Overgeërfde utopie

De jongemannen zijn begeesterd, en trekken zich in 1926 drie maanden terug in een Arnhemse loods vol gasbuizen. Ze zullen beginnen met het ontwerpen van een stoel. Want het komt aan op de menselijke maat: 'Huizen vloeien voort uit stoelen en stoelen uit mensen. Niet omgekeerd.' Een plaatselijke, drankzuchtige gasfitter staat hen bij. De wijnhandelaar verkeert in een roes, zijn vrouw slaat de ontwikkelingen zorgelijk gade. Maar zelfs zij is overtuigd als de architecten eindelijk hun stoel komen presenteren - een achterpootloze Freischwinger, door de gasfitter provisorisch gelast, maar een wondertje - en daarna allerlei buismeubels voor het interieur afleveren.

Zoon Frederik Kats begrijpt vaders opwinding ook ogenblikkelijk: 'Deze stoel is in niets te vergelijken met de lompe exemplaren die onze kamers sieren. Deze stoel houdt geen licht tegen, deze stoel gaat er een verbintenis mee aan. Hij is speels en tegelijkertijd streng, als een stralend blauwe hemel.'

Maar dan slaat de economische recessie toe, vader Kats gaat bankroet, en hij moet Breuer en Stam weer op de trein zetten nog voordat ze hun villaontwerp hebben kunnen uitvoeren.

Het had zo mooi kunnen zijn. Het geluk bleef echter steken in een prototype. Anderzijds kan een vervoerende utopie, de verwachting van een zondoorschenen toekomst, doordát zij niet wordt verwezenlijkt generaties lang ongeschonden worden doorgegeven.

Hier heeft de debutant Willem van Zadelhoff het over, in zijn strak geschreven roman Een stoel. Van Zadelhoff is geboren in 1958 en volgens de uitgever geen pseudoniem, want te contacteren via een Belgisch emailadres. Dat is natuurlijk geen identiteitsgarantie. Immers, in 2000 was de debutant Marek van der Jagt ('1967') ook te mailen in zijn woonplaats Wenen - totdat bleek dat de antwoorden werden verstuurd vanuit het huis van Arnon Grunberg (1971) in New York.

Mocht Van Zadelhoff niemand anders zijn dan Willem van Zadelhoff, dan is hij in elk geval een debutant die een aantal in stilte welbestede leerjaren achter zich heeft. In het bestek van 140 geenszins dikbedrukte pagina's loopt hij soepeltjes drie generaties Kats langs. Na de wijnhandelaar Gerrit is zijn zoon Frederik, die de beruchte stoel van zijn vader erfde (en dus ook de utopie), levenslang met het ding in de weer geweest. In de jaren dertig schreef de jurist Frederik Kats in Leiden een doctoraalscriptie en vervolgens een proefschrift over de stoelenruzie die Breuer en Stam later kregen over het octrooirecht. Frederik opent in Arnhem een filiaal van het advocatenkantoor waaraan hij is verbonden. Zijn vader sterft in 1952 en blijkt vlak voor zijn dood het lapje bouwgrond aan de Rijn te hebben teruggekocht, in de hoop dat de zoon daar alsnog een revolutionaire villa zal laten bouwen. Hij doet het.

Op zijn beurt sterft Frederik in 1993, en in de jaren erna brengt zijn vrouw het interieur van hun villa weer terug in een sfeer van zware bedomptheid. Maar het stokje is alweer doorgegeven: Frederiks zoon Robert Kats, een historicus, erft van zijn vader een cahier waarin hij de hele stoelhistorie heeft beschreven. De Freischwinger van Mart Stam en Marcel Breuer heeft vader geschonken aan het Bauhaus Archiv in Berlijn.

Daar reist Robert in 1999 heen. Frau Doktor Karoline Kwatta ontvangt hem, en neemt hem zelfs mee naar haar huis. In de slaapkamer staat. . . de stoel. Waarom in een privé-vertrek, en niet in het museum? Daar zit een verhaal achter. En dat verhaal heeft alles te maken met een droom van licht en lucht die door misverstanden en kleinzielig bedrog moest worden teruggebracht tot een idee van geluk.

Een levensles, kan men dan pastoraal opmerken, maar de zakelijke Van Zadelhoff hoedt zich voor dergelijke uitspraken. Hij tóónt en houdt het kort, vergelijkbaar met de manier waarop W.F. Hermans in Filip's sonatine (1980) of De zegelring (1984) zijn wereldbeeld comprimeerde in een krachtige novelle. Een andere leermeester van de debutant kan F.B. Hotz zijn, in wiens verhalen de glans van de jaren twintig door bedroevende levenservaringen van zijn personages wordt bekrast, zonder ooit finaal teloor te gaan.

Van Zadelhoff heeft ook Martinus Nijhoff gelezen. De verwijzing naar diens beroemde keukensonnet 'Impasse' ('Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan/ druppelend water op de koffie giet/ en zich de geur verbreidt: ik weet het niet') is omineus, wanneer Frederik Kats zich in een dilemma bevindt en dat voorlegt aan Fien, de vrouw van zijn promotor Prakking, in de keuken van hun huis. Terwijl zij 'langzaam het water opgiet' en 'de geur van versgezette koffie zich verspreidt door de keuken', denkt hij: Fien heeft gelijk. 'Wat heb ik te verliezen?'

De correspondentie is evident, het verschil evenzeer. Bij Van Zadelhoff blijven zijn personages voorwaarts streven; als je wilt moet het toch ooit lukken het lot freischwingend te keren, en je droom te verwezenlijken door (letterlijk of bij wijze van spreken) plaats te nemen op het zitmeubel van waaruit je de hemel kunt zien.

Was het maar waar.

Intussen hebben we er een opvallende debutant bij gekregen. Dat alleen al houdt de hoop levend.

Willem van Zadelhoff: Een stoel.
Meulenhoff en Manteau; 142 pagina's; euro 16,95.
ISBN 90 5990 006 5.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden