Parabel van de zwarte prinsjes

BIJ WIJZE VAN verantwoording schreef Hella Haasse aan het eind van haar boek: 'Heren van de thee is een roman, maar geen fictie.' Brieven en andere documenten uit het familie-archief van negentiende-eeuwse 'theejonkers' waren de documentaire bronnen geweest waarop ze haar verhaal had gebaseerd, en daarom: 'De stof is dus...

Precies dat vertel-procédé heeft Arthur Japin toegepast voor zijn romandebuut De zwarte met het witte hart, de vergeten geschiedenis van twee Afrikaanse prinsjes die in 1837 door Nederlanders - toen nog actief op een gouvernementspost in Goudkust, vanwaar enigszins versluierd slavenhandel werd gedreven - als kinderen werden 'gekocht' van de plaatselijke vorst, naar Holland werden verscheept, en daar formeel ten geschenke werden aangeboden aan koning Willem I.

Ik zeg vergeten, want in de dagen dat ze hier waren, is de aanwezigheid van de twee geenszins aan de aandacht van de samenleving ontsnapt.

De gewoonte om geïmporteerde negers op beurzen, exposities of kermissen 'tentoon te stellen' was toen al redelijk ingeburgerd (hoewel het later in de eeuw pas een ware hausse zou worden), er was ter wille van onze leergierige voorouders vaak ook een hoger, volkenkundig, dus educatief doel mee gediend - de dierentuin als opvoedkundig en recreatief instituut werd tenslotte ook in de negentiende eeuw pas goed populair - en het bezienswaardigheidsgehalte was onder alle omstandigheden hoog.

Maar zwarte prinsjes - de neefjes zullen bij aankomst net tien zijn geweest - dat was natuurlijk het toppunt.

In Delft leerden ze de taal, de cultuur, de christelijkheid en ten slotte het ingenieursvak. Ze groeiden op met medescholieren, later medestudenten, ze werden niet zozeer voor speciale gelegenheden geëxposeerd, ze liepen elke dag over straat, en bovendien genoten ze koninklijke bescherming, kwamen geregeld aan het hof, en ontwikkelden een speciale verhouding met de kinderen van Anna Paulowna en Willem II, dus ook met de latere Willem Drie en meer in het bijzonder met diens zuster Sophia.

Uiteraard bleef dat ongemerkt noch onvermeld. Ze speelden een rol in de krant (vooral in half en half illegale antimonarchistische schendblaadjes), ze gingen over de tong in de burgerij, Multatuli heeft erover bericht, en Jacob van Lennep liet zijn favoriete romanheldin Klaasje Zevenster (die zich nagekeken voelde) verontwaardigd uitroepen wat de mensen wel niet dachten: 'Dat ik de Nederlandsche Bank bestolen heb? Of op een van de Ashantijnse Prinsen verliefd geraakt was?'

Maar het duurde alles bij mekaar te kort om de publieke belangstelling levend te houden: de ene prins besloot na zijn studie terug te keren naar Afrika, de ander studeerde nog wat verder in Weimar (waar prinses Sophia introuwde) en verhuisde ten slotte naar Java, waar hem aanvankelijk een ondergeschikte betrekking en in laatste instantie een onrendabele koffieplantage werd gegund. Hij stierf, vergeten inderdaad, in 1904 in Buitenzorg.

In zijn roman heeft Japin gekozen voor het vertelperspectief van de laatste, de 'assimilant' van de twee, degene die zich van jongs af aan naar zijn lot schikt, met een zekere intellectuele eerzucht (net als zijn neefje was hij bovengemiddeld getalenteerd) aan de morele en culturele normen probeert te voldoen die de vreemde samenleving blijkbaar van hem vergt, en die stoïcijns blijft onder alle vormen van discriminatie - tot aan vernedering en lichamelijk geweld toe - waarvan hij tot aan z'n dood in de koloniale tropen het slachtoffer zal blijven. Maar zonder ooit het inzicht te verliezen dat hij wordt gediscrimineerd en in de ogen van de buitenwereld (ook in die van de Javanen!) een minderwaardig schepsel is, op z'n mooist gelouterd door het beeld van de 'nobele wilde' dat toen in de mode raakte, maar overigens gespeend van de noblesse de peau: 'de verhevenheid van de blanke huid boven een andere'.

Dat hij prins Kwasi, en niet diens weerbarstige neef Kwame, de geschiedenis laat vertellen heeft Japin behoed - en dat moet hij beseft hebben - voor de gemakzucht van de politieke-correctheid-met-terugwerkende-kracht waarmee veel andere auteurs hun 'nationale schuld' in dat soort gevallen graag zien af te betalen. In de roman zit dat gevoel van 'nattigheid' schitterend verstopt in de ironie waarmee de bejaarde prins - dat 'politieke kind van staat' - zijn herinneringen ophaalt: even mild en wijs als scherp en meedogenloos, en bovendien soms buitengewoon geestig.

Het boek komt wat moeizaam op gang - Japins grote stilistische zorgvuldigheid neigt bij tijden überhaupt tot iets dat in de buurt van omslachtigheid komt - maar ontwikkelt zich allengs tot een sterke roman à thèse, met als centraal thema de onmogelijkheid van volledige acculturatie.

De lotgevallen van de twee prinsjes zijn in dat opzicht exemplarisch. Natuurlijk speelt de blanke arrogantie, die honderd jaar geleden nog als een vanzelfsprekendheid gold, een extra fnuikende rol in het proces om twee diametraal tegenovergestelde culturen, en kleuren, tot verzoening te brengen. Maar het bijzondere van Japins boek zit 'm wat mij betreft in de mate waarin het verhaal van de Ashantijnse prinsjes uit z'n historische context is losgezongen tot het model van de onverzoenbaarheid-tout-court. Noch de inschikkelijke Kwasi, noch de 'eeuwige Afrikaan' die Kwame wil blijven, redt het. De teloorgang van de laatste lijkt de meest drastische: op het moment dat hij z'n Hollandse assimilatiejaren bewust de rug toekeert omdat hij z'n Ashanti-identiteit weigert op te geven, blijkt hij substantieel vervreemd van z'n Afrikaanse wortels, en maakt hij zich van kant.

Kwasi is 'flexibel' blijven leven - gekerstend tot in schijnbaar al z'n vezels, gekwalificeerd als mijnbouwingenieur, doordesemd als het ware van de Europese literatuur. Aan de hoven in Den Haag en Weimar kwam hij in contact met Hans Christian Andersen, in Indië zou hij Tine en Eduard Douwes Dekker hebben leren kennen (al is die ontmoeting misschien een dichterlijke vrijheid van Japin geweest). Bijna helemaal verwesterd, maar toch: een zwarte prins gebleven, en in die zin niet alleen of niet zozeer 'gestigmatiseerd' door z'n huidskleur, maar door de jaren heen geketend aan een cultuur die de zijne niet was.

De zwarte met het witte haar is op dat punt, bij al z'n zorgvuldige historiciteit, een hoogst actueel, en alleen al daarom een gedenkwaardige roman, met een donkere boodschap voor iedereen die in naïeve bevlogenheid de zegeningen predikt van een multiculturele samenleving die onder handbereik zou liggen.

Arthur Japin: De zwarte met het witte hart.

De Arbeiderspers; 389 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 295 2321 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden