Parijs verliest goede naam in Afrika

Twee maanden geleden stierf Jacques Foccart, bijgenaamd Monsieur Afrique. De man die sinds de Tweede Wereldoorlog vrijwel onafgebroken vanuit de schaduw de Franse Afrika-politiek had bestierd, werd onder de gouden Dome des Invalides uitgeluid met een staatsuitvaart, in aanwezigheid van de president van de Republiek en zeven Afrikaanse staatshoofden....

Van onze correspondent

Martin Sommer

PARIJS

Eén goede vriend kon niet aanwezig zijn, wegens ziekte en moeilijkheden in eigen huis. Niettemin lag er een flinke krans (die vooral uit gele bloemen bestond) van maarschalk Mobutu en diens familie bij de kerkdeur.

Nu niet alleen Foccart, maar ook Mobutu het veld heeft geruimd, is de verleiding groot om het einde van Frankrijk als Afrikaanse grootmacht te proclameren. Zeker is dat de verbluffende opmars van Kabila's mannen zich volstrekt aan de greep van de Fransen onttrok.

Sterker, Frankrijk bleef Mobutu tot het eind steunen en betaalde mee aan de Servische huurlingen die geacht werden de opmars van de rebellen tot staan te brengen. Vergeefs, zoals we nu weten.

Ook in het Élysée wordt toegegeven dat er flinke inschattingsfouten zijn gemaakt. Nog op 7 maart van dit jaar verklaarde minister van Buitenlandse Zaken Hervé de Charette: 'President Mobutu is onbetwistbaar de enige persoon die in staat is de territoriale samenhang van Zaïre te garanderen.'

Voor een deel zijn die dure fouten nog te wijten aan Monsieur Afrique, die in 1994 verantwoordelijk was voor het onzalige plan Mobutu naar voren te schuiven als vredestichter in het gebied van de Grote Meren. Een van de laatste daden van Foccart was in 1996 opnieuw de kaart van Mobutu te spelen, als een vaste burcht in een zee van instabiliteit.

Een tweede aspect van de Franse misslag hangt indirect met het verscheiden van Foccart samen. Sinds hij overleed, ontbeert de Franse Afrikapolitiek een duidelijk machtscentrum: niet alleen het Élysée, maar ook het ministerie van Buitenlandse Zaken (Quay d'Orsay), het ministerie van Defensie en de geheime diensten onderhouden hun eigen Afrika-politiek. Ze werken allemaal in concurrentie met elkaar, hetgeen de blik op de materie overzee niet verheldert.

Maar de belangrijkste geopolitieke fout was al door Mitterrand gemaakt. Begin jaren negentig zat Frankrijk in Afrika op rozen. De Russen waren na de Koude Oorlog vertrokken. De Amerikanen vluchtten in 1993 met de staart tussen de benen uit Somalië en hadden hun bekomst van Afrika.

President Mitterrand had de zwarte leiders van de francofone landen in La Baule (1990) op het hart gedrukt dat democratisering geboden was, en ze hadden deemoedig geknikt voor de Franse autoriteit.

De inschattingsfout maakten de Fransen door in 1991 te interveniëren in de voormalige Belgische kolonie Rwanda. Dat ging tegen de regel van oud-president Pompidou in dat Franse militairen niet buiten hun eigen 'weitje' moeten gaan.

Frankrijk hielp de Hutu's tegen de opstand van de Tutsi's, en kwam terecht op een hellend vlak waar het niet meer vanaf is geraakt. Tijdens de massamoord van 1994 moest Parijs 'iets doen', onder druk van de publieke opinie. Operatie Turquoise werd ingezet, laat en onhandig.

De Franse militairen reserveerden met 'humanitair oogmerk' een deel van Rwanda voor de Hutu's. Toen zich daar de milities verzamelden die de genocide van de Tutsi's op hun geweten hadden, was het allang gebeurd met de Franse geloofwaardigheid in Afrika.

De Afrika-politiek kon, zoals men het in het Elysée omschrijft, niet meer van zijn plaats komen. Valéry Giscard d'Estaing, ooit als president bevriend met keizer Bokassa, nu voorzitter van de parlementscommissie van Buitenlandse Zaken: 'De ellende is dat wij twintig jaar lang dit soort zaken hebben geregeld, en dat tegenwoordig alles gebeurt zonder dat Europa en Frankrijk zelfs maar op de hoogte worden gesteld.'

Dat nu een definitief eind is gekomen aan de Franse Afrika-politiek is echter te veel gezegd. In wezen was Zaïre minder de achtertuin van Frankrijk dan die van België en de VS, ook wat investeringen betreft. Maar van de goede naam van het oude Frankrijk, met zijn beschavingsmissie op basis van de taalgemeenschap, is niet zo veel meer over.

'Frankrijk is de grootste vijand van de francofonie', zei van de week een Zaïrese jongen in een van de Franse kranten. De achtergrond van die opmerking was meer de stringente Franse toelatingspolitiek dan de gang van zaken in Afrika.

Het nog maar mondjesmaat uitgeven van visa voor Frankrijk valt in Afrika buitengewoon slecht. Afrikaanse handelaren kopen hun waar tegenwoordig in Dubai of Istanbul. Afrikaanse studenten gaan naar het Midden-Oosten. De devaluatie van de voorheen aan de Franse franc gekoppelde CFA heeft de Franse produkten alleen maar duurder gemaakt.

Dé Franse Afrika-kenner, Jean-François Bayart, in Le Monde: 'Frankrijk heeft Afrika vandaag niet veel meer te zeggen. Zijn boodschap van universalisme is uitgedoofd. De politiecontroles en de uitzettingen blijven over.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden