Overzichtstentoonstelling in Foto Instituut laat zien hoe het engagement van Willem Diepraam geleidelijk naar binnen keerde De onmenselijke schoonheid van de cokesbergen bij IJmuiden

ROTTERDAM Na meer dan dertig jaar fotograferen is Willem Diepraam het lachen vergaan. Die conclusie dringt zich op bij de overzichtstentoonstelling die het Nederlands Foto Instituut in Rotterdam aan hem wijdt....

Van onze verslaggever

Arno Haijtema

Fascinerend zijn ze, prachtig van compositie en vol van beeldrijm ook, de foto's die Diepraam in IJmuiden, waar hij opgroeide, maakte voor zijn boek Landschap aan Zee (1994). Erotisch, zoals die cokesbergen zich rij na rij als vrouwendijen verheffen uit de vlakte. Maar de foto's zijn ook onheilspellend, ze berichten van een onherbergzaam landschap dat zijn schoonheid ontleent aan het feit dat het verwoest is. Er groeit geen boom die het lijnenspel kan verstoren. Er bloeit geen bloem die de fraaie monotonie van de zwarte cokes verstoort.

De late foto's van Diepraam (1944) verontrusten. Niet alleen omdat hij de vernietigende werking laat zien van de zware industrie op het duingebied, maar vooral omdat hij zich bij die verwoesting lijkt neer te leggen. Uit de kunstzinnige, esthetische manier waarop hij het landschap vastlegt, spreekt berusting. 'Het is wel erg, maar ook móói', hoor je hem bijna zeggen.

Is dit dezelfde fotograaf die het in de jaren zeventig met fotoreportages in Vrij Nederland opnam voor de minder bedeelden in de samenleving? Die opkwam voor vrije abortus en die de armoedige leefomstandigheden aanklaagde van zigeuners en Hagenezen in hun verpauperde Schilderswijk?

Wie kijkt naar de foto's uit het begin van Diepraams carrière en naar zijn recenter werk uit 1995, ervaart de radicale verandering als een schok. Diepraam heeft in de jaren tachtig bewust afstand genomen van het engagement, teleurgesteld door het geringe effect van zijn fotografie op de weerbarstige maatschappelijke werkelijkheid. Maar het Foto Instituut laat veel meer kanten zien van de getalenteerde fotojournalist die kunstenaar werd.

Diepraam is vooral bekend geworden door zijn uit de jaren zeventig stammende medewerking aan Vrij Nederland, dat hem volop de ruimte gaf, in een tijd dat kranten en opiniebladen foto's slechts een ondersteunende functie toebedachten; een plaatje bij een praatje. Voor Vrij Nederland (vanaf 1977 vooral in het themakatern Bijvoegsel) gaven verslaggevers politieke termen als 'de sociale minima' en 'minderheden' een menselijk gezicht. Ze zochten de maatschappelijke werkelijkheid, het 'volle leven', en de fotografen voegden daar een dimensie aan toe.

Diepraams werk werd gerangschikt onder de noemer 'sociale fotografie', net als dat van collega's als Koen Wessing, Ed van der Elsken en Dolf Toussaint. De term suggereert een strijdvaardigheid die op deze overzichtstentoonstelling maar zelden is terug te vinden. Misschien komt dat doordat Diepraam zelf de selectie heeft verzorgd en de meest pregnante voorbeelden (die hij achteraf 'pamflettistisch' noemt) terzijde heeft geschoven. Maar uiteraard wordt er in de jaren negentig ook heel anders aangekeken tegen wat een kwart eeuw eerder als een statement werd gezien.

Zo geldt Diepraams foto van een anti-abortus demonstratie in Den Haag (1972) als een duidelijk voorbeeld van zijn politieke stellingname. We zien een voornamelijk uit bejaarden bestaande groep katholieke demonstranten. Op de voorgrond twee in dure bontjassen gehulde vrouwen, geflankeerd door een man van middelbare leeftijd met een muts op en een zware, donkere bril - een blank equivalent van de radicale negerleider Malcolm X.

In 1972 moeten de demonstranten door hun tegenstanders zijn beschouwd als representanten van de tijd waarin de clerus dacht het voor het zeggen te hebben. Diepraam liet de anti-abortusdemonstranten zien als reactionaire fanatici - en rijk nog bovendien. Nu wekt het beeld eerder vertedering; verbazend dat zo veel oudjes de moeite namen de straat op te gaan voor hun geloofsovertuiging.

Bij sommige foto's is nu zelfs niet meer te achterhalen of Diepraam wel de bedoeling had al dan niet zwaarwichtig commentaar te leveren. Zo is zijn verslag van koningin Juliana op bezoek in Tilburg (1973) niets meer en niets minder dan een uitbundige gebeurtenis. We zien de achterkant van de majesteit. Ze wordt omstuwd door een enthousiaste menigte. Verbeten probeert (vermoedelijk) een veiligheidsbeambte de massa op afstand te houden. Van pure inspanning klemt de man de tong tussen de lippen. Als de linkse fotograaf al heeft geprobeerd de monarchie en haar paladijnen belachelijk te maken, dan deed hij het wel heel mild.

Diepraams engagement komt anno 1996 vooral tot uitdrukking in de foto's die hij maakte in Suriname en de Antillen. Zelden laat hij de Nederlandse koloniën zien als een tropisch paradijs. Bijna altijd toont hij de troosteloosheid van het leven in gammele hutjes, in het aan zijn lot overgelaten Parimaribo, of in de schaduw van de olie-opslagtanks op Aruba.

Voor zover Diepraams reportages uit het begin van de jaren zeventig al eenduidig waren, was het daarmee eind jaren zeventig geheel gedaan. Hij maakte een boek over hongerend Afrika (Sahel, 1982), waarin hij behalve schrijnende beelden van uitgemergelde kinderen ook een weldoorvoede baby met een flinke onderkin toont. Hij signaleerde niet alleen de gevolgen van de droogte, maar ook het schitterende landschap waarin de catastrofe zich afspeelde.

Met zulke foto's, betoogt de kunsthistoricus Frank van den Bosch in een beschouwing over Diepraam, nuanceerde hij eerder de westerse kijk op de Sahellanden dan het stereotiepe beeld te bevestigen van Afrika als een verloren continent. Diepraams werk had dus nog wél een boodschap, al was die dan niet simpelweg op te vatten als een schreeuw om aandacht voor de honger in de wereld.

Gaandeweg raken de foto's meer doortrokken van zijn persoonlijke visie op leven en dood, op schoonheid en misère. Een tragedie in de privésfeer moet cruciaal zijn geweest bij die ommekeer van geëngageerde naar veel persoonlijker fotografie. De foto's van in rouw gedompelde Arubanen bij een begrafenis in Santa Cruz (1978) vormen de meest aangrijpende voorbeelden van iemand die zich door middel van zijn camera in hoge mate identificeert met zijn onderwerp.

Ook de reportage uit 1988 in de sloppenwijken van Lima is exemplarisch voor Diepraams veranderde opvattingen. Twintig jaar eerder bewaarde hij tot zijn onderwerpen meestal nog een fysieke afstand. Daardoor wordt dat werk gekenmerkt door een zekere emotionele distantie. In Peru was Diepraam allang geen buitenstaander meer. Hij fotografeerde de spelende kinderen in de modderstegen en de gezinnen in hun golfplaten hutjes alsof hij een familielid was: vertederd en vol warmte.

Des te harder komen de klappen aan die hij uitdeelt met zijn recente werk. Diepraam wekt de indruk zich in zijn fotografie niet meer met mensen te willen bezighouden. De foto's van ongenaakbare cokesbergen in IJmuiden hangen tussen die van vrouwelijke naakten. De vrouwen hebben hun gezicht afgewend van de camera, alle aandacht wordt opgeëist door de welvingen van hun lichaam en de rimpels in de witte doek waarop zij liggen. De vrouwen zijn landschappen geworden: 'Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.'

Willem Diepraam: fotografie 1950-1995. Nederlands Foto Instituut, Rotterdam. Open di-zo, 11-17 uur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden