergroot en bestendigt.

Horkheimer en Adorno baseerden hun diagnose van de ontaarding van de Verlichting niet alleen op de gebeurtenissen in Europa gedurende de jaren dertig en begin veertig, maar ook, en misschien wel met meer overtuigingskracht, op de ontwikkelingen in de ‘liberaal’-kapitalistische samenleving van de VS. Hier voltrekt de dialectiek van de Verlichting zich sluipender en vooral minder zichtbaar. Hier wordt, enigszins grof geformuleerd, de massa geknecht zonder dat ze het zelf in de gaten heeft. Met een almaar groeiend consumptieaanbod wordt de burger in slaap gewiegd, zodat hij zich niet meer bewust is van zijn eigen ontmenselijking.

In het hoofdstuk over de cultuurindustrie, het meest toegankelijke van dit boek, analyseren Horkheimer en Adorno hoe de ‘zachte’ dictatuur van de kapitalistische rede functioneert. De media, vanaf het laagste niveau van de reclame tot en met de hoogste cultuurpolitiek, zijn haar belangrijkste instrument. Ze dwingen de burger niet alleen een bijna dwangmatige consumptiezucht op, die noodzakelijk is voor het functioneren van het systeem, ze doden ook elke kritische zin in de kiem. En wat meer is: ze weten hem daarbij ook nog een geluksgevoel aan te praten.

In de taal van Adorno klinkt dat zo: ‘De cultuurindustrie is er zo volmaakt in geslaagd de subjecten in maatschappelijke functies te veranderen, dat die, omdat ze zich niet meer bewust zijn van welk conflict dan ook, de eigen ontmenselijking als iets menselijks ervaren, als het geluk van de warmte.’ Het moge duidelijk zijn dat in een dergelijke constellatie, waarin alle maatschappelijke conflicten in de kiem worden gesmoord, geen revolutionaire klasse meer kan opkomen. Anders dan voor Marx gloort er voor Horkheimer en Adorno geen licht aan de maatschappelijke horizon.

In Dialectiek van de verlichting zetten Horkheimer en Adorno hun filosofische programma (door henzelf Kritische Theorie genoemd) uiteen en presenteren ze tegelijk een aantal resultaten die dit programma oplevert als het op de maatschappelijke verschijnselen wordt toegepast. Ze maken als het ware de voorlopige balans op van hun theoretische inspanningen. Dat levert geen gemakkelijke tekst op. De lezer moet zien op te klimmen tot een hoog abstractieniveau. De zorgvuldige vertaling en het erudiete en informatieve nawoord van Michel van Nieuwstadt reiken hem hiervoor de noodzakelijke ladder aan. Hans Driessen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden