RecensieLiteratuur

Overdag achtenswaardig, ’s nachts een monster ★★★☆☆

Het is Manon Uphoff gelukt iets te vertellen waarvoor amper taal bestaat. Haar proza is gezwollen, maar daar waar het ertoe doet ráák.

Manon Uphoff: Vallen is als vliegen Querido; 192 pagina’s; € 18,99.

De voorlaatste roman van Manon Uphoff (1962) is haar niet goed bekomen. De spelers uit 2009 had een autobiografische inslag, Uphoffs man voelde zich verraden, hun relatie raakte in een crisis. Familie en vrienden waren boos. De schrijver verloor haar liefde voor verhalen en haar plezier in schrijven. Dat is althans wat ze beweert in haar nieuwe roman Vallen is als vliegen, die wederom in de ‘autobiografische werkelijkheid geworteld’ is. Na het lezen ervan begrijp je waarom het boek tien jaar op zich liet wachten. Uphoff had tijd nodig om moed te verzamelen voor een verhaal dat ze eigenlijk niet vertellen wil. Het verhaal van ‘ondergetekende’, die heel goed Manon Uphoff zou kunnen zijn, maar ook best iemand anders. In elk geval het verhaal van een van de dochters van Henri Elias Henrikus Holbein (‘HEHH’), ‘de briljante architect van onze angst en opwinding, en grootmeester en regisseur van onze momenten van extreme verrukking en vrees’.

Uphoff neemt de tijd om te benadrukken dat haar jeugd iets magisch had, ‘het huis een speelveld waar al het gedachte, gewenste en gevreesde werkelijkheid kon worden’, een universum met ‘talrijke uitbarstingen en scheppingen vol geur, kleur en contrast’, vol ‘schitterende belletjes van glas’. Het is HEHH die voor die luisterrijke sfeer zorgt. Hij is een amateurschilder die het huis volhangt met afbeeldingen van schilderijen. Hij leest veel, spreekt Latijn en introduceert zijn dochter in de wereld van kennis, kunst en wetenschap. In het weekend kookt hij heel lekker. Klinkt als een prima pa, dus er is vast meer aan de hand.

Om erachter te komen wát, moeten we ons door Uphoffs gezwollen proza heen worstelen, al struikelend (over vele haakjes): ‘Zo leefde ik in een wereld van toverij en taal waarin (nog) geen ‘ik’ nodig was, en het (Holbein-)woord wet was, maar tegelijk de opening tot een struikgewas waarin het glinsterde van de rode bessen.’ Onvermijdelijk mondt dit warrige gezwier uit in onbegrijpelijke zinnen: ‘We mogen dus niet uitsluiten dat het kind vooralsnog geen bezwaar aantekent om op enige afstand van de andere kinderen die het Holbein-huis bevolken, of dit met hardnekkige regelmaat blijven bezoeken, te worden uitverkoren voor de entree tot dit universum met een heilig runenschrift (en taal als de gouden glimworm die de grot verlicht)’. En in fouten. Heeft Uphoff het in een parmantige, lange opsomming over ‘daarbuiten’, hangen er opeens ‘koperen luchters als zwevende en gestolde inktvissen’ aan het plafond. Vermoeiend, dat gehengel naar poëtische allure, die praalzucht, de bombast – alsof het hier om een of andere mythe gaat. Kan Uphoff niet gewoon vertellen wat ze kwijt wil?

Nee. Want hoe vertel je iets waarvoor amper taal bestaat? Hoe leg je uit dat je vader ’s nachts verandert in een monster dat jou en je kleine zusje verkracht? De kinderkamer wordt een labyrint, ‘de Minotaurus’ gaat op jacht en het verhaal krijgt werkelijk iets mythisch. Dan doet Uphoffs stijl niet meer potsierlijk aan, maar is die passend associatief, aftastend; een slaapdronken samenvloeien van werkelijkheid en nachtmerrie. ‘Hier komen alle geuren en geluiden vanbinnen, is men het dompe-domp van de eigen ingewanden, de druk van het zware gewicht tot men een planeet wordt, alle elementen samengeperst tot één.’ Tijdens de nachten raken de zintuigen begoocheld, het onschuldige slaapkamertje flitst voorbij: een nachthemd met geborduurde stipjes, een plakplaatje van een lammetje, de Pinokkio-lampenkap. Dit is de plek waar je wordt ingestopt, goedenacht gekust en dan is er opeens alleen nog een ‘snijdbaar, tastbaar duister’, een ruimte waarbinnen het beeft van ‘zuchtjes, kreuntjes en pufjes’, daar waar de Minotaurus ‘je in miljarden zwarte rondjes knipt’. Om er de volgende ochtend te herrijzen, ‘in de gedaante van een kleuter, en te worden verpakt en aangekleed als een kleuter door de befaamde HEHH’.

De mooischrijverij van Uphoff verbloemt nu eens niets. Ze verbeeldt juist de omfloerste beleving van een argeloos kind dat nog geen benul heeft van goed en kwaad, dat openstaat voor ‘een alles omspannende wereld’, dat haar vader bewondert en door hem bewonderd wil worden. Het kleedje voor het kinderbed stinkt altijd een beetje naar poep en pies, maar het is ook een altaardoek waarop de machtige vader nederig knielt voor háár, de ‘vlamhete zonnekoningin’ met haar ‘vieze Fanny’. Gruwelijke nachten, maar ook grandioos.

De weigering om het misbruik te zien als absoluut slecht maakt Vallen is als vliegen zo interessant. Het is meer dan een schokkend persoonlijk verhaal, meer dan een eendimensionale aanklacht. Terwijl de lezer woedend is om zoveel onrecht blijft de schrijfster kalm en probeert ze te doorgronden waarom ze zolang weigerde kwaad of verdrietig te zijn, of überhaupt aan zichzelf toegaf dat er wat was gebeurd. Ze bleef, net als haar zussen die ook jarenlang misbruikt werden, een goede dochter. Waarom zou ze haar wijze, gedistingeerde overdagvader bezoedelen met het beeld van het nachtmonster? Is ze wel beter af met de wetenschap dat zij één waren? ‘We hebben baat bij de leugen. Die lost iets voor ons op, voor ons in. Er zijn bewijzen dat hij een achtenswaardig man was.’

Leugens en waarheden, goed en kwaad, werkelijkheid en verbeelding; het loopt allemaal door elkaar – zoals dat gaat, in een roman. Uphoff schrijft gekunsteld, op het pijnlijke af, maar in de scènes die er het meest toe doen veel pijnlijker ráák.

(c) Silvia CelibertiBeeld Silvia Celiberti
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden