PAPIEREN GEKRAKEEL

In het Parijse Centre Pompidou vindt de eerste dada-expositie plaats sinds halfweg jaren zestig. Ware dadaïsten zijn anti-dadaïsten die de bijval van het publiek saboteren....

'Gadji beri bimba.' Met harde medeklinkers, g, b en nog eens b, en meteen volle stem reciteerde Hugo Ball bizarre verzen tijdens een van dedadaïstische avonden op het podium van zijn Cabaret Voltaire. 'Glandridilauli lonni cadori', klonk het nog luidruchtiger. In de lente van 1916 hadhij in Zürich, waar hij in de Spiegelgasse een Künstlerkneipe wasbegonnen, een nieuw soort gedichten ontdekt, 'verzen zonder woorden' of'klankgedichten', taalacrobatiek, vrolijk gesjoemel met woorden.

Ball had zich voor de gelegenheid een heel eigen kostuum ontworpen. Hijzag er potsierlijk uit. 'Mijn benen staken in een blauwglanzend kartonnenkoker die me tot de heupen reikte', noteerde hij in zijn dagboeken DieFlucht aus der Zeit, 'waardoor ik eruitzag als een obelisk.' Hij droeg eenhoge cilindrische sjamanenhoed met blauwe en witte strepen en een enormekartonnen kraag, vanbinnen helderrood, vanbuiten goudkleurig, 'die zo aande hals was bevestigd dat ik mijn armen als vleugels kon bewegen door mijnellebogen op en neer te slaan'.

'Gadjama bim beri glassala', zong Ball, met opvallend zware klemtonen.Hij merkte al gauw dat zijn uitdrukkingsmiddelen niet opgewassen warentegen het pompeuze van zijn mise-en-scène. Hoe langer hij zo tot demenigte sprak hoe meer hij besefte dat er voor zijn stem 'geen andere wegwas overgebleven dan het oeroude ritme van sacerdotale lamentaties, in destijl van de kerkliederen van de katholieke mis'. Badend in het zweet werdhij die avond als een magische bisschop van het podium gedragen.

Dadaïsten, zoals Ball, vernietigden alle fraaie zinnen. Ze hielden vanflarden onbegrijpelijke tekst, van telegraafberichten die niemand konlezen, van de warrelige stortvloed van klanken op het podium van hetcabaret. Dada-dichters trokken zich terug in 'de alchemie van de taal', hunoptredens waren erupties van wartaal. Ze verknipten zinnen, zeverbrijzelden de taalgrammatica, tijdens hun optredens zweepten ze zichzelftot verrukking op.

Een schaar was voor elke dadaïst een wonderbaarlijk en onmisbaarinstrument (dat ook geregeld werd afgebeeld), veel belangrijker danpenselen of beitels, of zelfs pen, inkt en papier. Want om een gedicht tekunnen schrijven - zei Tristan Tzara - 'heb je vooral een schaar nodig'.Ze pakten een krant, knipten zorgvuldig willekeurige woorden uit een ofander artikel, her en der ook een kop, stopten de woorden in een zak of eenhoge hoed, haalden vervolgens de snippers er een voor een uit en plaktendie op een stuk karton. Zo schreef je een volmaakt dadaïstisch gedicht,met krantenpapier, schaar en lijmpot. 'En kijk', oreerde Tzara in een vanzijn manifesten, 'voortaan bent u een buitengewoon origineel enfijngevoelig schrijver, hoewel onbegrepen door het volk.'

Dwalend door de bijna vijftig kabinetten op de hoogste verdieping vanhet Centre Pompidou, op de eerste grote Parijse dada-expositie sindshalfweg jaren zestig, doen al die knipsels, gefrommelde papieren encollages, al het dadaïstische knutselwerk denken aan het gefröbel in dekleuterklas. Elk beschreven kartonnetje van Tzara, Marcel Duchamp ofFrancis Picabia is door conservatoren met de grootste zorg bejegend, elkesnipper is als een kostbaar goed of avant-gardistische relikwie bewaard.

Nochtans, dadaïsten saboteerden de bijval van het publiek, ze sprakenzichzelf voortdurend tegen, ze wilden oubollig cultuurgoed vernietigen, zezochten naar uitingen zonder enige regel. De ware dadaïst was deanti-dadaïst, die zijn schaar pakte en de woordenbrij nog maar eens doorelkaar husselde.

Dadaïsten schaamden zich allerminst voor de domheid die hen doorcritici, het publiek of de burgerij werd aangewreven. Het waren flitsendedenkers, ongeacht hun dronkemanspraat, baldadigheid of bluf. Meer nog, zehaatten de domheid en hielden van onzin. Toch, 'zoals dat wel meergebeurt', herinnerde Raoul Hausmann zich in 1972 in Am Anfang war Dada,konden zelfs de drie grondleggers van dada - hijzelf, Ball en Tzara -'lange tijd niet zeggen waar Rhodos ligt en hoe men dansen moet'. Er warengeen vragen die vaker werden gesteld aan de dadaïsten dan: 'Wat is dada,wat wil dada, wie heeft dada uitgevonden?' Nu ja, een naamgeving, zeiHausmann, 'is geen uitvinding' - het maakte niet uit of het dadaïsme denaam 'dada' of 'bebe', 'sisi' of 'ollollo' zou hebben gekregen - 'de zaakzou dezelfde zijn gebleven en deze zaak kwam geheel vanzelf op'.

Wat was dada? Ook curator Laurent Le Bon van de indrukwekkendedada-expositie heeft kennelijk met die vraag geworsteld, of liever als eenvolleerd dadaïst gejongleerd. Hoe kun je dada tonen? Het was geen bewegingvan gelijkgezinden, want het ging alle kanten op; dadaïsten spraken nooitover hun oeuvre, want ze maakten de allervergankelijkste dingen; dada waseen gigantisch papieren netwerk, van brieven, manifesten en knipsels, vancollages en fotomontages, van klankgedichten en experimentelemuziekpartituren, van verslagen van performances, van commentaren op dehappenings en op het gekrakeel en kabaal.

Een vogel op vier poten, een ladder zonder sporten, een kwadraat zonderhoeken, van elk 'ja' ziet dada gelijktijdig het 'neen'. Dada, predikte Theovan Doesburg in zijn inleiding in de dadasofie, 'bezit evenveel positivaals negativa'. Soms is er geen touw aan vast te knopen, de woorden zijnonbegrijpelijk, elke hiërarchie is nutteloos, je kunt ook nauwelijks eenchronologie opstellen en van sommige dadaïsten - zoals van Arthur Cravan - zijn we elk spoor bijster. Ergens in 1920 roeide Cravan de golf van Mexicoop en werd nooit meer teruggezien. De dandy Jacques Vaché, al dadaïstvoor dada bestond, stierf op 24-jarige leeftijd aan een overdosis opium ende onstuimige Ball trok zich terug in de Zwitserse bergen en werd eenfervent katholiek en mysticus.

Dada was een gesol met woorden in manifesten en andere woordenkramerij,met halve en voor een kwart voltooide beweringen waarin 'het einde van eenzin zijn begin vernietigt'. Tijdens hun manifestaties in het ZürichseCabaret Voltaire, waar het allemaal begon, in de Berlijnse Club Dada, inHannover en Keulen, Barcelona of in New York, schreeuwden dadaïstendolzinnige woorden.

Cravan kwam ooit stomdronken op een expositie met een koffer volwasgoed dat hij om zich heen smeet. Hij begon zich uit te kleden. Lallend.Tegen de tijd dat hij op de opening zijn broek begon los te knopen, maaktede politie een einde aan de herrie. Het werd op den duur altijd maar gekkeren uitdagender: André Breton, de latere paus van het surrealisme, peuzeldelucifers op; Georges Ribemont-Dessaignes riep tijdens zo'n vertoningonophoudelijk 'het regent op een schedel' en Louis Aragon miauwde als eenkat.

Anders dan de danseressen en charmezangers in de tingeltangel-cabaretstrof de dadaïst op het podium de burger in zijn taal en kwam in opstandtegen het hele cultuurpatroon, tegen de Grote Woorden van politici engeneraals van de belle époque.

De tentoonstelling, die later naar Washington en New York reist, laatiets van die wirwar zien, van die opeenstapeling van paradoxen, ophonderden vellen papier geschreven taalontwrichtingen, van de radicaliteitvan de dadaïsten die voortdurend in tegenspraak tot de ander staan maarook tot zichzelf. In de kabinetjes worden alle bekende relicten getoond:het strijkijzer met de pinnen en de trekpoppen van Man Ray, de besnordeMona Lisa, het flessenrek, het pissoir en het fietswiel op een krukje vanMarcel Duchamp, de Mechanischer Kopf van Raoul Hausmann, reliëfs van JeanArp, fotomontages van Hannah Höch en John Heartfield, de marionetten vande Dada-Messe, en vooral honderden en honderden collages, tijdschriften,dada-documenten, affiches, brieven en vergeelde krantenknipsels, alsmedede schaakborden van Max Ernst en Duchamp. Die borden weerspiegelen deexpositieplattegrond, de gelijke kabinetten, waar je met paardensprongen,of als een loper diagonaal, of als een pion vakje na vakje van het enekabinet naar het andere kunt gaan, van Zürich naar Parijs en naar NewYork.

Dada was een papieren circuit, met connecties in vele landen. Detentoonstelling is een soort geografie van dada, maar dan zonder kaarten.De vuistdikke catalogus, meer dan duizend pagina's, is opgevat als eentelefoonboek, op datzelfde flinterdunne papier gedrukt, met een voorcatalogi totaal ongebruikelijke indeling.

Alles is alfabetisch geordend, het voorwoord , staat halfweg in hetboek, de bibliografie voorin, de lijst van de tentoongestelde voorwerpenen documenten onder de l van liste des oeuvres en het chronologischoverzicht bij de c van chronologie.

Dadaïsten waren een zeer gemêleerd gezelschap van durvers envirtuozen, oproerkraaiers en predikers, filosofen en waanzinnigen. Hetwaren lucide geesten in een tijd van wanhoop, de kladderadatsj van de GroteOorlog, die - in de woorden van Arp - 'terwijl de donder van degeschutsbatterijen in de verte rommelde, plaksels en gedichten maakten,voordroegen en met heel hun ziel zongen'. Wie het geestelijk leven in diebenarde oorlogsjaren wilde redden, lokte schandalen uit, grappen engrollen. Je had de vergeestelijkte dadaloog, de bijna altijd in het zwartgeklede Ball, de briljante improvisator Tzara, de dadasoof Hausmann, deOberdada Johannes Baader, de monteurdada Heartfield, de 'maarschalk van dedada-propaganda' George Grosz, en de wereldvreemde psychiater RichardHuelsenbeck die tijdens dada-voorstellingen de voordracht van zijnPhantastische Gebeten met knallen van een rijzweep onderstreepte.

De expositie herinnert ons weliswaar aan die verwoede scheldpartijen,aan het gegil en gebrul in het cabaret, maar tegelijk toont het CentrePompidou ook de aanstekelijke geestdrift en creativiteit van de dadaïsten.In 1922 of daaromtrent - toen de surrealisten het estafettestokje van deavant-garde overnamen - hield echter in de woorden van de bange burgerij'het kwajongenswerk van dada op te bestaan'.

In de Zürichse Spiegelgasse woonden schuin tegenover het CabaretVoltaire, waar dada zich voor het eerst manifesteerde, enkele ernstige enstil levende heren: Lenin, Radek en andere bolsjewieken. Op het eind vanzijn leven vertelde Tzara hoe hij met Lenin schaak speelde, terwijl hijniet eens wist wat die heren daar in Zwitserland bedisselden. De dadaïstenonderhielden geen contacten met Lenin en zijn kameraden. Toch herken je,kort na de Russische Revolutie, in die oorspronkelijke geestdrift van deRussische avant-garde van de jaren twintig hetzelfde elan als in de tijdvan dada. Het spelen van de dadaïsten echter was nu voorbij. Sommige delenvan Europa waren een ruïne, de Duitse keizer en de Russische tsaar warenverdreven, en er werd na de oorlog gewerkt aan de Grote Utopie.

Misschien zien we nu, vele jaren later en na de implosie van hetcommunisme en die grote utopie, in de fratsen en humor van neodadaïstenen critici van het sovjetrealisme datzelfde enthousiasme en diezelfdeironie als 'in den beginne toen er dada was' - om Hausmann te parafraseren.De historische avant-garde - de -ismen van de twintigste eeuw - werkt noginspirerend, maar daarom is nog niet elke snipper papier of elkdadaïstisch luciferdoosje een schakel in de geschiedenis van de stijl'moderne kunst'. Elke dadaïst is tegelijk een anti-dadaïst, dat maakt hetverdraaid moeilijk om er een tentoonstelling over te maken. Het Parijsecentre heeft een geslaagd parcours uitgezet: je kunt lopen waar je wilt,ongeveer elke ruimte is even groot, er is geen hiërarchie in de getoondestukken, je wordt niet meegenomen op een wandeling door het virtueledadaland, kortom, je krijgt dada te zien zoals het was: een en al chaos.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden