Interview

'Overeenkomst tussen Karl Ove en mij is de intensiteit'

Omdat de hele wereld verslingerd is aan de openhartige romancyclus Mijn Strijd van Karl Ove Knausgård, denken we ook zijn echtgenote Linda al te kennen. Maar wie is zij? Een ontmoeting in Malmö met Linda Boström Knausgård, schrijfster en schrijversvrouw.

Linda Boström Knausgård.Beeld Ivo van der Bent

Met aarzelende passen, en met de schuchtere grijsgroene ogen die ik uit een boek herken (ogen die 'soms plotseling zomaar wijder worden, zonder enige reden leek het wel'), komt de schrijfster het café binnen van de Konsthall in Malmö. 'U wist het vast nog te vinden', zegt ze.

Dat heeft ze van haar man gehoord, dat hij twee jaar geleden op exact deze plek met mij had afgesproken. Inderdaad hoefde ik dit keer geen reisplan op te stellen. Vliegen naar Kopenhagen, dan met de trein over de brug naar Zweden, en een uur later ben je ter plekke. 'Karl Ove wilde meteen daar gaan zitten', zeg ik, wijzend naar de zonrijke binnenplaats, 'om te kunnen roken.' Ze haalt haar pakje Marlboro en een aansteker tevoorschijn. 'Dat wil ik ook.'

Veel kan ik er niet aan doen, dat bij de kennismaking met Linda Boström Knausgård (1972) prompt haar mans naam valt. Al was tevoren de afspraak dat het interview zou gaan over haar korte roman De val van de Helios. En dus níet over de vier jaar oudere Noorse echtgenoot van de Zweedse Linda, genaamd Karl Ove Knausgård (1968), die eerst in Scandinavië een sensatie veroorzaakte met de autobiografische romancyclus Min Kamp ofwel Mijn strijd (2009-2011) en die nu de hele wereld over reist, omdat de zes bakstenen overal in hoog tempo worden vertaald. In Nederland zijn we zojuist bij het voorlaatste deel aanbeland, Schrijver.

Waarom spreken de Knausgårds altijd in het café van de Konsthall af? 'We hebben vlak om de hoek gewoond, en konden de kinderen dan makkelijk hier in de kinderkamer onderbrengen', zegt Linda, die een uur naar Malmö heeft gereisd vanuit het afgelegen gehucht Glemmingebro (349 inwoners) bij Ystad, waar ze sinds drie jaar met Karl Ove en hun vier kinderen woont.

In de boeken van haar man komt zijn hele leven aan de orde ('niets houd ik achter') en dus ook dat van háár: we hebben weet van haar bipolaire stoornis, van de vreemde verhouding met haar vader die decennia geregeld in psychiatrische instellingen verbleef, van haar zenuw-inzinkingen, van de liefde en de crisismomenten in het huwelijk. We kunnen hooguit spelen dat we haar roman De val van de Helios geheel blanco lezen. Maar we vermoeden dat het verhaal over Anna - een meisje van 12, wier vader in een inrichting verdwijnt en die zelf wordt opgenomen in een degelijk Noord-Zweeds pleeggezin, maar die daarna ook met depressieve klachten in hetzelfde hospitaal als haar vader terechtkomt en alleen nog maar dood wil - best iets met Linda Boström Knausgård te maken kan hebben. Het is ondoenlijk om alles (leven en werk, haar boeken en de zijne) kunstmatig te scheiden.

U debuteerde met poëzie, in 1998, en een jaar later ontmoette u op de Scandinavische schrijversschool Biskops-Arnö een prozadebutant, ene Knausgård.

'Zo begon het, ja. Hardop lazen we elkaar onze teksten voor. Ik probeerde toen voor het eerst korte verhalen te schrijven. Karl Ove moedigde me aan, dat gaf me zelfvertrouwen. Ik wist niet hoe je een uitgever moest vinden. Maakt niks uit, zei hij lachend; als iets goed is, komen de uitgevers vanzelf. Zoiets zou ik zelf nooit zeggen. En zo gaat het nog steeds tussen ons.'

Beeld Ivo van der Bent

Uit het Volkskrant-interview met Karl Ove Knausgård, 1 september 2012:

‘Sinds een jaar woon ik met mijn gezin op het platteland. Daar is geen afleiding van welke aard ook. Er is niets. Ik heb ook hoegenaamd geen sociaal leven, en dat bevalt me uitstekend
– anders dan mijn vrouw en oudste dochter, die graag naar Stockholm willen. Ik weet dus niet hoe lang ik dit weldadige isolement kan rekken. Mijn vrienden bereik ik toch wel. Vanochtend nog kreeg ik post van een goede vriendin, die me schreef: ‘Bedankt voor je brief uit november, die van elfhonderd kantjes. Je hebt me weer helemaal bijgepraat.’

Pas in 2011 publiceerde u een donkere verhalenbundel: Grand Mal, over vrouwen met hallucinaties. En nu deze roman. U produceert langzaamaan steeds méér tekst.

'Maar niet met opzet. Schrijven gaat bij mij totaal intuïtief, bijna onbewust. Als ik mijn teksten teruglees, kan ik haast niet geloven dat ik ze heb geschreven. Niets is gepland. Meestal lukt het niet. Na die gedichten kwam er jarenlang geen nieuw werk.'

In die tijd werd u moeder.

'Inderdaad. Maar ik heb toen ook radiodocumentaires gemaakt. Daar kon ik niets naast doen. Dus dat moest allemaal weer aan de kant toen zich plotseling die korte verhalen aandienden.'

Het is alles of niks.

'Zoiets. Het zou plezieriger zijn als je weet wat je aan het doen bent en of het iets voorstelt. Maar bij mij gaat het zo niet. Toen ik De val van de Helios schreef, het verhaal van een meisje van 12, was het voor het eerst dat het korte verhaal waaraan ik werkte de volgende dag langer werd. En weer langer. Het is nog altijd geen dikke roman geworden, krap 100 pagina's tekst, maar ik wist niet dat ik hiertoe in staat was.

'Twee jaar geleden schreef ik dit boek. Karl Ove was weg, op reis vanwege zijn boeken. Ik had mijn moeder thuis, zij is actrice geweest. Zij voelde aan dat ik al schrijvend iets belangrijks te pakken had. Mijn moeder heeft me toen het hele huishouden uit handen genomen. Dag en nacht heb ik kunnen doorschrijven.'

Beeld Ivo van der Bent

De zinnen in De val van de Helios zijn kort en krachtig. De groenogige Anna laat ter introductie weten dat ze is geboren uit het hoofd van haar vader Conrad. Net als in de Griekse mythe over Pallas Athene, die uit het hoofd van haar vader Zeus tevoorschijn kwam. Anna wordt meteen gescheiden van haar vader, die in een plas bloed staat en schreeuwt. Hij verdwijnt in een inrichting. Zij gaat naar een vriendelijk pleeggezin.

Dat begin plaatst uw verhaal meteen in een mythische traditie.

'Waarom ik dat doe, wilt u weten? Zomaar. Ik schreef eerst die twee zinnen op: 'Ik word geboren uit het hoofd van mijn vader. Ik splijt zijn hoofd.' Toen ik die regels teruglas, dacht ik: dit is interessant, hier wil ik meer van weten.

'Als kind was ik geboeid door Griekse mythologie. Mijn moeder gaf me een boek met die verhalen. Dat verhaal over Zeus die zijn eerste vrouw op at en Pallas Athene die later uit zijn hoofd werd geboren, heb ik toen al mooi gevonden. Het gegeven heeft in mij liggen wachten, tot ik het kon gebruiken in een verhaal.'

In Anna's pleeggezin zijn ze lid van de Pinksterkerk, en ze houden familievergaderingen over de taken die de leden hebben. Anna is met andere dingen bezig. Zij vraagt zich af waarom mensen altijd zo veel plaats in je hoofd willen innemen, ze graven zich een weg en blijven daar, terwijl je liever alleen wilt zijn. Die familie is soms minder goed te begrijpen dan Anna.

'We hebben kennissen in het noorden die zich ongeveer zo gedragen: de meesten zijn geheelonthouder en lid van de Pinksterkerk en anders sporten ze. Daar is niet veel aan verzonnen. Familievergaderingen houden ze ook. En ze laten Anna overal aan deelnemen.'

Maar de enige bij wie ze echt wil zijn, is haar vader. Als ze droomt van een hereniging voelt ze zich eindelijk gelukkig. Maar dat kan een droom over de dood zijn.

'Dat klopt, de lezer weet niet of zich die hereniging alleen in haar hoofd afspeelt. Maar inderdaad volgt ze haar vader. Ze worden ook in hetzelfde ziekenhuis verpleegd.'

Mogen we dat troost noemen? Bij alle droefenis over dit eenzame meisje, dat met niemand echt in contact kan komen?

'Tja, hoe moeten we dit boek lezen: als een mysterie, een tragedie, een magisch verhaal? Ik weet het ook niet. Dit is niet zo'n boek dat je leest om de avonturen. Je volgt de stem van een meisje dat zich niet in dat pleegezin wil onderdompelen, omdat ze beschikbaar wil blijven voor haar vader.'

De vader en de dochter schrijven elkaar, en ook al zijn de brieven van de patiënt Conrad raadselachtig en niet tot Anna persoonlijk gericht, er is toch een band.

'Anna stelt hem vragen, maar krijgt daar geen antwoord op. En de vader vraagt eigenlijk niets aan haar. Ik ben blij dat u voelt dat er desondanks een zeker contact is.

'De brieven van de vader heb ik niet hoeven verzinnen: het zijn letterlijk passages uit de brieven die mijn eigen vader me stuurde, toen hij erg in de war was. Over mijn vader heb ik een aantal jaren geleden een radio-documentaire gemaakt.'

Wat vindt uw vader ervan, dat u zijn brieven citeert?

(Op kalme, constaterende toon) 'Hij is dood.'
Stilte.

Mijn excuses, dat wist ik niet. Ik kende uw vader Roland Boström, een vroeg gescheiden en werkloze elektricien, dankzij Liefde, het tweede deel van Mijn Strijd, waarin Karl Ove schrijft dat uw vader 'de ziekte van de grenzeloosheid' had. Als uw vader in 2004 op bezoek komt, observeert Karl Ove de interactie tussen Roland en zijn dochter Linda: 'De manier waarop ze zich aan hem had onderworpen, was die van een meisje van tien, dat zag ik, de manier waarop ze zich ertegen verzette, die van een volwassen vrouw. Maar alleen al het feit dat ze ertegen moest vechten, deed dat volwassene in zekere zin teniet: een volwassene belandt toch niet in zo'n situatie? Dergelijke gedachten waren hem echter vreemd, hij kende geen grenzen, voor hem was ze alleen zijn dochter, een soort schepsel van alle leeftijden.' Hoe is het om zoiets in uw mans boek te lezen?

Ze zwijgt lange tijd. De grote ogen dwalen over het tafelblad.

'Voordat Karl Ove zijn boeken publiceerde, liet hij me ze lezen. Heel vroeg heb ik toen besloten elke vorm van controle te laten varen. Ik wil niet zeggen dat dat makkelijk is, want ik heb er ook onder geleden. Hij schrijft veel pijnlijke dingen op - over mij, mijn vader, over alles. Maar wat de doorslag gaf: ik voelde me tijdens het lezen beschermd tegen alles wat mij in grote verlegenheid had kunnen brengen. Dat komt door Karl Ove's taal. Hij schrijft zo goed. Wat kan ik er tegen doen?'

U had kunnen zeggen: bepaalde onderwerpen, zoals mijn bipolaire stoornis of de ziekte van mijn vader, die hoeft niemand anders te weten.

'Ja, maar door Karl Ove's taal wordt zijn verhaal veel groter dan dat over een enkele persoon en diens familie. Het blijft niet particulier; elke lezer gaat zijn leven met dat van de verteller vergelijken. Daarom spreken zijn boeken zo veel mensen aan. Dat bedoel ik met die bescherming.'

Is het geen vervreemdend effect dat honderdduizenden onbekende lezers denken dat ze Linda Knausgård kennen?

'Het kan gek klinken, maar daar denk ik nauwelijks over na.'

Op de boekenplank thuis staan nu die zes turven van hem, en uw drie dunnetjes ernaast. Het verschil springt nogal in het oog. Zijn er ook overeenkomsten?

'Karl Ove's boeken kun je niet wegleggen, je móet ze uitlezen, het maakt niet uit hoe dik ze zijn. Over mijn boekje hoorde ik vorig jaar, toen het de Zweedse Mare Kandre prijs won, dat je dat ook niet kunt wegleggen.

'Als je de Ilias kunt lezen, denk ik soms, of de Odyssee, of Shakespeare, waarom zou je dan De val van de Helios willen? Als ik afga op wat anderen beweren, dan kan het de intensiteit ervan zijn. Dat zou een overeenkomst zijn tussen Karl Ove en mij. Als hij bezig is, en midden in een boek zit, komt hij alleen de huiskamer in om te eten en hallo tegen de kinderen te zeggen. Ik begrijp dat. Zoals mijn moeder mij twee jaar geleden goed begreep.'

Hij zei opgelucht te zijn toen hij in 2011 het project af had. Gold dat ook voor u: was u blij toen hij klaar was?

'Absoluut.' (kort lachje) 'Maar daarvoor fantaseerde ik veel over hoe het zou zijn als Mijn Strijd af was: we zouden samen reizen maken, een avondje tv kijken of uit eten gaan. Dat is niet uitgekomen. Er is eigenlijk veel minder veranderd dan ik had gewenst. Dit is geen klacht, het is zoals het gaat. En Karl Ove kan er nu wél veel meer voor de kinderen zijn. Ze zijn nu 10, 8 en 7 jaar, en we hebben een meisje van 8 maanden. Drie meisjes, één jongen. We praten thuis Zweeds, op Karl Ove na, die Noors blijft praten. We verstaan hem allemaal goed, hoor.'

Twee jaar geleden zei Karl Ove me dat hij het prima had in Glemmingebro, maar dat u en uw dochters liever naar Malmö of Stockholm wilden.

'Dat heb ik inmiddels minder. Ik raak de stad ontwend en ben steeds meer gehecht aan Glemmingebro. Soms spreken we wekenlang niemand, en dat is een feest.

'Er is één winkeltje, met melk en brood. Voor andere winkels moeten we naar Ystad. Een school is er niet. De kinderen gaan met de bus naar school in een dorpje verderop. Gelukkig hebben ze nog geen belangstelling voor onze boeken. De kennismaking met het innerlijk leven van hun ouders kan wel eens schokkend zijn.

'Dat weet ik uit ondervinding. Mijn moeder Ingrid Boström was vóór haar pensioen actrice bij een groot gezelschap in Stockholm. Als kind ging ik jarenlang, vanaf mijn 5de tot mijn 12de, echt elke avond met haar mee naar het theater. Daar was ik liever dan thuis.

'Het theater is mijn school geweest. Ik ben gevormd door de dramatische taal die ik op de bühne hoorde. Ik assisteerde de souffleuse, veel toneelstukken kende ik uit mijn hoofd, van klassiek tot Ingmar Bergman, met wie mijn moeder ook heeft gewerkt.

'Je denkt je moeder te kennen, en ineens zie je haar in een andere rol: iets van haar essentie, van haar innerlijk leven zag ik daar. Het was beangstigend en mooi tegelijk. Dat wil ik ook, dacht ik in die jaren: spelen.

'Zodra het kon, heb ik me voor de toneelacademie aangemeld, net als honderden andere kandidaten. Toen het op selecteren aankwam, zei de mevrouw die daarover besliste: 'Jij bent niet geschikt voor een ensemble, Linda. Jij kan niet met anderen samenwerken. Jij bent te veel op jezelf.'

'Volgens mij was dat zeer waar.'


Linda Boström Knausgård wordt op 15 november geïnterviewd op het Crossing Border Festival in Den Haag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden